Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-10-13
ECLI:NL:GHARL:2023:8598
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
3,260 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.324.526/01
CJIB-nummer
: 242543330
Uitspraak d.d.
: 13 oktober 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 juli 2021 om 14:57 uur op de Zwarteweg in Berkel en [naam2] met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat aan het begin en aan het einde van de Zwarteweg een bord staat, waarop staat dat het een fietsstraat is waar de auto te gast is. Ook is er een (onder)bord, met de tekst dat aanliggende percelen via deze weg bereikbaar zijn. Voorts voert hij aan dat hij werkzaam was op een aanliggend terrein voor het bedrijf [naam1] en dat hij de ontheffingen daarvoor meestuurt.
3. De gedraging betreft een overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Daarin is bepaald, voor zover hier van belang, dat er niet met een auto over een fiets/bromfietspad mag worden gereden.
4. Bij de stukken van het geding bevinden zich een zaakoverzicht en een proces-verbaal van bevindingen met de verklaringen van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Deze verklaringen houden, kort gezegd, in dat de ambtenaar op voormelde datum, tijd en plaats zag dat het voertuig met voormeld kenteken reed op een middels bord G12a RVV 1990 aangeduid fiets/bromfietspad.
5. Verder bevinden zich in het dossier door de betrokkene gemaakte foto’s van de situatie ter plaatse. Hierop zijn een bord G12a te zien, met daaronder een bord met de tekst “uitgezonderd verkeer aanliggende percelen” alsmede een bord dat duidt op de aanwezigheid van een fietsstraat waar de auto te gast is. Tevens bevat het dossier twee foto’s die de ambtenaar bij het proces-verbaal van bevindingen heeft gevoegd. Hierop is het bord G12a met voormelde tekst op het onderbord te zien.
6. Ook de advocaat-generaal heeft twee afbeeldingen van Google Maps overgelegd en daarbij de volgende toelichting gegeven: “De eerste bijlage van dit verweerschrift betreft een afbeelding met een verkeersbord waarop wordt aangegeven dat het aldaar een fietsstraat betreft waar de auto te gast is. Als men de fietsstraat verder de bocht om volgt, bevindt zich aan de rechterkant vervolgens bord G12a. Een afbeelding van dit verkeersbord heb ik tevens als bijlage bij dit verweerschrift gevoegd. Gelet op de aldaar aanwezige bebording is het voor de bestuurder van een voertuig toegestaan om te rijden op de fietsstraat tot de plaats waar bord G12a is geplaatst. Immers, vanaf dat punt betreft het geen fietsstraat meer waar de auto te gast is maar een fiets/bromfietspad. Vanaf daar is het enkel toegestaan om te rijden als je bestuurder bent van verkeer voor een aanliggend perceel.”
7. Het hof gaat uit van de door de advocaat-generaal gegeven beschrijving van de situatie ter plaatse, en met name van de (volgorde van de) aanwezige bebording, en onderschrijft de conclusie die hij daaraan verbindt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de betrokkene, gelet op de foto’s die hij zelf heeft overgelegd, erkent dat er op de Zwarteweg ook een bord G12a (met onderbord) aanwezig is.
8. Aldus ligt de vraag ter beoordeling voor of de betrokkene is aan te merken als “verkeer voor een aanliggend perceel”, zoals op het onderbord staat vermeld. Het hof stelt daartoe vast dat zich bij de stukken in het dossier een e-mailbericht van 10 januari 2023 bevindt, waarvan de kantonrechter kennelijk geen kennis heeft genomen, en waarin een medewerker van [naam1] B.V. (rayon west) verklaart dat onder andere de betrokkene in de periode 19 april 2021 tot en met 17 september 2021 werkzaam is geweest op het project metrostation [naam2] . Voorts blijkt uit de openbaar toegankelijke website Google Maps Street View dat (de achterzijde van) dit metrostation is gelegen aan de Zwarteweg. Op basis hiervan acht het hof aannemelijk dat de betrokkene op de Zwarteweg is geweest om werkzaamheden op een aanliggend perceel te verrichten.
