Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-10-17
ECLI:NL:GHARL:2023:8795
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
13,617 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/714
uitspraakdatum: 17 oktober 2023
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
(hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 februari 2022, nummer AWB 21/2417, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Bij brief van 2 december 2020 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) afgegeven voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2017.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de informatiebeschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2023. Partijen zijn met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.
Feiten
2.1.
Volgens de Basisregistratie Personen is het woonadres van belanghebbende op 4 september 2017 gewijzigd van [adres1] te [plaats1] (Nederland) naar [adres2] te [plaats2] (Duitsland).
2.2.
In 2017 was belanghebbende bestuurder van Stichting [naam1] (hierna: de stichting). De stichting was bestuurder van [naam2] BV.
2.3.
Met dagtekening 18 december 2019 heeft de Inspecteur ambtshalve de aanslag IB/PVV 2017 aan belanghebbende opgelegd. Op 5 maart 2020 heeft belanghebbende het daartegen gerichte bezwaar gemotiveerd door het insturen van een aangifteformulier IB/PVV 2017, naar een belastbaar inkomen van nihil. Op 30 april 2020 heeft belanghebbende een nieuw aangifteformulier ingestuurd, waarin hij heeft vermeld dat hij het gehele jaar 2017 inwoner van Duitsland was.
2.4.
Belanghebbende had in 2017 onder meer de volgende banden met Nederland:
zijn echtgenote en minderjarige dochter stonden in 2017 het gehele jaar ingeschreven op het adres [adres1] te [plaats1] ;
hij had privé-bankrekeningen bij in Nederland gevestigde banken;
hij had betrokkenheid als aandeelhouder en/of bestuurder bij diverse in Nederland gevestigde vennootschappen en betrokkenheid als bestuurder bij diverse in Nederland gevestigde stichtingen.
2.5.
Bij brief van 19 mei 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende op basis van artikel 47 van de AWR om informatie gevraagd over het jaar 2017. In de brief heeft hij onder meer geschreven:
“1. Geen gebruikelijk loon
Voor de vraag of sprake is van gebruikelijk loon, is een aanmerkelijk belang vereist. In het geval van een stichting administratie kantoor (hierna: STAK) kan onder omstandigheden sprake zijn van een middellijk aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) dat een bestuurder van de STAK in een besloten vennootschap heeft. Ik verwijs in dit verband onder andere naar de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland, 5 april 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1197. Van belang is om in dit verband vast te stellen voor wiens rekening en risico de STAK de aandelen houdt. Om die reden verzoek ik u mij een afschrift te sturen van de meest recente versie van definitieve statuten van de STAK. Verder verzoek ik u mij te laten weten of door de STAK certificaten van aandelen in het kapitaal van [naam2] B.V. zijn uitgegeven? Indien dat het geval is, verzoek ik u mij de definitieve akte waarbij de Administratievoorwaarden zijn vastgesteld, te doen toekomen. Hetzelfde geldt voor de akte waarbij de aandelen van B.V. zijn overgedragen aan de STAK tegen uitgifte van certificaten. Ten slotte verzoek ik u om mij in dat geval een afschrift toe te sturen van het certificatenregister met daarin de namen van de certificaathouders.
2Woonplaats in Nederland: feiten en omstandigheden volgens de Belastingdienst
(…) De Belastingdienst heeft zich een beeld gevormd van de woonplaats van uw cliënt.
(…) Gezien het woonhuis dat uw cliënt in Nederland ter beschikking stond, acht ik het aannemelijk dat de heer [belanghebbende] in 2017 een duurzame woongelegenheid heeft in Nederland in de zin van art. 4 AWR.
(…) De heer [belanghebbende] heeft sterke en duurzame sociale banden met Nederland.
(…) De heer [belanghebbende] heeft een aantal duurzame economische banden met Nederland. Om vast te kunnen stellen hoe sterk die banden zijn, verzoek ik u de bijbehorende vragen in onderdeel 3 te beantwoorden.
(…) Met als doel vast te kunnen stellen waar de heer [belanghebbende] gewoonlijk verblijft, verzoek ik u mij de gevraagde informatie omtrent de diverse activiteiten, verblijf en bestedingen van uw cliënt.
(…) Volgens de informatie van de Belastingdienst heeft de heer [belanghebbende] nog steeds de Nederlandse nationaliteit.
(…)
3.1 .
Gevraagde informatie inzake duurzame woongelegenheid
3.1.1.
Ik verzoek u informatie te verstrekken over het verblijf van uw cliënt en/of zijn familieleden en/of anderen in de woning aan de [adres1] te [plaats1] (aantal dagen, aard van het bezoek, wie maakten van dit huis gebruik, etc.).
3.1.2.
Welk voornemen bestaat er bij uw cliënt met betrekking tot de aanwending van het pand?
3.1.3.
