Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-11-16
ECLI:NL:GHARL:2023:9706
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,302 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.325.570
(zaaknummer rechtbank Overijssel 178519)
beschikking van 16 november 2023
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.H. van der Linden te Almelo,
en
[verweerster]
,
wonende op een geheim adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S.M. Bosch te Denekamp.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 27 september 2017, 30 oktober 2020 en 16 januari 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 16 januari 2023 wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 13 april 2023;
- het verweerschrift met een productie;
- een journaalbericht van mr. Van der Linden van 11 september 2023 met een productie.
2.2
Op 9 oktober 2023 heeft [de minderjarige] , de bijna 13-jarige zoon van partijen, aan het hof verteld wat hij van de zaak vindt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 12 oktober 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader en zijn advocaat;
- de moeder en haar advocaat en
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
Feiten
3.1
De vader en de moeder hebben een relatie gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2010 te [woonplaats1] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder heeft alleen het gezag over [de minderjarige] .
3.2
De vader heeft de Braziliaanse nationaliteit. De moeder en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.3
In zijn inleidende verzoekschrift van 5 november 2015 heeft de vader de rechtbank verzocht zowel een omgangsregeling als een informatieregeling vast te stellen met betrekking tot [de minderjarige] .
3.4
Bij beschikking van 27 september 2017 heeft de rechtbank een informatieregeling vastgesteld en is het verzoek een omgangsregeling vast te stellen aangehouden voor onderzoek door de raad.
3.5
Bij beschikking van 30 oktober 2020 heeft de rechtbank onder aanhouding van het verzoek een omgangsregeling vast te stellen, de ouders in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan het traject ‘Ouderschap bij Scheiding’ van [naam1] en is een voorlopige opbouwende begeleide omgangsregeling vastgesteld met het uiteindelijke doel te komen tot onbegeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] .
3.6
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen, afgewezen.
4De omvang van het geschil
4.1
De vader is het niet eens met de bestreden beschikking. Hij is daarom in hoger beroep gegaan. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat tussen hem en [de minderjarige] een opbouwende omgangsregeling wordt vastgesteld, inhoudende dat hij en [de minderjarige] voor een periode van acht weken elke zaterdag van 12.00 uur tot 15.00 uur omgang met elkaar zullen hebben, vervolgens voor een periode van acht weken elke zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur en daarna een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur, alsmede de helft van alle vakanties en feestdagen, althans een omgangsregeling die het hof juist acht.
4.2
De moeder voert verweer en vraagt het hof de vader niet ontvankelijk te verklaren in
zijn hoger beroep dan wel de grief van de vader zoals verwoord in zijn hoger beroepschrift af te wijzen en de bestreden beschikking zo nodig onder aanvullen en/of verbeteren van gronden te bekrachtigen.
Motivering
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Het hof dient eerst ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in deze zaak, die internationale aspecten heeft. Omdat [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003 (Brussel II-bis) bevoegd. Nu de rechtbank Nederlands recht heeft toegepast en dat tussen partijen niet in geschil is, zal het hof hiervan uitgaan.
Beoordeling
Wettelijk kader
5.2
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.In 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter het recht op omgang alleen ontzegt indien onder andere omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.3
Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen.
5.4
Met de rechtbank en de raad is het hof van oordeel dat het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen, dient te worden afgewezen omdat het strijdt met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . Daartoe overweegt het hof als volgt.
Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders en kinderen recht hebben op contact met elkaar en dat dit contact van belang is voor de identiteitsontwikkeling van een kind.
Op verschillende manieren is tijdens de zeer langdurige procedure bij de rechtbank getracht een omgangsregeling tot stand te brengen. De verschillende hulpverleningstrajecten en het tijdsverloop (mede beïnvloed door de uitbraak van Covid 19 en de gevolgen daarvan) hebben behalve de ouders ook [de minderjarige] gevormd. De aanvankelijke nieuwsgierigheid van [de minderjarige] naar de vader heeft plaatsgemaakt voor weerstand tegen omgang met de vader. [de minderjarige] heeft herhaaldelijk te kennen gegeven dat hij geen omgang wil met de vader, zowel tegen betrokken hulpverlening als tegen de kinderrechter. Ook in het gesprek dat [de minderjarige] met de voorzitter van dit hof heeft gehad was dit zijn mening. Het hof ziet in de persoon van de vader geen belemmeringen om omgang te hebben met [de minderjarige] . Alleen is voor het hof duidelijk dat inmiddels een situatie is ontstaan waarin bij [de minderjarige] geen enkele ruimte is om omgang te hebben met de vader. Omgang forceren bij [de minderjarige] is op dit moment niet bevorderlijk voor zijn sociaal-emotioneel welzijn. Het hof begrijpt dat het voor de vader teleurstellend en ook frustrerend is dat hij na een jarenlange procedure nog steeds geen omgang heeft met [de minderjarige] , maar het hof hoopt dat door de druk van een omgang weg te nemen bij [de minderjarige] in de toekomst ruimte zal ontstaan voor omgang met zijn vader. Het hof is het met de raad eens dat het belangrijk is dat de vader aan [de minderjarige] laat weten dat hij in zijn leven is, maar ook dat hij aan hem denkt en moeite voor hem doet. Dit kan door middel van bijvoorbeeld het sturen van een kaartje of een berichtje. Door op deze manier contact te houden, wordt het voor [de minderjarige] makkelijker in de toekomst wanneer hij er zelf aan toe is contact op te nemen met de vader.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 16 januari 2023.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, P.B. Kamminga en E. de Boer en is op 16 november 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.325.570
(zaaknummer rechtbank Overijssel 178519)
beschikking van 16 november 2023
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.H. van der Linden te Almelo,
en
[verweerster]
,
wonende op een geheim adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S.M. Bosch te Denekamp.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 27 september 2017, 30 oktober 2020 en 16 januari 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 16 januari 2023 wordt hierna ook de bestreden beschikking genoemd.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 13 april 2023;
- het verweerschrift met een productie;
- een journaalbericht van mr. Van der Linden van 11 september 2023 met een productie.
