Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-08-22
ECLI:NL:GHARL:2023:7015
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,036 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.328.593/02
(zaaknummer rechtbank Gelderland 417295)
beschikking van 22 augustus 2023 op het verzoek tot voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende in [woonplaats1] ,
verzoeker,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. P.A. Schippers in ‘s-Hertogenbosch,
en
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd in Tiel,
verweerster,
verder te noemen: de GI.
Ook belanghebbende is:
[de moeder]
,
wonende in [woonplaats2] ,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.L.E. Storm van ’s Gravesande in Ede.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland van 26 april 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder te noemen: de bestreden beschikking). In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
de beschikking van 19 augustus 2020 gewijzigd en als zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld dat zij (minimaal) één a twee uur per week (begeleid) contact hebben, waarbij de aard, de frequentie en de duur van de contacten en de (wijze van) begeleiding worden bepaald door de gezinsvoogd, waarbij de gezinsvoogd (in overleg met de hulpverleners) de opbouw bepaalt naar een regeling van (uiteindelijk een vorm van) co-ouderschap en waarbij het belang van [de minderjarige] leidend is, en
de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met verzoek om een voorlopige voorziening met producties, binnengekomen op 21 juni 2023;
een journaalbericht van de vader van 24 juli 2023 met producties;
het verweerschrift van de GI op de voorlopige voorziening met een productie;
het verweerschrift van de GI in de hoofdzaak met producties;
het verweerschrift van de moeder op de voorlopige voorziening met een productie, en
een journaalbericht van de vader van 3 augustus 2023 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling was op 7 augustus 2023. Aanwezig waren:
de vader met zijn advocaat;
de moeder met haar advocaat en
twee vertegenwoordigers van de GI.
2.3
De moeder is tijdens de mondelinge behandeling bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.
Motivering
3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , die is geboren [in] 2015. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vader, maar hij verblijft feitelijk bij de moeder. De coouderschapregeling ('week op/week af') die eerder tussen ouders gold, wordt sinds eind maart 2023 niet meer uitgevoerd. [de minderjarige] is sinds 29 maart 2022 onder toezicht gesteld van de GI.
3.2
De vader verzoekt het hof om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de co-ouderschapsregeling zoals die voorheen gold, moet worden hervat voor de duur van de procedure in hoger beroep of een tijdelijke zorgregeling vast te stellen die het hof juist vindt en om een kostenveroordeling uit te spreken.
3.3
Een partij kan de rechter verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van de procedure. Die voorlopige voorziening moet samenhangen met de hoofdzaak (artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Daarnaast moet de verzoekende partij een voldoende belang hebben bij de voorlopige voorziening, in die zin dat van de verzoeker niet kan worden verlangd dat hij de beslissing in de hoofdzaak afwacht.
3.4
Het hof is van oordeel dat het verzoek van de vader voldoende samenhangt met de hoofdzaak. De hoofdzaak gaat immers ook over de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] .
3.5
Het hof houdt bij de beoordeling van het belang van de vader bij de gevraagde voorlopige voorziening rekening met alle omstandigheden en belangen in deze zaak en neemt dan een beslissing die hij in het belang van [de minderjarige] wenselijk vindt.
3.6
De GI heeft de rechtbank verzocht om de zorgregeling te wijzigen omdat zij zorgen heeft over de (emotionele) veiligheid van [de minderjarige] bij de vader thuis. Deze zorgen worden onderschreven door het NIKA-rapport van 14 april 2023. [de minderjarige] heeft de gz-psycholoog verteld dat hij zich bang voelt bij de vader. [de minderjarige] lijkt moeite te hebben om deze gevoelens te uiten en lijkt verward en op zijn hoede als hij het over de vader heeft.
De moeder sluit zich aan bij het standpunt van de GI dat de verzochte voorziening daarom moet worden afgewezen.
Beoordeling
3.7
De vader voert aan dat de GI ook zorgen heeft over de thuissituatie bij de moeder en haar partner. Het hof leest in het NIKA-rapport dat [de minderjarige] inderdaad ook gevoelens van onveiligheid heeft over de partner van de moeder, maar ook dat [de minderjarige] zich over die gevoelens wel genuanceerd durft te uiten. De GI heeft verteld dat er aandacht is voor deze zorgen. De GI is hierover in gesprek met de moeder en zij volgt de adviezen van de GI op. Binnenkort gaat de gezinsvoogd ook in gesprek met de partner van de moeder. De GI vindt de thuissituatie bij de moeder voldoende veilig voor [de minderjarige] .