Ik verzoek u informatie te verstrekken waaruit blijkt dat de heer [belanghebbende] ingeschreven is in Duitsland.
3.1.4.
Ik verzoek u informatie te verstrekken waaruit blijkt dat de heer [belanghebbende] over woonruimte beschikt in Duitsland.
3.1.5.
Ik verzoek u om een afschrift van de belastingaangifte voor de inkomstenbelasting die de heer [belanghebbende] over 2017 in Duitsland of elders voor zijn wereldinkomen heeft gedaan.
3.2.
Gevraagde informatie over sociale banden met Nederland
Ik verzoek u over het jaar 2017 een gespecificeerd overzicht te verstrekken van de door de heer [belanghebbende] gebruikte telefoonnummers en de daarbij behorende telefoonnota's te overleggen. Onder gespecificeerd versta ik een overzicht waaruit het volgende blijkt:
• datum telefoongesprek,
• duur van het gesprek,
• vanuit welk land is gebeld, en
• nationaal- of internationaal gesprek.
3.3.
Gevraagde informatie over economische banden met Nederland
3.3.1
Verder verzoek ik u kopieën van alle bankafschriften over 2017 te verstrekken van de hierboven genoemde bankrekeningen en spaarrekeningen/depots die op zijn naam staan.
3.3.2
Indien er nog andere bankrekeningen zijn die (mede) op naam staan van de heer [belanghebbende] en waarover hij kan beschikken, dan verzoek ik u van deze bankrekeningen eveneens een kopie van alle bankafschriften over 2017 te verstrekken.
3.3.3
Verder verzoek ik u kopieën van alle bankafschriften over 2017 te verstrekken van bankrekeningen en spaarrekeningen/depots die op naam van de echtgenote van de heer [belanghebbende] staan.
3.3.4
Ik verzoek u om een kopie van alle mutatieoverzichten over 2017 van de creditcards die (mede) op naam staan van de heer [belanghebbende] . Indien er creditcards zijn die niet (mede) op naam staan van de heer [belanghebbende] maar waarover hij wel kan beschikken (bijvoorbeeld omdat deze door een vennootschap aan hem is afgegeven), dan verzoek ik u van deze creditcards eveneens een kopie van alle mutaties over 2017 te verstrekken.”
2.6.
Bij e-mail van 28 september 2020 heeft de Inspecteur geconstateerd dat belanghebbende nog niet heeft gereageerd op het informatieverzoek van 19 mei 2020 en heeft hij belanghebbende nog eenmaal de gelegenheid gegeven (tot 16 oktober 2020) om de informatie te verstrekken. De Inspecteur heeft onder meer geschreven:
“Als u niet of niet volledig op mijn verzoek om informatie reageert, kan ik een informatiebeschikking nemen. Hiertegen kan weliswaar bezwaar worden gemaakt, maar ik wijs u er nu al op dat een definitieve informatiebeschikking tot gevolg heeft dat de bewijslast in een eventuele beroepsprocedure bij uw cliënt komt te liggen. Deze zal dan overtuigend moeten aantonen dat de belastingaanslag niet juist is.”
2.7.
Met dagtekening 2 december 2020 heeft de Inspecteur een informatiebeschikking afgegeven aan belanghebbende. Hij heeft daarin geschreven dat belanghebbende op de volgende punten niet aan het informatieverzoek heeft voldaan:
- een afschrift van de meest recente versie van definitieve statuten van de Stichting [naam1] (hierna: STAK);
- of door de STAK certificaten van aandelen in het kapitaal van [naam2] B.V.
Geschil
3.1.
In geschil is de rechtmatigheid van de informatiebeschikking. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de reikwijdte van de vragen in de informatiebeschikking het kader van artikel 47 van de AWR te buiten gaat.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend. Hij stelt dat hij in 2017 in Duitsland woonde. De bevoegdheid van de Inspecteur om inlichtingen en gegevens te vragen die voor de belastingheffing in Nederland relevant zijn, beperkt zich daarom tot aangelegenheden waarover Nederland heffingsbevoegd is. De in de informatiebeschikking gestelde vragen gaan er echter van uit dat hij in Nederland woonde. Belanghebbende hoefde die vragen niet te beantwoorden en de reikwijdte van de informatiebeschikking is dus te ruim.
3.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikking terecht is afgegeven. Belanghebbende was gehouden de gevraagde informatie te verstrekken, omdat de door hem gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende, nu op grond van het geheel van feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk is dat belanghebbende waarschijnlijk binnenlandse belastingplichtige is.
Overwegingen
4.1.
Wanneer met betrekking tot een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen uit artikel 47 van de AWR kan de inspecteur dit volgens artikel 52a van de AWR vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking).
4.2.
Ieder is op grond van artikel 47, eerste lid, van de AWR gehouden desgevraagd aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn, en voorts boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.
4.3.
