Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-10-24
ECLI:NL:GHARL:2023:9116
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
3,872 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/820
uitspraakdatum: 24 oktober 2023
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 5 april 2022, nummer AWB 21/1377, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 25 april 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting ( [nummer1] ) opgelegd over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 van € 38.374. Bij beschikkingen is belastingrente berekend van € 3.110 en is een boete opgelegd van € 526.
1.2.
Bij brief van 4 mei 2015 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen deze aanslag.
1.3.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep inzake de naheffingsaanslag [nummer1] ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2023. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A.L. Faber, als de gemachtigde van belanghebbende alsmede [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met zaaksnummer BK-ARN 22/821. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
Feiten
2.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 25 april 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting ( [nummer1] ) opgelegd over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 van € 38.374. Bij beschikkingen is belastingrente berekend van € 3.110 en is een boete opgelegd van € 526.
2.2.
De daartegen gerichte bezwaren heeft de Inspecteur bij in een geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 september 2015 niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende – ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – het bezwaar niet heeft gemotiveerd.
Geschil
3.1.
In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van de gronden.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt zich op standpunt dat zij de brieven waarin de Inspecteur haar heeft verzocht het bezwaar te motiveren niet heeft ontvangen. Verder voert zij aan dat het bezwaarschrift op zichzelf bezien al voldoende was gemotiveerd en dat zij het bezwaar bij brief van 6 juli 2015 bovendien uit eigener beweging van een nadere motivering heeft voorzien.
Overwegingen
4.1.
Na een uitgebreid debat ter zitting heeft de Inspecteur zijn standpunt dat belanghebbende het bezwaar niet tijdig heeft gemotiveerd laten varen.
4.2.
Dit betekent dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van de gronden. Partijen hebben het Hof ter zitting verzocht niet zelf in de zaak te voorzien, maar de zaak terug te wijzen naar de Inspecteur voor een hernieuwde beoordeling van het bezwaar.
4.3.
Verder zijn partijen ter zitting overeengekomen dat belanghebbende recht heeft op een forfaitaire proceskostenvergoeding van twee punten voor de kosten in eerste aanleg en twee punten voor de kosten in hoger beroep uitgaande van wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak.
4.4.
Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.674 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 837) en € 1.674 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 837), ofwel in totaal op € 3.348.
Dictum
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de naheffingsaanslag [nummer1] ,
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,
– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur betreffende de naheffingsaanslag [nummer1] ,
– draagt de Inspecteur op opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag [nummer1] met inachtneming van deze uitspraak,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.348,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 360 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 548 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. R.A. Wolf, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
(S. Darwinkel) (A.E. Keulemans)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 26 oktober 2023
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/820
uitspraakdatum: 24 oktober 2023
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 5 april 2022, nummer AWB 21/1377, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 25 april 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting ( [nummer1] ) opgelegd over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 van € 38.374. Bij beschikkingen is belastingrente berekend van € 3.110 en is een boete opgelegd van € 526.
1.2.
Bij brief van 4 mei 2015 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen deze aanslag.
1.3.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep inzake de naheffingsaanslag [nummer1] ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2023. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A.L. Faber, als de gemachtigde van belanghebbende alsmede [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met zaaksnummer BK-ARN 22/821. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
Feiten
2.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 25 april 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting ( [nummer1] ) opgelegd over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 van € 38.374. Bij beschikkingen is belastingrente berekend van € 3.110 en is een boete opgelegd van € 526.
2.2.
De daartegen gerichte bezwaren heeft de Inspecteur bij in een geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 september 2015 niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende – ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – het bezwaar niet heeft gemotiveerd.
Geschil
3.1.
In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van de gronden.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt zich op standpunt dat zij de brieven waarin de Inspecteur haar heeft verzocht het bezwaar te motiveren niet heeft ontvangen. Verder voert zij aan dat het bezwaarschrift op zichzelf bezien al voldoende was gemotiveerd en dat zij het bezwaar bij brief van 6 juli 2015 bovendien uit eigener beweging van een nadere motivering heeft voorzien.
Overwegingen
4.1.
Na een uitgebreid debat ter zitting heeft de Inspecteur zijn standpunt dat belanghebbende het bezwaar niet tijdig heeft gemotiveerd laten varen.
4.2.
Dit betekent dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van de gronden. Partijen hebben het Hof ter zitting verzocht niet zelf in de zaak te voorzien, maar de zaak terug te wijzen naar de Inspecteur voor een hernieuwde beoordeling van het bezwaar.
4.3.
Verder zijn partijen ter zitting overeengekomen dat belanghebbende recht heeft op een forfaitaire proceskostenvergoeding van twee punten voor de kosten in eerste aanleg en twee punten voor de kosten in hoger beroep uitgaande van wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak.
4.4.
Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.674 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 837) en € 1.674 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 837), ofwel in totaal op € 3.348.
Dictum
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de naheffingsaanslag [nummer1] ,
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,
– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur betreffende de naheffingsaanslag [nummer1] ,
– draagt de Inspecteur op opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag [nummer1] met inachtneming van deze uitspraak,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.348,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 360 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 548 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. R.A. Wolf, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
(S. Darwinkel) (A.E. Keulemans)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 26 oktober 2023
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.