3.8
De vader is bang dat [de minderjarige] van hem vervreemd zal raken door de huidige zorgregeling. De vader en [de minderjarige] zien elkaar volgens de huidige zorgregeling (minimaal) een keer per week, onder begeleiding. Het hof is van oordeel dat dit voorlopig voldoende is om te voorkomen dat [de minderjarige] vervreemd raakt van de vader tijdens de procedure in hoger beroep, zodat van de vader verlangd kan worden dat hij de uitkomst van de procedure in hoger beroep afwacht. Bovendien biedt de zorgregeling uit de bestreden beschikking de ruimte om het contact tussen de vader en [de minderjarige] verder uit te breiden. De vader en de GI hebben beide verteld dat het contact tussen hen moeizaam verloopt. Dit maakt het problematisch om het contact uit te breiden. Het hof is echter van oordeel dat dit op zich geen reden is om de zorgregeling met een voorlopige voorziening te wijzigen.
3.9
Het hof is van oordeel dat het voor [de minderjarige] het beste is als de zorgregeling uit de bestreden beschikking blijft bestaan tijdens de procedure in hoger beroep. De (emotionele) veiligheid van [de minderjarige] moet zoveel mogelijk gewaarborgd worden. Daarom is het nu het meest passend dat [de minderjarige] bij de moeder verblijft, omdat de GI de (emotionele) veiligheid daar als voldoende beoordeelt terwijl er op dit moment zorgen zijn over de (emotionele) veiligheid in de situatie bij de vader. Het hof kan zich voorstellen dat de vader [de minderjarige] (veel) meer wil zien dan nu het geval is. Het hof is echter van oordeel dat het belang van [de minderjarige] zwaarder moet wegen dan het belang van de vader.
3.10
Het hof wijst het verzoek van de vader daarom af.
Dictum
Het hof:
wijst het verzoek van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, J.B. de Groot en L. Hamer, bijgestaan door mr. L.M. de Wit als griffier en is op 22 augustus 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.328.593/02
(zaaknummer rechtbank Gelderland 417295)
beschikking van 22 augustus 2023 op het verzoek tot voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende in [woonplaats1] ,
verzoeker,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. P.A. Schippers in ‘s-Hertogenbosch,
en
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd in Tiel,
verweerster,
verder te noemen: de GI.
Ook belanghebbende is:
[de moeder]
,
wonende in [woonplaats2] ,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.L.E. Storm van ’s Gravesande in Ede.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland van 26 april 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder te noemen: de bestreden beschikking). In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
de beschikking van 19 augustus 2020 gewijzigd en als zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld dat zij (minimaal) één a twee uur per week (begeleid) contact hebben, waarbij de aard, de frequentie en de duur van de contacten en de (wijze van) begeleiding worden bepaald door de gezinsvoogd, waarbij de gezinsvoogd (in overleg met de hulpverleners) de opbouw bepaalt naar een regeling van (uiteindelijk een vorm van) co-ouderschap en waarbij het belang van [de minderjarige] leidend is, en
de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met verzoek om een voorlopige voorziening met producties, binnengekomen op 21 juni 2023;
een journaalbericht van de vader van 24 juli 2023 met producties;
het verweerschrift van de GI op de voorlopige voorziening met een productie;
het verweerschrift van de GI in de hoofdzaak met producties;
het verweerschrift van de moeder op de voorlopige voorziening met een productie, en
een journaalbericht van de vader van 3 augustus 2023 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling was op 7 augustus 2023. Aanwezig waren:
de vader met zijn advocaat;
de moeder met haar advocaat en
twee vertegenwoordigers van de GI.
2.3
De moeder is tijdens de mondelinge behandeling bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.
Motivering
3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , die is geboren [in] 2015. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vader, maar hij verblijft feitelijk bij de moeder. De coouderschapregeling ('week op/week af') die eerder tussen ouders gold, wordt sinds eind maart 2023 niet meer uitgevoerd. [de minderjarige] is sinds 29 maart 2022 onder toezicht gesteld van de GI.