Bij de beantwoording van de vraag of de genoemde verplichting uit hoofde van artikel 47 van de AWR bestaat, is voldoende dat een inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de belastingheffing of om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Dat laatste is het geval als de Inspecteur concrete aanwijzingen heeft dat belanghebbende mogelijk in Nederland woonachtig is.
4.4.
Het Hof oordeelt dat de voor het geven van de informatiebeschikking bekende feiten, dat de echtgenote en minderjarige dochter van belanghebbende in 2017 het gehele jaar stonden ingeschreven op het adres [adres1] te [plaats1] , hij privé-bankrekeningen had bij in Nederland gevestigde banken en betrokkenheid had als aandeelhouder en/of bestuurder bij diverse in Nederland gevestigde rechtspersonen in samenhang bezien, concrete aanwijzingen als bedoeld in 4.3 zijn. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. De Inspecteur mocht zich daarom in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie over de (aanwending van de) woning in [plaats1] , inschrijving, wonen en belastingaangifte in Duitsland, telefoonnummers en -gesprekken, kopieën van bankafschriften en over creditcards van belang kan zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende inwoner van Nederland is en daarmee binnenlandse belastingplichtige. Dat betekent dat belanghebbende uit hoofde van artikel 47 van de AWR verplicht was om die gevraagde informatie te verstrekken.
4.5.
De overige gevraagde informatie ziet op de stichting. Ten tijde van het vragen van die informatie was bij de Inspecteur bekend dat belanghebbende in 2017 de bestuurder van de stichting was. De Inspecteur heeft deze informatie volgens zijn brief van 19 mei 2020 (zie 2.5) gevraagd om te kunnen beoordelen of belanghebbende via de stichting een middellijk aanmerkelijk belang heeft in [naam2] B.V., in welk geval een gebruikelijk loon, als bedoeld in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 in aanmerking had moeten worden genomen. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur zich daarmee in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vragen over de statuten, of certificaten van aandelen zijn uitgegeven, de administratievoorwaarden, de akte waarbij de aandelen in [naam2] B.V. zijn overgedragen aan de stichting en het certificatenregister van belang kunnen zijn voor het beantwoorden van de vraag of sprake is van een middellijk aanmerkelijk belang. Dat betekent dat belanghebbende uit hoofde van artikel 47 van de AWR ook verplicht was om die gevraagde informatie over de stichting te verstrekken.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende volgens artikel 47 van de AWR alle gevraagde gegevens moest verstrekken. Nu hij dat niet heeft gedaan, is de informatiebeschikking terecht aan belanghebbende afgegeven.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
Nadere termijn voor het verstrekken van de informatie
4.7.
Het Hof zal alsnog een termijn stellen waarbinnen belanghebbende kan voldoen aan de verplichtingen voortvloeiende uit de in de informatiebeschikking vermelde vragen. Die termijn wordt gesteld op zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de uitspraak van het Hof onherroepelijk is geworden.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Hof:
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en
stelt belanghebbende een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de uitspraak van het Hof onherroepelijk is geworden, om alsnog te voldoen aan de informatiebeschikking.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. M.T.M. Hennevelt als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
(M.T.M. Hennevelt) (M.M. Breij)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 oktober 2023
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. bijvoorbeeld HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603 en HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:778.
Artikel 4, eerste lid, van de AWR.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/714
uitspraakdatum: 17 oktober 2023
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
(hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 februari 2022, nummer AWB 21/2417, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Bij brief van 2 december 2020 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) afgegeven voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2017.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de informatiebeschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2023. Partijen zijn met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.
Feiten
2.1.
Volgens de Basisregistratie Personen is het woonadres van belanghebbende op 4 september 2017 gewijzigd van [adres1] te [plaats1] (Nederland) naar [adres2] te [plaats2] (Duitsland).
2.2.
In 2017 was belanghebbende bestuurder van Stichting [naam1] (hierna: de stichting). De stichting was bestuurder van [naam2] BV.
2.3.
Met dagtekening 18 december 2019 heeft de Inspecteur ambtshalve de aanslag IB/PVV 2017 aan belanghebbende opgelegd. Op 5 maart 2020 heeft belanghebbende het daartegen gerichte bezwaar gemotiveerd door het insturen van een aangifteformulier IB/PVV 2017, naar een belastbaar inkomen van nihil. Op 30 april 2020 heeft belanghebbende een nieuw aangifteformulier ingestuurd, waarin hij heeft vermeld dat hij het gehele jaar 2017 inwoner van Duitsland was.
2.4.
Belanghebbende had in 2017 onder meer de volgende banden met Nederland:
zijn echtgenote en minderjarige dochter stonden in 2017 het gehele jaar ingeschreven op het adres [adres1] te [plaats1] ;
hij had privé-bankrekeningen bij in Nederland gevestigde banken;
hij had betrokkenheid als aandeelhouder en/of bestuurder bij diverse in Nederland gevestigde vennootschappen en betrokkenheid als bestuurder bij diverse in Nederland gevestigde stichtingen.
