Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-11-14
ECLI:NL:GHARL:2023:9571
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
7,044 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.324.316
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 541734)
beschikking van 14 november 2023
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] , verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J. van Andel te Driebergen,
en
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. J.P. Snoek te Utrecht.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 december 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder te noemen de bestreden beschikking
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 maart 2023;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties;
- een journaalbericht van mr. J. van Andel van 21 september 2023 met producties;
- een journaalbericht van mr. J.P. Snoek van 26 september 2023 met productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 3 oktober 2023 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Feiten
3.1
Het huwelijk van partijen is ontbonden door echtscheiding.
3.2
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2008 in [plaats1] ;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2010 in [plaats1] , en
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2013 in [plaats1] ,
over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
3.3
Bij beschikking van 3 april 2020 heeft de rechtbank bepaald dat de man € 155,- per maand aan de vrouw aan kinderalimentatie zal betalen.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking is onder andere, voor zover thans van belang, bepaald dat (met wijziging van de beschikking van 3 april 2020) de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 20 december 2022 € 135,- per kind per maand bedraagt. Het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage van de man in haar kosten van levensonderhoud is door de rechtbank afgewezen.
4.2
De vrouw is met acht grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
- te bepalen dat de man ingaande 24 november 2020, althans 1 december 2020, althans 16 december 2020, althans 1 januari 2021, althans 1 februari 2022, althans ingaande de datum van het verzoekschrift in eerste aanleg, althans ingaand 20 december 2022, aan de vrouw aan kinderalimentatie dient te betalen een bedrag van € 1.041,32 per maand, althans een hoger bedrag dan door de rechtbank bepaald;
- alsmede te bepalen dat de man aan partneralimentatie aan de vrouw dient te voldoen
€ 2.500,- per maand, ingaande per 28 juni 2022, althans de datum van dit appelrekest;
- de man te veroordelen in de kosten van beide procedures;
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen.
4.3
De man voert verweer en hij vraagt de vrouw niet- ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen.
4.4
De man is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de draagkracht van de man en de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen op het punt van de kinderalimentatie en opnieuw rechtdoende het bedrag aan kinderalimentatie per 28 juni 2022 opnieuw te bepalen met inachtneming van de in zijn verweerschrift overgelegde producties en stellingen en de daaruit volgende draagkracht, kosten rechtens.
4.5
De vrouw heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd tegen het incidenteel hoger beroep.
Motivering
wijziging van omstandigheden
5.1
Sinds de beschikking van 3 april 2020 zijn de omstandigheden gewijzigd doordat de echtelijke woning aan de [adres] in [woonplaats1] is verkocht. De lasten van en voor die woning komen sindsdien niet meer ten laste van de man.
ingangsdatum
5.2
Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
5.3
Het hof hanteert, net als de rechtbank, als ingangsdatum van de wijziging van de alimentatieverplichting van de man 20 december 2022. Het hof vindt het onredelijk om de ingangsdatum eerder te bepalen, zoals door de man is verzocht, nu het hof navolgend de kinderalimentatieverplichting op een hoger bedrag zal bepalen dan waarvan de man bij zijn incidenteel appel ten aanzien van de ingangsdatum is uitgegaan,
prioritering
5.4
Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt, hebben op grond van artikel 1:400 lid 1 BW voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden, indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om dit levensonderhoud volledig aan allen te verschaffen. Nu de bijdrage van de man ten behoeve van de kinderen in geschil is, zal het hof allereerst beoordelen of en welke bijdrage de man dient te leveren in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen, alvorens in te gaan op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie.
Kinderalimentatie
de behoefte van [de minderjarige1] , [de minderjarige3] en [de minderjarige2]
5.5
De bij beschikking van 3 april 2020 vastgestelde behoefte van € 975,- per maand in 2018 is niet in geschil en staat daarmee vast. Geïndexeerd naar 2022 is de behoefte van de kinderen € 1.070,- per maand.
draagkracht van de man
5.6
Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot de kinderen staat in de beoordeling te worden betrokken.
