Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-09-08
ECLI:NL:GHARL:2023:7590
Strafrecht
Hoger beroep
4,728 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004293-22
Uitspraak d.d.: 8 september 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 7 oktober 2022 met parketnummer 18-083979-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 2000,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [woonadres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 augustus 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van de tenlastegelegde medeplichtigheid aan witwassen tot een taakstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis. Ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding heeft de advocaat-generaal gevorderd dat:
de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] van € 2.844,- en [benadeelde partij 2] van € 2.648,99 hoofdelijk worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] hoofdelijk wordt toegewezen tot een bedrag van € 800,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,
mr. E. van der Meer, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Verdachte is bij vonnis van de politierechter van 7 oktober 2022 ter zake van de tenlastegelegde medeplichtigheid aan witwassen veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis. Ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding heeft de politierechter beslist dat:
de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] van € 2.844,- en [benadeelde partij 2] van € 2.648,99 integraal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] wordt toegewezen tot een bedrag van € 800,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
één of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 13 augustus 2021, te [pleegplaats] , gemeente [gemeente] , en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging, althans alleen, (van) meerdere geldbedragen (€ 800,- + € 1.450,- + € 1.198,99 + € 1.422,- + € 1.422,- = totaal € 6292,99),
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl die onbekend gebleven personen wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode 1 tot en met 13 augustus te [pleegplaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- ( op verzoek van genoemde onbekend gebleven personen, tegen betaling) één of meerdere BUNQ bankrekeningen te openen, en/of
- ( vervolgens) de aanmaak- en inloggegevens van die rekeningen te verstrekken aan genoemde onbekend gebleven personen, en/of
- ( aldus) de door haar aangemaakte rekening(en) ter beschikking te stellen om genoemde bedragen op te storten en/of (vervolgens) over te schrijven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.
De essentie van het aan verdachte gemaakte verwijt is dat zij medeplichtig is aan witwassen doordat zij op verzoek van een onbekende een bankrekening heeft geopend op haar eigen naam en de gegevens die voor het gebruik van die bankrekening nodig zijn vervolgens heeft verstrekt aan die onbekende. Die onbekende heeft vervolgens misbruik gemaakt van die bankrekening. Dat verdachte door zo te handelen erg onvoorzichtig is geweest en risico’s op misbruik heeft genomen, staat voor het hof wel vast. Maar daarmee is nog niet bewezen dat verdachte medeplichtig is aan het witwassen van het geld dat de onbekende met zijn oplichtingen buitmaakte.
Voor medeplichtigheid aan witwassen is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat verdachtes opzet was gericht op het verschaffen van de middelen en inlichtingen als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2º, Sr (in dit geval het openen van de bankrekening en het de verstrekken van de gegevens met betrekking tot die bankrekening), maar ook dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op de door de dader gepleegde misdrijven. In zijn arrest van 18 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:385) overwoog de Hoge Raad dat de enkele vaststelling dat een verdachte zijn bankrekening tegen een vergoeding aan een ander ter beschikking heeft gesteld onvoldoende is voor het bewijs van medeplichtigheid aan oplichting. Daarvoor is een nadere motivering vereist.
Het hof kan aangaande het eventuele opzet van verdachte op het witwassen niet meer vaststellen dan dat verdachte de bankrekening opende en de gegevens ter beschikking stelde. Daar komt nog bij dat ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde niet in staat was volledige en juiste afwegingen te maken, omdat zij er op dat moment vanwege een traumatische ervaring mentaal volledig doorheen zat. Hiervoor stond zij ook onder behandeling bij een psycholoog. Tegen deze achtergrond bezien kan niet met voldoende mate van zekerheid vastgesteld worden dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door haar gedragingen witwashandelingen zouden worden gepleegd.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door
mr. E.W. van Weringh, voorzitter,
mr. J. Dolfing en mr. A. Meester, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.E. Renders, griffier,
en op 8 september 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004293-22
Uitspraak d.d.: 8 september 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 7 oktober 2022 met parketnummer 18-083979-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 2000,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [woonadres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 augustus 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van de tenlastegelegde medeplichtigheid aan witwassen tot een taakstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis. Ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding heeft de advocaat-generaal gevorderd dat:
de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] van € 2.844,- en [benadeelde partij 2] van € 2.648,99 hoofdelijk worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] hoofdelijk wordt toegewezen tot een bedrag van € 800,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,
mr. E. van der Meer, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Verdachte is bij vonnis van de politierechter van 7 oktober 2022 ter zake van de tenlastegelegde medeplichtigheid aan witwassen veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis. Ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding heeft de politierechter beslist dat:
de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] van € 2.844,- en [benadeelde partij 2] van € 2.648,99 integraal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] wordt toegewezen tot een bedrag van € 800,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
één of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 13 augustus 2021, te [pleegplaats] , gemeente [gemeente] , en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging, althans alleen, (van) meerdere geldbedragen (€ 800,- + € 1.450,- + € 1.198,99 + € 1.422,- + € 1.422,- = totaal € 6292,99),
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl die onbekend gebleven personen wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode 1 tot en met 13 augustus te [pleegplaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- ( op verzoek van genoemde onbekend gebleven personen, tegen betaling) één of meerdere BUNQ bankrekeningen te openen, en/of
- ( vervolgens) de aanmaak- en inloggegevens van die rekeningen te verstrekken aan genoemde onbekend gebleven personen, en/of
- ( aldus) de door haar aangemaakte rekening(en) ter beschikking te stellen om genoemde bedragen op te storten en/of (vervolgens) over te schrijven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.
De essentie van het aan verdachte gemaakte verwijt is dat zij medeplichtig is aan witwassen doordat zij op verzoek van een onbekende een bankrekening heeft geopend op haar eigen naam en de gegevens die voor het gebruik van die bankrekening nodig zijn vervolgens heeft verstrekt aan die onbekende. Die onbekende heeft vervolgens misbruik gemaakt van die bankrekening. Dat verdachte door zo te handelen erg onvoorzichtig is geweest en risico’s op misbruik heeft genomen, staat voor het hof wel vast. Maar daarmee is nog niet bewezen dat verdachte medeplichtig is aan het witwassen van het geld dat de onbekende met zijn oplichtingen buitmaakte.
Voor medeplichtigheid aan witwassen is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat verdachtes opzet was gericht op het verschaffen van de middelen en inlichtingen als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2º, Sr (in dit geval het openen van de bankrekening en het de verstrekken van de gegevens met betrekking tot die bankrekening), maar ook dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op de door de dader gepleegde misdrijven. In zijn arrest van 18 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:385) overwoog de Hoge Raad dat de enkele vaststelling dat een verdachte zijn bankrekening tegen een vergoeding aan een ander ter beschikking heeft gesteld onvoldoende is voor het bewijs van medeplichtigheid aan oplichting. Daarvoor is een nadere motivering vereist.
Het hof kan aangaande het eventuele opzet van verdachte op het witwassen niet meer vaststellen dan dat verdachte de bankrekening opende en de gegevens ter beschikking stelde. Daar komt nog bij dat ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde niet in staat was volledige en juiste afwegingen te maken, omdat zij er op dat moment vanwege een traumatische ervaring mentaal volledig doorheen zat. Hiervoor stond zij ook onder behandeling bij een psycholoog. Tegen deze achtergrond bezien kan niet met voldoende mate van zekerheid vastgesteld worden dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door haar gedragingen witwashandelingen zouden worden gepleegd.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door
mr. E.W. van Weringh, voorzitter,
mr. J. Dolfing en mr. A. Meester, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.E. Renders, griffier,
en op 8 september 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.