2.5.
Bij brief van 19 mei 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende op basis van artikel 47 van de AWR om informatie gevraagd over het jaar 2017. In de brief heeft hij onder meer geschreven:
“1. Geen gebruikelijk loon
Voor de vraag of sprake is van gebruikelijk loon, is een aanmerkelijk belang vereist. In het geval van een stichting administratie kantoor (hierna: STAK) kan onder omstandigheden sprake zijn van een middellijk aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) dat een bestuurder van de STAK in een besloten vennootschap heeft. Ik verwijs in dit verband onder andere naar de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland, 5 april 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1197. Van belang is om in dit verband vast te stellen voor wiens rekening en risico de STAK de aandelen houdt. Om die reden verzoek ik u mij een afschrift te sturen van de meest recente versie van definitieve statuten van de STAK. Verder verzoek ik u mij te laten weten of door de STAK certificaten van aandelen in het kapitaal van [naam2] B.V. zijn uitgegeven? Indien dat het geval is, verzoek ik u mij de definitieve akte waarbij de Administratievoorwaarden zijn vastgesteld, te doen toekomen. Hetzelfde geldt voor de akte waarbij de aandelen van B.V. zijn overgedragen aan de STAK tegen uitgifte van certificaten. Ten slotte verzoek ik u om mij in dat geval een afschrift toe te sturen van het certificatenregister met daarin de namen van de certificaathouders.
2Woonplaats in Nederland: feiten en omstandigheden volgens de Belastingdienst
(…) De Belastingdienst heeft zich een beeld gevormd van de woonplaats van uw cliënt.
(…) Gezien het woonhuis dat uw cliënt in Nederland ter beschikking stond, acht ik het aannemelijk dat de heer [belanghebbende] in 2017 een duurzame woongelegenheid heeft in Nederland in de zin van art. 4 AWR.
(…) De heer [belanghebbende] heeft sterke en duurzame sociale banden met Nederland.
(…) De heer [belanghebbende] heeft een aantal duurzame economische banden met Nederland. Om vast te kunnen stellen hoe sterk die banden zijn, verzoek ik u de bijbehorende vragen in onderdeel 3 te beantwoorden.
(…) Met als doel vast te kunnen stellen waar de heer [belanghebbende] gewoonlijk verblijft, verzoek ik u mij de gevraagde informatie omtrent de diverse activiteiten, verblijf en bestedingen van uw cliënt.
(…) Volgens de informatie van de Belastingdienst heeft de heer [belanghebbende] nog steeds de Nederlandse nationaliteit.
(…)
3.1 .
Gevraagde informatie inzake duurzame woongelegenheid
3.1.1.
Ik verzoek u informatie te verstrekken over het verblijf van uw cliënt en/of zijn familieleden en/of anderen in de woning aan de [adres1] te [plaats1] (aantal dagen, aard van het bezoek, wie maakten van dit huis gebruik, etc.).
3.1.2.
Welk voornemen bestaat er bij uw cliënt met betrekking tot de aanwending van het pand?
3.1.3.
Ik verzoek u informatie te verstrekken waaruit blijkt dat de heer [belanghebbende] ingeschreven is in Duitsland.
3.1.4.
Ik verzoek u informatie te verstrekken waaruit blijkt dat de heer [belanghebbende] over woonruimte beschikt in Duitsland.
3.1.5.
Ik verzoek u om een afschrift van de belastingaangifte voor de inkomstenbelasting die de heer [belanghebbende] over 2017 in Duitsland of elders voor zijn wereldinkomen heeft gedaan.
3.2.
Gevraagde informatie over sociale banden met Nederland
Ik verzoek u over het jaar 2017 een gespecificeerd overzicht te verstrekken van de door de heer [belanghebbende] gebruikte telefoonnummers en de daarbij behorende telefoonnota's te overleggen. Onder gespecificeerd versta ik een overzicht waaruit het volgende blijkt:
• datum telefoongesprek,
• duur van het gesprek,
• vanuit welk land is gebeld, en
• nationaal- of internationaal gesprek.
3.3.
Gevraagde informatie over economische banden met Nederland
3.3.1
Verder verzoek ik u kopieën van alle bankafschriften over 2017 te verstrekken van de hierboven genoemde bankrekeningen en spaarrekeningen/depots die op zijn naam staan.
3.3.2
Indien er nog andere bankrekeningen zijn die (mede) op naam staan van de heer [belanghebbende] en waarover hij kan beschikken, dan verzoek ik u van deze bankrekeningen eveneens een kopie van alle bankafschriften over 2017 te verstrekken.
3.3.3
Verder verzoek ik u kopieën van alle bankafschriften over 2017 te verstrekken van bankrekeningen en spaarrekeningen/depots die op naam van de echtgenote van de heer [belanghebbende] staan.