5.7
Het hof wijst de man op artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin is bepaald dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. De man is uitermate selectief geweest in het overleggen van stukken. De man heeft geen loonspecificaties, aanslagen of stukken laten zien waaruit de grondslag van de door hem gestelde inkomsten blijkt. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft hij hierover ook geen duidelijkheid verschaft. Een goede beoordeling van de draagkracht van de man is hierdoor in feite onmogelijk gebleken. Het hof acht, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van het bepalen van de kinderalimentatie op tenminste de wettelijke maatstaven, het meest in het belang van de kinderen dat tenminste het tussen partijen bij beschikking van 3 april 2020 overeengekomen inkomen van de man van € 6.000,- bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantiegeld, oftewel € 77.760 bruto per jaar, als uitgangspunt geldt. Dit is wat partijen in 2020, middenin de coronacrisis, redelijk achtten en er is geen aanleiding voor het hof om daar nu anders over te denken. Het is het hof niet gebleken dat de man dit thans, nu hij inmiddels ook advocaat is, niet meer kan verdienen. Het hof zal daarom voor het inkomen van de man uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 77.760,-. Het hof neemt hierbij ook een premie lijfrente mee van €250,- per maand.
Op grond van het voorgaande heeft het hof berekend dat de man € 4.215,- netto per maand geacht kan worden te verdienen. Die berekening is in de bijlage van de beschikking opgenomen.
5.8
De draagkracht zal worden vastgesteld aan de hand van de formule
70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.020,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.500,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen terzake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 1.020,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.
Gelet op het voorgaande blijft van het netto besteedbaar inkomen van de man een bedrag van (4.215 – (1.264,50 + 1.020=) € 1.930,50 over. Daarvan is volgens de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 1.352,- per maand.
5.9
Het hof houdt, eveneens als de rechtbank, bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening met een maandelijkse aflossing op de lening van de man van € 300.000,- bij mr. J.P. Snoek. Uit de door de man in hoger beroep gegeven onderbouwing van deze schuld leidt het hof af dat de lening volledig is gebruikt ten behoeve van de eigen woning van de man en daarmee dus als eigen woning schuld heeft te gelden. De eigen woning schuld en de woonlasten zijn bij de berekening al meegenomen in de vrije ruimte van het inkomen.
draagkracht van de vrouw
5.10
Het hof zal voor de berekening van de draagkracht van de vrouw, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof na eigen weging en waardering tot de zijne maakt, uitgaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.000,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld. Dit komt neer op € 2.679,- netto per maand. Op grond van de draagkrachtformule is een bedrag van € 598,- per maand beschikbaar voor kinderalimentatie.
5.11
De man voert gemotiveerd verweer tegen de stelling van de vrouw dat zij om medische redenen niet in staat zou zijn om meer te werken. Gelet daarop had het op de weg van de vrouw gelegen om haar stelling met nadere stukken te onderbouwen, hetgeen zij niet althans onvoldoende heeft gedaan. Zij heeft ervoor gekozen om geen arbeidsdeskundig onderzoek te laten uitvoeren ter onderbouwing van haar stelling, wat voor haar rekening en risico komt. Bovendien heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat haar huidige werk, als alfahulp, haar helpt om in beweging te blijven, hetgeen een positief effect heeft op haar medische gesteldheid.
Gelet op het voorgaande, volgt het hof de vrouw niet in haar standpunt dat zij om medische redenen niet in staat is om minimaal een inkomen van € 2.000,- bruto per maand (exclusief vakantiegeld) te genereren.
draagkrachtvergelijking
5.12
De draagkracht van de man en de vrouw tezamen bedraagt € 1.950,- (€ 1352,-
+ € 598,-). De behoefte van de kinderen is € 1.070,- per maand. Nu de gezamenlijke draagkracht groter is dan de behoefte van de kinderen samen zal het hof het aandeel van de man en de vrouw in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen berekenen door middel van een draagkrachtvergelijking, waarbij ieders draagkracht wordt gedeeld door de totale draagkracht, vermenigvuldigt met de behoefte.
Het aandeel van de man bedraagt:
([€ 1352,- / € 1.950,- ] x € 1.070,- =) € 742,- per maand.
