Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-09-20
ECLI:NL:GHARL:2023:7891
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
3,666 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.324.713/01
CJIB-nummer
: 246605189
Uitspraak d.d.
: 20 september 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 13 februari 2023, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor motorrijtuig of aanhangwagen met toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg is geen keuringsbewijs afgegeven”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 2 december 2021 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat ook bij een mulderbeschikking getoetst dient te worden aan het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel. In dit geval zijn aan de betrokkene negen sancties voor hetzelfde feit opgelegd, met een totaalbedrag van € 3.681,-. Volgens de gemachtigde zit aan het opleggen van boetes door de overheid een grens. In dit geval is de handelwijze van de overheid dan ook onredelijk en onevenredig te noemen en niet in lijn met uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarom valt niet in te zien waarom er niet tot matiging van (een deel van) de sancties is besloten. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat uit onder meer de totstandkomingsgeschiedenis van de Wahv volgt dat de hoogte van de sanctie in verhouding moet staan tot de ernst van de gedraging. De totale som van de sancties is in dit geval niet meer uitlegbaar en had voor de kantonrechter ook om die reden aanleiding moeten zijn om (een deel van) de sancties te matigen. Daarbij merkt de gemachtigde op dat in verband met het vuurwerkverbod en alle regelingen die daarvoor moesten worden getroffen de schorsing van de oplegger is blijven liggen. In de periode rond de registercontrole is het voertuig van de betrokkene niet op de openbare weg geweest en sinds 26 januari 2022 is de tenaamstelling van het voertuig in het kentekenregister geschorst. Daarbij verwijst de gemachtigde naar bijgevoegde bewijsstukken.
3. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Gelet op wat is aangevoerd dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
4. Met betrekking tot het beroep van de gemachtigde op het evenredigheidsbeginsel overweegt het hof het volgende. Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv kan beroep worden ingesteld omdat de officier van justitie had moeten beslissen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat hij, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten vaststellen. Hiermee heeft de wetgever in de Wahv een regeling opgenomen die een vergelijkbare werking heeft als het evenredigheidsbeginsel. De rechter in Wahv-zaken dient te toetsen aan de bijzondere regeling die is neergelegd in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv.
5. Het hof stelt voorop dat de negen sancties niet, zoals de gemachtigde stelt, zijn opgelegd voor hetzelfde feit. Weliswaar zijn aan de betrokkene op dezelfde dag meerdere sancties opgelegd voor het niet voldoen aan de keuringsplicht, maar uit de betreffende dossiers blijkt dat bij elk van die overtredingen sprake is van een ander voertuig. Het voorgaande brengt mee dat niet gezegd kan worden dat om deze reden sprake is van een onevenredige cumulatie van sancties.
6. Verder wordt overwogen dat het bedrag van de sanctie wettelijk is bepaald en dat slechts in bijzondere omstandigheden daarvan kan worden afgeweken. Hoewel het hof begrip kan hebben voor de omstandigheid dat door de aankondiging en inwerkingtreding van het landelijke vuurwerkverbod eind 2021 de betrokkene in korte tijd veel zaken te regelen had en daardoor (kennelijk) vergeten is de schorsing te verlengen, valt dit niet aan te merken als zo een bijzondere omstandigheid. Het hof merkt hierbij op dat het tot de bedrijfsvoering van de betrokkene behoort om het keuren van voertuigen die deel uitmaken van het wagenpark van de betrokkene dan wel het schorsen van kentekens van deze voertuigen op orde te hebben. De gevolgen van de omstandigheid dat de betrokkene dit eind 2021 niet op orde had komen voor rekening van de betrokkene. Ook de omstandigheid dat met het voertuig geen gebruik wordt dan wel kan worden gemaakt van de openbare weg is geen reden om de sanctie te matigen. Op grond van de wettelijke bepalingen bestaat namelijk een zorgplicht voor kentekenhouders om tijdig hun voertuig te laten keuren, ongeacht of dat voertuig op de (openbare) weg wordt gebruikt. Deze verplichting geldt slechts niet als (gedurende een bepaalde periode) de tenaamstelling van het kenteken in het kentekenregister is geschorst. De betrokkene heeft niet aan deze zorgplicht voldaan.
7. Dat het bedrag van de (gezamenlijke) sancties fors is, is op zichzelf ook niet een bijzondere omstandigheid zoals hiervoor bedoeld. De gemachtigde heeft niet gesteld, en uit de dossiers is ook niet gebleken, dat de financiële situatie van de betrokkene zodanig is dat zij door de hoogte van deze sanctie(s) onevenredig hard wordt getroffen.