3.3.4
Ik verzoek u om een kopie van alle mutatieoverzichten over 2017 van de creditcards die (mede) op naam staan van de heer [belanghebbende] . Indien er creditcards zijn die niet (mede) op naam staan van de heer [belanghebbende] maar waarover hij wel kan beschikken (bijvoorbeeld omdat deze door een vennootschap aan hem is afgegeven), dan verzoek ik u van deze creditcards eveneens een kopie van alle mutaties over 2017 te verstrekken.”
2.6.
Bij e-mail van 28 september 2020 heeft de Inspecteur geconstateerd dat belanghebbende nog niet heeft gereageerd op het informatieverzoek van 19 mei 2020 en heeft hij belanghebbende nog eenmaal de gelegenheid gegeven (tot 16 oktober 2020) om de informatie te verstrekken. De Inspecteur heeft onder meer geschreven:
“Als u niet of niet volledig op mijn verzoek om informatie reageert, kan ik een informatiebeschikking nemen. Hiertegen kan weliswaar bezwaar worden gemaakt, maar ik wijs u er nu al op dat een definitieve informatiebeschikking tot gevolg heeft dat de bewijslast in een eventuele beroepsprocedure bij uw cliënt komt te liggen. Deze zal dan overtuigend moeten aantonen dat de belastingaanslag niet juist is.”
2.7.
Met dagtekening 2 december 2020 heeft de Inspecteur een informatiebeschikking afgegeven aan belanghebbende. Hij heeft daarin geschreven dat belanghebbende op de volgende punten niet aan het informatieverzoek heeft voldaan:
- een afschrift van de meest recente versie van definitieve statuten van de Stichting [naam1] (hierna: STAK);
- of door de STAK certificaten van aandelen in het kapitaal van [naam2] B.V.
Geschil
3.1.
In geschil is de rechtmatigheid van de informatiebeschikking. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de reikwijdte van de vragen in de informatiebeschikking het kader van artikel 47 van de AWR te buiten gaat.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend. Hij stelt dat hij in 2017 in Duitsland woonde. De bevoegdheid van de Inspecteur om inlichtingen en gegevens te vragen die voor de belastingheffing in Nederland relevant zijn, beperkt zich daarom tot aangelegenheden waarover Nederland heffingsbevoegd is. De in de informatiebeschikking gestelde vragen gaan er echter van uit dat hij in Nederland woonde. Belanghebbende hoefde die vragen niet te beantwoorden en de reikwijdte van de informatiebeschikking is dus te ruim.
3.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikking terecht is afgegeven. Belanghebbende was gehouden de gevraagde informatie te verstrekken, omdat de door hem gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende, nu op grond van het geheel van feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk is dat belanghebbende waarschijnlijk binnenlandse belastingplichtige is.
Overwegingen
4.1.
Wanneer met betrekking tot een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen uit artikel 47 van de AWR kan de inspecteur dit volgens artikel 52a van de AWR vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking).
4.2.
Ieder is op grond van artikel 47, eerste lid, van de AWR gehouden desgevraagd aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn, en voorts boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.
4.3.
Bij de beantwoording van de vraag of de genoemde verplichting uit hoofde van artikel 47 van de AWR bestaat, is voldoende dat een inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de belastingheffing of om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Dat laatste is het geval als de Inspecteur concrete aanwijzingen heeft dat belanghebbende mogelijk in Nederland woonachtig is.
4.4.
Het Hof oordeelt dat de voor het geven van de informatiebeschikking bekende feiten, dat de echtgenote en minderjarige dochter van belanghebbende in 2017 het gehele jaar stonden ingeschreven op het adres [adres1] te [plaats1] , hij privé-bankrekeningen had bij in Nederland gevestigde banken en betrokkenheid had als aandeelhouder en/of bestuurder bij diverse in Nederland gevestigde rechtspersonen in samenhang bezien, concrete aanwijzingen als bedoeld in 4.3 zijn. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. De Inspecteur mocht zich daarom in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie over de (aanwending van de) woning in [plaats1] , inschrijving, wonen en belastingaangifte in Duitsland, telefoonnummers en -gesprekken, kopieën van bankafschriften en over creditcards van belang kan zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende inwoner van Nederland is en daarmee binnenlandse belastingplichtige. Dat betekent dat belanghebbende uit hoofde van artikel 47 van de AWR verplicht was om die gevraagde informatie te verstrekken.
4.5.