3.2
De vader verzoekt het hof om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de co-ouderschapsregeling zoals die voorheen gold, moet worden hervat voor de duur van de procedure in hoger beroep of een tijdelijke zorgregeling vast te stellen die het hof juist vindt en om een kostenveroordeling uit te spreken.
3.3
Een partij kan de rechter verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van de procedure. Die voorlopige voorziening moet samenhangen met de hoofdzaak (artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Daarnaast moet de verzoekende partij een voldoende belang hebben bij de voorlopige voorziening, in die zin dat van de verzoeker niet kan worden verlangd dat hij de beslissing in de hoofdzaak afwacht.
3.4
Het hof is van oordeel dat het verzoek van de vader voldoende samenhangt met de hoofdzaak. De hoofdzaak gaat immers ook over de zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] .
3.5
Het hof houdt bij de beoordeling van het belang van de vader bij de gevraagde voorlopige voorziening rekening met alle omstandigheden en belangen in deze zaak en neemt dan een beslissing die hij in het belang van [de minderjarige] wenselijk vindt.
3.6
De GI heeft de rechtbank verzocht om de zorgregeling te wijzigen omdat zij zorgen heeft over de (emotionele) veiligheid van [de minderjarige] bij de vader thuis. Deze zorgen worden onderschreven door het NIKA-rapport van 14 april 2023. [de minderjarige] heeft de gz-psycholoog verteld dat hij zich bang voelt bij de vader. [de minderjarige] lijkt moeite te hebben om deze gevoelens te uiten en lijkt verward en op zijn hoede als hij het over de vader heeft.
De moeder sluit zich aan bij het standpunt van de GI dat de verzochte voorziening daarom moet worden afgewezen.
Beoordeling
3.7
De vader voert aan dat de GI ook zorgen heeft over de thuissituatie bij de moeder en haar partner. Het hof leest in het NIKA-rapport dat [de minderjarige] inderdaad ook gevoelens van onveiligheid heeft over de partner van de moeder, maar ook dat [de minderjarige] zich over die gevoelens wel genuanceerd durft te uiten. De GI heeft verteld dat er aandacht is voor deze zorgen. De GI is hierover in gesprek met de moeder en zij volgt de adviezen van de GI op. Binnenkort gaat de gezinsvoogd ook in gesprek met de partner van de moeder. De GI vindt de thuissituatie bij de moeder voldoende veilig voor [de minderjarige] .
3.8
De vader is bang dat [de minderjarige] van hem vervreemd zal raken door de huidige zorgregeling. De vader en [de minderjarige] zien elkaar volgens de huidige zorgregeling (minimaal) een keer per week, onder begeleiding. Het hof is van oordeel dat dit voorlopig voldoende is om te voorkomen dat [de minderjarige] vervreemd raakt van de vader tijdens de procedure in hoger beroep, zodat van de vader verlangd kan worden dat hij de uitkomst van de procedure in hoger beroep afwacht. Bovendien biedt de zorgregeling uit de bestreden beschikking de ruimte om het contact tussen de vader en [de minderjarige] verder uit te breiden. De vader en de GI hebben beide verteld dat het contact tussen hen moeizaam verloopt. Dit maakt het problematisch om het contact uit te breiden. Het hof is echter van oordeel dat dit op zich geen reden is om de zorgregeling met een voorlopige voorziening te wijzigen.
3.9
Het hof is van oordeel dat het voor [de minderjarige] het beste is als de zorgregeling uit de bestreden beschikking blijft bestaan tijdens de procedure in hoger beroep. De (emotionele) veiligheid van [de minderjarige] moet zoveel mogelijk gewaarborgd worden. Daarom is het nu het meest passend dat [de minderjarige] bij de moeder verblijft, omdat de GI de (emotionele) veiligheid daar als voldoende beoordeelt terwijl er op dit moment zorgen zijn over de (emotionele) veiligheid in de situatie bij de vader. Het hof kan zich voorstellen dat de vader [de minderjarige] (veel) meer wil zien dan nu het geval is. Het hof is echter van oordeel dat het belang van [de minderjarige] zwaarder moet wegen dan het belang van de vader.
3.10
Het hof wijst het verzoek van de vader daarom af.
Dictum
Het hof:
wijst het verzoek van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, J.B. de Groot en L. Hamer, bijgestaan door mr. L.M. de Wit als griffier en is op 22 augustus 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.