9. Deze grond slaagt. Aldus kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen. Het tot zekerheid gestelde bedrag moet worden gerestitueerd.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.324.526/01
CJIB-nummer
: 242543330
Uitspraak d.d.
: 13 oktober 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 juli 2021 om 14:57 uur op de Zwarteweg in Berkel en [naam2] met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat aan het begin en aan het einde van de Zwarteweg een bord staat, waarop staat dat het een fietsstraat is waar de auto te gast is. Ook is er een (onder)bord, met de tekst dat aanliggende percelen via deze weg bereikbaar zijn. Voorts voert hij aan dat hij werkzaam was op een aanliggend terrein voor het bedrijf [naam1] en dat hij de ontheffingen daarvoor meestuurt.
3. De gedraging betreft een overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Daarin is bepaald, voor zover hier van belang, dat er niet met een auto over een fiets/bromfietspad mag worden gereden.
4. Bij de stukken van het geding bevinden zich een zaakoverzicht en een proces-verbaal van bevindingen met de verklaringen van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Deze verklaringen houden, kort gezegd, in dat de ambtenaar op voormelde datum, tijd en plaats zag dat het voertuig met voormeld kenteken reed op een middels bord G12a RVV 1990 aangeduid fiets/bromfietspad.
5. Verder bevinden zich in het dossier door de betrokkene gemaakte foto’s van de situatie ter plaatse. Hierop zijn een bord G12a te zien, met daaronder een bord met de tekst “uitgezonderd verkeer aanliggende percelen” alsmede een bord dat duidt op de aanwezigheid van een fietsstraat waar de auto te gast is. Tevens bevat het dossier twee foto’s die de ambtenaar bij het proces-verbaal van bevindingen heeft gevoegd. Hierop is het bord G12a met voormelde tekst op het onderbord te zien.
6. Ook de advocaat-generaal heeft twee afbeeldingen van Google Maps overgelegd en daarbij de volgende toelichting gegeven: “De eerste bijlage van dit verweerschrift betreft een afbeelding met een verkeersbord waarop wordt aangegeven dat het aldaar een fietsstraat betreft waar de auto te gast is. Als men de fietsstraat verder de bocht om volgt, bevindt zich aan de rechterkant vervolgens bord G12a. Een afbeelding van dit verkeersbord heb ik tevens als bijlage bij dit verweerschrift gevoegd. Gelet op de aldaar aanwezige bebording is het voor de bestuurder van een voertuig toegestaan om te rijden op de fietsstraat tot de plaats waar bord G12a is geplaatst. Immers, vanaf dat punt betreft het geen fietsstraat meer waar de auto te gast is maar een fiets/bromfietspad. Vanaf daar is het enkel toegestaan om te rijden als je bestuurder bent van verkeer voor een aanliggend perceel.”
7. Het hof gaat uit van de door de advocaat-generaal gegeven beschrijving van de situatie ter plaatse, en met name van de (volgorde van de) aanwezige bebording, en onderschrijft de conclusie die hij daaraan verbindt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de betrokkene, gelet op de foto’s die hij zelf heeft overgelegd, erkent dat er op de Zwarteweg ook een bord G12a (met onderbord) aanwezig is.
8. Aldus ligt de vraag ter beoordeling voor of de betrokkene is aan te merken als “verkeer voor een aanliggend perceel”, zoals op het onderbord staat vermeld. Het hof stelt daartoe vast dat zich bij de stukken in het dossier een e-mailbericht van 10 januari 2023 bevindt, waarvan de kantonrechter kennelijk geen kennis heeft genomen, en waarin een medewerker van [naam1] B.V. (rayon west) verklaart dat onder andere de betrokkene in de periode 19 april 2021 tot en met 17 september 2021 werkzaam is geweest op het project metrostation [naam2] . Voorts blijkt uit de openbaar toegankelijke website Google Maps Street View dat (de achterzijde van) dit metrostation is gelegen aan de Zwarteweg. Op basis hiervan acht het hof aannemelijk dat de betrokkene op de Zwarteweg is geweest om werkzaamheden op een aanliggend perceel te verrichten.
9. Deze grond slaagt. Aldus kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen. Het tot zekerheid gestelde bedrag moet worden gerestitueerd.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.