De overige gevraagde informatie ziet op de stichting. Ten tijde van het vragen van die informatie was bij de Inspecteur bekend dat belanghebbende in 2017 de bestuurder van de stichting was. De Inspecteur heeft deze informatie volgens zijn brief van 19 mei 2020 (zie 2.5) gevraagd om te kunnen beoordelen of belanghebbende via de stichting een middellijk aanmerkelijk belang heeft in [naam2] B.V., in welk geval een gebruikelijk loon, als bedoeld in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 in aanmerking had moeten worden genomen. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur zich daarmee in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vragen over de statuten, of certificaten van aandelen zijn uitgegeven, de administratievoorwaarden, de akte waarbij de aandelen in [naam2] B.V. zijn overgedragen aan de stichting en het certificatenregister van belang kunnen zijn voor het beantwoorden van de vraag of sprake is van een middellijk aanmerkelijk belang. Dat betekent dat belanghebbende uit hoofde van artikel 47 van de AWR ook verplicht was om die gevraagde informatie over de stichting te verstrekken.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende volgens artikel 47 van de AWR alle gevraagde gegevens moest verstrekken. Nu hij dat niet heeft gedaan, is de informatiebeschikking terecht aan belanghebbende afgegeven.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
Nadere termijn voor het verstrekken van de informatie
4.7.
Het Hof zal alsnog een termijn stellen waarbinnen belanghebbende kan voldoen aan de verplichtingen voortvloeiende uit de in de informatiebeschikking vermelde vragen. Die termijn wordt gesteld op zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de uitspraak van het Hof onherroepelijk is geworden.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Hof:
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en
stelt belanghebbende een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de uitspraak van het Hof onherroepelijk is geworden, om alsnog te voldoen aan de informatiebeschikking.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. M.T.M. Hennevelt als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
(M.T.M. Hennevelt) (M.M. Breij)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 oktober 2023
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. bijvoorbeeld HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603 en HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:778.
Artikel 4, eerste lid, van de AWR.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/714
uitspraakdatum: 17 oktober 2023
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
(hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 februari 2022, nummer AWB 21/2417, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Bij brief van 2 december 2020 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) afgegeven voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2017.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de informatiebeschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2023. Partijen zijn met kennisgeving aan het Hof niet verschenen.
Feiten
2.1.
Volgens de Basisregistratie Personen is het woonadres van belanghebbende op 4 september 2017 gewijzigd van [adres1] te [plaats1] (Nederland) naar [adres2] te [plaats2] (Duitsland).
2.2.
In 2017 was belanghebbende bestuurder van Stichting [naam1] (hierna: de stichting). De stichting was bestuurder van [naam2] BV.
2.3.
Met dagtekening 18 december 2019 heeft de Inspecteur ambtshalve de aanslag IB/PVV 2017 aan belanghebbende opgelegd. Op 5 maart 2020 heeft belanghebbende het daartegen gerichte bezwaar gemotiveerd door het insturen van een aangifteformulier IB/PVV 2017, naar een belastbaar inkomen van nihil. Op 30 april 2020 heeft belanghebbende een nieuw aangifteformulier ingestuurd, waarin hij heeft vermeld dat hij het gehele jaar 2017 inwoner van Duitsland was.
2.4.
Belanghebbende had in 2017 onder meer de volgende banden met Nederland:
zijn echtgenote en minderjarige dochter stonden in 2017 het gehele jaar ingeschreven op het adres [adres1] te [plaats1] ;
hij had privé-bankrekeningen bij in Nederland gevestigde banken;
hij had betrokkenheid als aandeelhouder en/of bestuurder bij diverse in Nederland gevestigde vennootschappen en betrokkenheid als bestuurder bij diverse in Nederland gevestigde stichtingen.
2.5.
Bij brief van 19 mei 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende op basis van artikel 47 van de AWR om informatie gevraagd over het jaar 2017. In de brief heeft hij onder meer geschreven:
“1. Geen gebruikelijk loon
Voor de vraag of sprake is van gebruikelijk loon, is een aanmerkelijk belang vereist. In het geval van een stichting administratie kantoor (hierna: STAK) kan onder omstandigheden sprake zijn van een middellijk aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) dat een bestuurder van de STAK in een besloten vennootschap heeft. Ik verwijs in dit verband onder andere naar de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland, 5 april 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1197. Van belang is om in dit verband vast te stellen voor wiens rekening en risico de STAK de aandelen houdt. Om die reden verzoek ik u mij een afschrift te sturen van de meest recente versie van definitieve statuten van de STAK. Verder verzoek ik u mij te laten weten of door de STAK certificaten van aandelen in het kapitaal van [naam2] B.V. zijn uitgegeven? Indien dat het geval is, verzoek ik u mij de definitieve akte waarbij de Administratievoorwaarden zijn vastgesteld, te doen toekomen. Hetzelfde geldt voor de akte waarbij de aandelen van B.V. zijn overgedragen aan de STAK tegen uitgifte van certificaten. Ten slotte verzoek ik u om mij in dat geval een afschrift toe te sturen van het certificatenregister met daarin de namen van de certificaathouders.
2Woonplaats in Nederland: feiten en omstandigheden volgens de Belastingdienst
(…) De Belastingdienst heeft zich een beeld gevormd van de woonplaats van uw cliënt.