2.2
Op 9 oktober 2023 heeft [de minderjarige] , de bijna 13-jarige zoon van partijen, aan het hof verteld wat hij van de zaak vindt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 12 oktober 2023 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader en zijn advocaat;
- de moeder en haar advocaat en
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
Feiten
3.1
De vader en de moeder hebben een relatie gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2010 te [woonplaats1] . De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder heeft alleen het gezag over [de minderjarige] .
3.2
De vader heeft de Braziliaanse nationaliteit. De moeder en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.
3.3
In zijn inleidende verzoekschrift van 5 november 2015 heeft de vader de rechtbank verzocht zowel een omgangsregeling als een informatieregeling vast te stellen met betrekking tot [de minderjarige] .
3.4
Bij beschikking van 27 september 2017 heeft de rechtbank een informatieregeling vastgesteld en is het verzoek een omgangsregeling vast te stellen aangehouden voor onderzoek door de raad.
3.5
Bij beschikking van 30 oktober 2020 heeft de rechtbank onder aanhouding van het verzoek een omgangsregeling vast te stellen, de ouders in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan het traject ‘Ouderschap bij Scheiding’ van [naam1] en is een voorlopige opbouwende begeleide omgangsregeling vastgesteld met het uiteindelijke doel te komen tot onbegeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] .
3.6
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen, afgewezen.
4De omvang van het geschil
4.1
De vader is het niet eens met de bestreden beschikking. Hij is daarom in hoger beroep gegaan. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat tussen hem en [de minderjarige] een opbouwende omgangsregeling wordt vastgesteld, inhoudende dat hij en [de minderjarige] voor een periode van acht weken elke zaterdag van 12.00 uur tot 15.00 uur omgang met elkaar zullen hebben, vervolgens voor een periode van acht weken elke zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur en daarna een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur, alsmede de helft van alle vakanties en feestdagen, althans een omgangsregeling die het hof juist acht.
4.2
De moeder voert verweer en vraagt het hof de vader niet ontvankelijk te verklaren in
zijn hoger beroep dan wel de grief van de vader zoals verwoord in zijn hoger beroepschrift af te wijzen en de bestreden beschikking zo nodig onder aanvullen en/of verbeteren van gronden te bekrachtigen.
Motivering
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Het hof dient eerst ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in deze zaak, die internationale aspecten heeft. Omdat [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003 (Brussel II-bis) bevoegd. Nu de rechtbank Nederlands recht heeft toegepast en dat tussen partijen niet in geschil is, zal het hof hiervan uitgaan.
Beoordeling
Wettelijk kader
5.2
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.In 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter het recht op omgang alleen ontzegt indien onder andere omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.3
Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen.
5.4
Met de rechtbank en de raad is het hof van oordeel dat het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen, dient te worden afgewezen omdat het strijdt met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . Daartoe overweegt het hof als volgt.
Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders en kinderen recht hebben op contact met elkaar en dat dit contact van belang is voor de identiteitsontwikkeling van een kind.
Op verschillende manieren is tijdens de zeer langdurige procedure bij de rechtbank getracht een omgangsregeling tot stand te brengen. De verschillende hulpverleningstrajecten en het tijdsverloop (mede beïnvloed door de uitbraak van Covid 19 en de gevolgen daarvan) hebben behalve de ouders ook [de minderjarige] gevormd. De aanvankelijke nieuwsgierigheid van [de minderjarige] naar de vader heeft plaatsgemaakt voor weerstand tegen omgang met de vader. [de minderjarige] heeft herhaaldelijk te kennen gegeven dat hij geen omgang wil met de vader, zowel tegen betrokken hulpverlening als tegen de kinderrechter. Ook in het gesprek dat [de minderjarige] met de voorzitter van dit hof heeft gehad was dit zijn mening. Het hof ziet in de persoon van de vader geen belemmeringen om omgang te hebben met [de minderjarige] . Alleen is voor het hof duidelijk dat inmiddels een situatie is ontstaan waarin bij [de minderjarige] geen enkele ruimte is om omgang te hebben met de vader. Omgang forceren bij [de minderjarige] is op dit moment niet bevorderlijk voor zijn sociaal-emotioneel welzijn. Het hof begrijpt dat het voor de vader teleurstellend en ook frustrerend is dat hij na een jarenlange procedure nog steeds geen omgang heeft met [de minderjarige] , maar het hof hoopt dat door de druk van een omgang weg te nemen bij [de minderjarige] in de toekomst ruimte zal ontstaan voor omgang met zijn vader. Het hof is het met de raad eens dat het belangrijk is dat de vader aan [de minderjarige] laat weten dat hij in zijn leven is, maar ook dat hij aan hem denkt en moeite voor hem doet. Dit kan door middel van bijvoorbeeld het sturen van een kaartje of een berichtje. Door op deze manier contact te houden, wordt het voor [de minderjarige] makkelijker in de toekomst wanneer hij er zelf aan toe is contact op te nemen met de vader.
6De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 16 januari 2023.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, P.B. Kamminga en E. de Boer en is op 16 november 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.