Dictum
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 20 december 2022, voor zover deze ziet op de daarin gewijzigde bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 3 april 2020 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 20 december 2022 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] € 158,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, K.A.M. van Os- ten Have en L. Hamer, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes- de Wit als griffier, en is op 14 november 2023
uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.324.316
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 541734)
beschikking van 14 november 2023
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] , verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J. van Andel te Driebergen,
en
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. J.P. Snoek te Utrecht.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 december 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder te noemen de bestreden beschikking
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 maart 2023;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties;
- een journaalbericht van mr. J. van Andel van 21 september 2023 met producties;
- een journaalbericht van mr. J.P. Snoek van 26 september 2023 met productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 3 oktober 2023 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Feiten
3.1
Het huwelijk van partijen is ontbonden door echtscheiding.
3.2
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2008 in [plaats1] ;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2010 in [plaats1] , en
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2013 in [plaats1] ,
over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
3.3
Bij beschikking van 3 april 2020 heeft de rechtbank bepaald dat de man € 155,- per maand aan de vrouw aan kinderalimentatie zal betalen.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking is onder andere, voor zover thans van belang, bepaald dat (met wijziging van de beschikking van 3 april 2020) de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 20 december 2022 € 135,- per kind per maand bedraagt. Het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage van de man in haar kosten van levensonderhoud is door de rechtbank afgewezen.
4.2
De vrouw is met acht grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
- te bepalen dat de man ingaande 24 november 2020, althans 1 december 2020, althans 16 december 2020, althans 1 januari 2021, althans 1 februari 2022, althans ingaande de datum van het verzoekschrift in eerste aanleg, althans ingaand 20 december 2022, aan de vrouw aan kinderalimentatie dient te betalen een bedrag van € 1.041,32 per maand, althans een hoger bedrag dan door de rechtbank bepaald;
- alsmede te bepalen dat de man aan partneralimentatie aan de vrouw dient te voldoen
€ 2.500,- per maand, ingaande per 28 juni 2022, althans de datum van dit appelrekest;
- de man te veroordelen in de kosten van beide procedures;
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te bepalen.
4.3
De man voert verweer en hij vraagt de vrouw niet- ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen.
4.4
De man is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de draagkracht van de man en de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen op het punt van de kinderalimentatie en opnieuw rechtdoende het bedrag aan kinderalimentatie per 28 juni 2022 opnieuw te bepalen met inachtneming van de in zijn verweerschrift overgelegde producties en stellingen en de daaruit volgende draagkracht, kosten rechtens.
4.5
De vrouw heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd tegen het incidenteel hoger beroep.
Motivering
wijziging van omstandigheden
5.1
Sinds de beschikking van 3 april 2020 zijn de omstandigheden gewijzigd doordat de echtelijke woning aan de [adres] in [woonplaats1] is verkocht. De lasten van en voor die woning komen sindsdien niet meer ten laste van de man.
ingangsdatum
5.2
Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
5.3
Het hof hanteert, net als de rechtbank, als ingangsdatum van de wijziging van de alimentatieverplichting van de man 20 december 2022. Het hof vindt het onredelijk om de ingangsdatum eerder te bepalen, zoals door de man is verzocht, nu het hof navolgend de kinderalimentatieverplichting op een hoger bedrag zal bepalen dan waarvan de man bij zijn incidenteel appel ten aanzien van de ingangsdatum is uitgegaan,
prioritering
5.4
Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt, hebben op grond van artikel 1:400 lid 1 BW voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden, indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om dit levensonderhoud volledig aan allen te verschaffen. Nu de bijdrage van de man ten behoeve van de kinderen in geschil is, zal het hof allereerst beoordelen of en welke bijdrage de man dient te leveren in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen, alvorens in te gaan op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie.
Kinderalimentatie
de behoefte van [de minderjarige1] , [de minderjarige3] en [de minderjarige2]
5.5
De bij beschikking van 3 april 2020 vastgestelde behoefte van € 975,- per maand in 2018 is niet in geschil en staat daarmee vast. Geïndexeerd naar 2022 is de behoefte van de kinderen € 1.070,- per maand.
draagkracht van de man
5.6
Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot de kinderen staat in de beoordeling te worden betrokken.