(…) Gezien het woonhuis dat uw cliënt in Nederland ter beschikking stond, acht ik het aannemelijk dat de heer [belanghebbende] in 2017 een duurzame woongelegenheid heeft in Nederland in de zin van art. 4 AWR.
(…) De heer [belanghebbende] heeft sterke en duurzame sociale banden met Nederland.
(…) De heer [belanghebbende] heeft een aantal duurzame economische banden met Nederland. Om vast te kunnen stellen hoe sterk die banden zijn, verzoek ik u de bijbehorende vragen in onderdeel 3 te beantwoorden.
(…) Met als doel vast te kunnen stellen waar de heer [belanghebbende] gewoonlijk verblijft, verzoek ik u mij de gevraagde informatie omtrent de diverse activiteiten, verblijf en bestedingen van uw cliënt.
(…) Volgens de informatie van de Belastingdienst heeft de heer [belanghebbende] nog steeds de Nederlandse nationaliteit.
(…)
3.1 .
Gevraagde informatie inzake duurzame woongelegenheid
3.1.1.
Ik verzoek u informatie te verstrekken over het verblijf van uw cliënt en/of zijn familieleden en/of anderen in de woning aan de [adres1] te [plaats1] (aantal dagen, aard van het bezoek, wie maakten van dit huis gebruik, etc.).
3.1.2.
Welk voornemen bestaat er bij uw cliënt met betrekking tot de aanwending van het pand?
3.1.3.
Ik verzoek u informatie te verstrekken waaruit blijkt dat de heer [belanghebbende] ingeschreven is in Duitsland.
3.1.4.
Ik verzoek u informatie te verstrekken waaruit blijkt dat de heer [belanghebbende] over woonruimte beschikt in Duitsland.
3.1.5.
Ik verzoek u om een afschrift van de belastingaangifte voor de inkomstenbelasting die de heer [belanghebbende] over 2017 in Duitsland of elders voor zijn wereldinkomen heeft gedaan.
3.2.
Gevraagde informatie over sociale banden met Nederland
Ik verzoek u over het jaar 2017 een gespecificeerd overzicht te verstrekken van de door de heer [belanghebbende] gebruikte telefoonnummers en de daarbij behorende telefoonnota's te overleggen. Onder gespecificeerd versta ik een overzicht waaruit het volgende blijkt:
• datum telefoongesprek,
• duur van het gesprek,
• vanuit welk land is gebeld, en
• nationaal- of internationaal gesprek.
3.3.
Gevraagde informatie over economische banden met Nederland
3.3.1
Verder verzoek ik u kopieën van alle bankafschriften over 2017 te verstrekken van de hierboven genoemde bankrekeningen en spaarrekeningen/depots die op zijn naam staan.
3.3.2
Indien er nog andere bankrekeningen zijn die (mede) op naam staan van de heer [belanghebbende] en waarover hij kan beschikken, dan verzoek ik u van deze bankrekeningen eveneens een kopie van alle bankafschriften over 2017 te verstrekken.
3.3.3
Verder verzoek ik u kopieën van alle bankafschriften over 2017 te verstrekken van bankrekeningen en spaarrekeningen/depots die op naam van de echtgenote van de heer [belanghebbende] staan.
3.3.4
Ik verzoek u om een kopie van alle mutatieoverzichten over 2017 van de creditcards die (mede) op naam staan van de heer [belanghebbende] . Indien er creditcards zijn die niet (mede) op naam staan van de heer [belanghebbende] maar waarover hij wel kan beschikken (bijvoorbeeld omdat deze door een vennootschap aan hem is afgegeven), dan verzoek ik u van deze creditcards eveneens een kopie van alle mutaties over 2017 te verstrekken.”
2.6.
Bij e-mail van 28 september 2020 heeft de Inspecteur geconstateerd dat belanghebbende nog niet heeft gereageerd op het informatieverzoek van 19 mei 2020 en heeft hij belanghebbende nog eenmaal de gelegenheid gegeven (tot 16 oktober 2020) om de informatie te verstrekken. De Inspecteur heeft onder meer geschreven:
“Als u niet of niet volledig op mijn verzoek om informatie reageert, kan ik een informatiebeschikking nemen. Hiertegen kan weliswaar bezwaar worden gemaakt, maar ik wijs u er nu al op dat een definitieve informatiebeschikking tot gevolg heeft dat de bewijslast in een eventuele beroepsprocedure bij uw cliënt komt te liggen. Deze zal dan overtuigend moeten aantonen dat de belastingaanslag niet juist is.”
2.7.
Met dagtekening 2 december 2020 heeft de Inspecteur een informatiebeschikking afgegeven aan belanghebbende. Hij heeft daarin geschreven dat belanghebbende op de volgende punten niet aan het informatieverzoek heeft voldaan:
- een afschrift van de meest recente versie van definitieve statuten van de Stichting [naam1] (hierna: STAK);
- of door de STAK certificaten van aandelen in het kapitaal van [naam2] B.V.
