Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-01-08
ECLI:NL:GHARL:2024:118
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,672 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.325.514/01
CJIB-nummer
: 244374735
Uitspraak d.d.
: 8 januari 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2023, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 september 2021 om 13.25 uur op het Vasteland (huisnummer 5) in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat onvoldoende is komen vast te staat dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Voor het gebruik van de stoptransparant in een opvallend dienstvoertuig of voor het achter een voertuig aanrijden is een ROI opleiding (het hof begrijpt: rijopleiding initieel) niet nodig. Daarnaast overweegt de kantonrechter dat de verkeerssituatie dusdanig was dat een staandehouding alleen mogelijk was als de ambtenaren de verkeersregels niet zouden naleven. Dit is echter door de ambtenaar zelf niet toegelicht. De sanctie is ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd, waardoor de inleidende beschikking niet in stand kan blijven.
3. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. Als reden waarom geen staandehouding heeft plaatsgevonden is in het zaakoverzicht vermeld:
“geen bevoegdheden i.v.m. niet behalen ROI.”
5. Het dossier bevat daarnaast een aanvullend proces-verbaal van 28 januari 2022. Hierin verklaart de ambtenaar onder meer het volgende:
“Ik stond stil voor het verkeerslicht, rechtdoorgaand richting de Maasboulevard op het Vasteland, dit betrof de S100-weg. Ik zag hierbij aan mijn rechterhand een voertuig met kenteken [kenteken] passeren. Het betreffende voertuig reed op het Vasteland, zijnde de S100-weg, op de baan voor rechtsafslaand verkeer, richting de Erasmusbrug. Ik zag dat het verkeerslicht voor rechtafslaand verkeer oranje kleurde. Ik zag dat het verkeerslicht enkele seconden deze kleur aanhield. Ik zag hierop het voertuig met kenteken [kenteken] versnellen. Ik zag dat het betreffende verkeerslicht rood kleurde. Ik zag dat het verkeerslicht enkele seconden op rood stond. Ik zag dat het voertuig met kenteken [kenteken] door bleef rijden en het rode verkeerslicht passeerde. Het rode verkeerslicht bevond zich ter hoogte van Vasteland nummer 5. Vanuit mijn positie op het Vasteland zijnde de S100-weg kon ik deze gehele situatie waarnemen.
6. De advocaat-generaal heeft bij het verweerschrift een mailwisseling met [naam1] , onder andere werkzaam als docent aan de Politieacademie, ingebracht. Hieruit blijkt dat een ambtenaar pas na het succesvol afsluiten van de ROI-opleiding bekwaam is voor het rijden met een surveillancevoertuig; een voorrangsvoertuig in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) of het gebruik maken van de (RWS)vrijstelling voor de politie RVV1990. Zolang de ambtenaar de ROI-opleiding (nog) niet heeft afgerond mag hij zich feitelijk alleen normaal in het verkeer begeven, zoals ieder andere weggebruiker. Een auto stilzetten op een veilige plek langs de openbare weg of het begaan van verkeersovertredingen is zonder ROI-opleiding voor de ambtenaar bijvoorbeeld niet toegestaan.
7. Het hof begrijpt de verklaring van de ambtenaar zo dat zij wel beschikt over de bevoegdheid om tot staandehouding over te gaan, maar dat zij gelet op de fase van haar opleiding van die bevoegdheid (nog) geen gebruik kon maken. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat de ambtenaar niet (volledig) opgeleid is in beginsel niet tot het oordeel kan leiden dat van staandehouding kon worden afgezien. Echter, uit de verklaring van de ambtenaar volgt ook dat zij zelf een overtreding moest begaan om de bestuurder van het voertuig van de betrokkene staande te kunnen houden, namelijk het doorrijden bij een rood verkeerslicht en/of niet de richting van de voorsorteerstrook volgen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het verkeerslicht van de betrokkene al enige tijd rood licht uitstraalde en de gedraging is verricht in de nabijheid van het centrum van Rotterdam, is voor het hof voldoende om te oordelen dat daardoor geen reële mogelijkheid was tot staandehouding van de bestuurder. Dit brengt mee dat de sanctie terecht, met toepassing van artikel 5 van de Wahv, aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. De grond slaagt niet.
8. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er niet.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.