5.7
Het hof wijst de man op artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin is bepaald dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. De man is uitermate selectief geweest in het overleggen van stukken. De man heeft geen loonspecificaties, aanslagen of stukken laten zien waaruit de grondslag van de door hem gestelde inkomsten blijkt. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft hij hierover ook geen duidelijkheid verschaft. Een goede beoordeling van de draagkracht van de man is hierdoor in feite onmogelijk gebleken. Het hof acht, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van het bepalen van de kinderalimentatie op tenminste de wettelijke maatstaven, het meest in het belang van de kinderen dat tenminste het tussen partijen bij beschikking van 3 april 2020 overeengekomen inkomen van de man van € 6.000,- bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantiegeld, oftewel € 77.760 bruto per jaar, als uitgangspunt geldt. Dit is wat partijen in 2020, middenin de coronacrisis, redelijk achtten en er is geen aanleiding voor het hof om daar nu anders over te denken. Het is het hof niet gebleken dat de man dit thans, nu hij inmiddels ook advocaat is, niet meer kan verdienen. Het hof zal daarom voor het inkomen van de man uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 77.760,-. Het hof neemt hierbij ook een premie lijfrente mee van €250,- per maand.
Op grond van het voorgaande heeft het hof berekend dat de man € 4.215,- netto per maand geacht kan worden te verdienen. Die berekening is in de bijlage van de beschikking opgenomen.
5.8
De draagkracht zal worden vastgesteld aan de hand van de formule
70% [NBI - (0,3 NBI + € 1.020,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.500,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen terzake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 1.020,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.
Gelet op het voorgaande blijft van het netto besteedbaar inkomen van de man een bedrag van (4.215 – (1.264,50 + 1.020=) € 1.930,50 over. Daarvan is volgens de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 1.352,- per maand.
5.9
Het hof houdt, eveneens als de rechtbank, bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening met een maandelijkse aflossing op de lening van de man van € 300.000,- bij mr. J.P. Snoek. Uit de door de man in hoger beroep gegeven onderbouwing van deze schuld leidt het hof af dat de lening volledig is gebruikt ten behoeve van de eigen woning van de man en daarmee dus als eigen woning schuld heeft te gelden. De eigen woning schuld en de woonlasten zijn bij de berekening al meegenomen in de vrije ruimte van het inkomen.
draagkracht van de vrouw
5.10
Het hof zal voor de berekening van de draagkracht van de vrouw, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof na eigen weging en waardering tot de zijne maakt, uitgaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.000,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld. Dit komt neer op € 2.679,- netto per maand. Op grond van de draagkrachtformule is een bedrag van € 598,- per maand beschikbaar voor kinderalimentatie.
5.11
De man voert gemotiveerd verweer tegen de stelling van de vrouw dat zij om medische redenen niet in staat zou zijn om meer te werken. Gelet daarop had het op de weg van de vrouw gelegen om haar stelling met nadere stukken te onderbouwen, hetgeen zij niet althans onvoldoende heeft gedaan. Zij heeft ervoor gekozen om geen arbeidsdeskundig onderzoek te laten uitvoeren ter onderbouwing van haar stelling, wat voor haar rekening en risico komt. Bovendien heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verteld dat haar huidige werk, als alfahulp, haar helpt om in beweging te blijven, hetgeen een positief effect heeft op haar medische gesteldheid.
Gelet op het voorgaande, volgt het hof de vrouw niet in haar standpunt dat zij om medische redenen niet in staat is om minimaal een inkomen van € 2.000,- bruto per maand (exclusief vakantiegeld) te genereren.
draagkrachtvergelijking
5.12
De draagkracht van de man en de vrouw tezamen bedraagt € 1.950,- (€ 1352,-
+ € 598,-). De behoefte van de kinderen is € 1.070,- per maand. Nu de gezamenlijke draagkracht groter is dan de behoefte van de kinderen samen zal het hof het aandeel van de man en de vrouw in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen berekenen door middel van een draagkrachtvergelijking, waarbij ieders draagkracht wordt gedeeld door de totale draagkracht, vermenigvuldigt met de behoefte.
Het aandeel van de man bedraagt:
([€ 1352,- / € 1.950,- ] x € 1.070,- =) € 742,- per maand.
Dictum
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 20 december 2022, voor zover deze ziet op de daarin gewijzigde bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 3 april 2020 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 20 december 2022 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] € 158,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, K.A.M. van Os- ten Have en L. Hamer, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes- de Wit als griffier, en is op 14 november 2023
uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.