Geschil
3.1.
In geschil is de rechtmatigheid van de informatiebeschikking. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de reikwijdte van de vragen in de informatiebeschikking het kader van artikel 47 van de AWR te buiten gaat.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend. Hij stelt dat hij in 2017 in Duitsland woonde. De bevoegdheid van de Inspecteur om inlichtingen en gegevens te vragen die voor de belastingheffing in Nederland relevant zijn, beperkt zich daarom tot aangelegenheden waarover Nederland heffingsbevoegd is. De in de informatiebeschikking gestelde vragen gaan er echter van uit dat hij in Nederland woonde. Belanghebbende hoefde die vragen niet te beantwoorden en de reikwijdte van de informatiebeschikking is dus te ruim.
3.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de informatiebeschikking terecht is afgegeven. Belanghebbende was gehouden de gevraagde informatie te verstrekken, omdat de door hem gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende, nu op grond van het geheel van feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk is dat belanghebbende waarschijnlijk binnenlandse belastingplichtige is.
Overwegingen
4.1.
Wanneer met betrekking tot een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen uit artikel 47 van de AWR kan de inspecteur dit volgens artikel 52a van de AWR vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking).
4.2.
Ieder is op grond van artikel 47, eerste lid, van de AWR gehouden desgevraagd aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn, en voorts boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.
4.3.
Bij de beantwoording van de vraag of de genoemde verplichting uit hoofde van artikel 47 van de AWR bestaat, is voldoende dat een inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de belastingheffing of om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Dat laatste is het geval als de Inspecteur concrete aanwijzingen heeft dat belanghebbende mogelijk in Nederland woonachtig is.
4.4.
Het Hof oordeelt dat de voor het geven van de informatiebeschikking bekende feiten, dat de echtgenote en minderjarige dochter van belanghebbende in 2017 het gehele jaar stonden ingeschreven op het adres [adres1] te [plaats1] , hij privé-bankrekeningen had bij in Nederland gevestigde banken en betrokkenheid had als aandeelhouder en/of bestuurder bij diverse in Nederland gevestigde rechtspersonen in samenhang bezien, concrete aanwijzingen als bedoeld in 4.3 zijn. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. De Inspecteur mocht zich daarom in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie over de (aanwending van de) woning in [plaats1] , inschrijving, wonen en belastingaangifte in Duitsland, telefoonnummers en -gesprekken, kopieën van bankafschriften en over creditcards van belang kan zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende inwoner van Nederland is en daarmee binnenlandse belastingplichtige. Dat betekent dat belanghebbende uit hoofde van artikel 47 van de AWR verplicht was om die gevraagde informatie te verstrekken.
4.5.
De overige gevraagde informatie ziet op de stichting. Ten tijde van het vragen van die informatie was bij de Inspecteur bekend dat belanghebbende in 2017 de bestuurder van de stichting was. De Inspecteur heeft deze informatie volgens zijn brief van 19 mei 2020 (zie 2.5) gevraagd om te kunnen beoordelen of belanghebbende via de stichting een middellijk aanmerkelijk belang heeft in [naam2] B.V., in welk geval een gebruikelijk loon, als bedoeld in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 in aanmerking had moeten worden genomen. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur zich daarmee in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vragen over de statuten, of certificaten van aandelen zijn uitgegeven, de administratievoorwaarden, de akte waarbij de aandelen in [naam2] B.V. zijn overgedragen aan de stichting en het certificatenregister van belang kunnen zijn voor het beantwoorden van de vraag of sprake is van een middellijk aanmerkelijk belang. Dat betekent dat belanghebbende uit hoofde van artikel 47 van de AWR ook verplicht was om die gevraagde informatie over de stichting te verstrekken.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende volgens artikel 47 van de AWR alle gevraagde gegevens moest verstrekken. Nu hij dat niet heeft gedaan, is de informatiebeschikking terecht aan belanghebbende afgegeven.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
Nadere termijn voor het verstrekken van de informatie
4.7.
Het Hof zal alsnog een termijn stellen waarbinnen belanghebbende kan voldoen aan de verplichtingen voortvloeiende uit de in de informatiebeschikking vermelde vragen. Die termijn wordt gesteld op zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de uitspraak van het Hof onherroepelijk is geworden.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Hof:
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en
stelt belanghebbende een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de uitspraak van het Hof onherroepelijk is geworden, om alsnog te voldoen aan de informatiebeschikking.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. M.T.M. Hennevelt als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
(M.T.M. Hennevelt) (M.M. Breij)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 oktober 2023
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. bijvoorbeeld HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603 en HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:778.
Artikel 4, eerste lid, van de AWR.