8. Gelet op het voorgaande slagen de gronden van de gemachtigde niet. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.324.713/01
CJIB-nummer
: 246605189
Uitspraak d.d.
: 20 september 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 13 februari 2023, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor motorrijtuig of aanhangwagen met toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg is geen keuringsbewijs afgegeven”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 2 december 2021 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat ook bij een mulderbeschikking getoetst dient te worden aan het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel. In dit geval zijn aan de betrokkene negen sancties voor hetzelfde feit opgelegd, met een totaalbedrag van € 3.681,-. Volgens de gemachtigde zit aan het opleggen van boetes door de overheid een grens. In dit geval is de handelwijze van de overheid dan ook onredelijk en onevenredig te noemen en niet in lijn met uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarom valt niet in te zien waarom er niet tot matiging van (een deel van) de sancties is besloten. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat uit onder meer de totstandkomingsgeschiedenis van de Wahv volgt dat de hoogte van de sanctie in verhouding moet staan tot de ernst van de gedraging. De totale som van de sancties is in dit geval niet meer uitlegbaar en had voor de kantonrechter ook om die reden aanleiding moeten zijn om (een deel van) de sancties te matigen. Daarbij merkt de gemachtigde op dat in verband met het vuurwerkverbod en alle regelingen die daarvoor moesten worden getroffen de schorsing van de oplegger is blijven liggen. In de periode rond de registercontrole is het voertuig van de betrokkene niet op de openbare weg geweest en sinds 26 januari 2022 is de tenaamstelling van het voertuig in het kentekenregister geschorst. Daarbij verwijst de gemachtigde naar bijgevoegde bewijsstukken.
3. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Gelet op wat is aangevoerd dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
4. Met betrekking tot het beroep van de gemachtigde op het evenredigheidsbeginsel overweegt het hof het volgende. Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv kan beroep worden ingesteld omdat de officier van justitie had moeten beslissen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat hij, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten vaststellen. Hiermee heeft de wetgever in de Wahv een regeling opgenomen die een vergelijkbare werking heeft als het evenredigheidsbeginsel. De rechter in Wahv-zaken dient te toetsen aan de bijzondere regeling die is neergelegd in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv.
5. Het hof stelt voorop dat de negen sancties niet, zoals de gemachtigde stelt, zijn opgelegd voor hetzelfde feit. Weliswaar zijn aan de betrokkene op dezelfde dag meerdere sancties opgelegd voor het niet voldoen aan de keuringsplicht, maar uit de betreffende dossiers blijkt dat bij elk van die overtredingen sprake is van een ander voertuig. Het voorgaande brengt mee dat niet gezegd kan worden dat om deze reden sprake is van een onevenredige cumulatie van sancties.
6. Verder wordt overwogen dat het bedrag van de sanctie wettelijk is bepaald en dat slechts in bijzondere omstandigheden daarvan kan worden afgeweken. Hoewel het hof begrip kan hebben voor de omstandigheid dat door de aankondiging en inwerkingtreding van het landelijke vuurwerkverbod eind 2021 de betrokkene in korte tijd veel zaken te regelen had en daardoor (kennelijk) vergeten is de schorsing te verlengen, valt dit niet aan te merken als zo een bijzondere omstandigheid. Het hof merkt hierbij op dat het tot de bedrijfsvoering van de betrokkene behoort om het keuren van voertuigen die deel uitmaken van het wagenpark van de betrokkene dan wel het schorsen van kentekens van deze voertuigen op orde te hebben. De gevolgen van de omstandigheid dat de betrokkene dit eind 2021 niet op orde had komen voor rekening van de betrokkene. Ook de omstandigheid dat met het voertuig geen gebruik wordt dan wel kan worden gemaakt van de openbare weg is geen reden om de sanctie te matigen. Op grond van de wettelijke bepalingen bestaat namelijk een zorgplicht voor kentekenhouders om tijdig hun voertuig te laten keuren, ongeacht of dat voertuig op de (openbare) weg wordt gebruikt. Deze verplichting geldt slechts niet als (gedurende een bepaalde periode) de tenaamstelling van het kenteken in het kentekenregister is geschorst. De betrokkene heeft niet aan deze zorgplicht voldaan.
7. Dat het bedrag van de (gezamenlijke) sancties fors is, is op zichzelf ook niet een bijzondere omstandigheid zoals hiervoor bedoeld. De gemachtigde heeft niet gesteld, en uit de dossiers is ook niet gebleken, dat de financiële situatie van de betrokkene zodanig is dat zij door de hoogte van deze sanctie(s) onevenredig hard wordt getroffen.
8. Gelet op het voorgaande slagen de gronden van de gemachtigde niet. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.