Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-08-08
ECLI:NL:GHARL:2023:6712
Civiel recht
Hoger beroep
6,018 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.295.220
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 507268)
arrest van 8 augustus 2023
in de zaak van
[appellant] ,
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiser,
hierna: [appellant] ,
advocaat: voorheen mr. N. [de betrokkene] (onttrokken), thans mr. J.J. Douwes
tegen
[geïntimeerde] ,
die woont in [woonplaats2] ,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.G. Galama,
en
[de bewindvoerder] ,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen van [appellant] ,
die kantoor houdt in [plaats1] ,
als derde in het geding opgeroepen,
hierna: de bewindvoerder,
niet verschenen,
en
[de betrokkene] ,
die kantoor houdt in [plaats1] ,
opgeroepen als betrokkene in de zin van artikel 245 lid 2 Rv,
hierna: [de betrokkene] .
1Het verdere verloop van de procedure bij het hof
Naar aanleiding van het arrest van 8 november 2022 heeft op 27 juli 2023 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
Beoordeling
principaal hoger beroep
2.1.
In het tussenarrest van 8 maart 2022 is al beslist dat [appellant] in elk geval niet-ontvankelijk is in zijn (principaal) hoger beroep omdat hij geen gronden voor zijn hoger beroep heeft aangevoerd.
2.2.
De vordering die [appellant] heeft ingesteld in deze procedure strekt tot vergoeding van materiële en immateriële schade die [appellant] stelt te hebben geleden door onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . De vraag is of [appellant] zelf bevoegd is in deze procedure op te treden, omdat over al zijn goederen een bewind is ingesteld. Uitgangspunt is dat het bewind de bevoegdheid van de rechthebbende (degene wiens goederen onder bewind zijn gesteld) om zelfstandig in rechte op te treden en om zelfstandig rechtsmiddelen aan te wenden niet aantast, tenzij uit het bewind een beperking op die procesbevoegdheden voortvloeit. Artikel 1:441 lid 1 BW bepaalt dat tijdens het bewind de beschermingsbewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt. Of de rechthebbende in een procedure bevoegd is zelf als formele procespartij op te treden, hangt ervan af of het voeren van die procedure tot de taak van de beschermingsbewindvoerder behoort. Op grond van artikel 1:438 lid 1 BW is de beschermingsbewindvoerder bij uitsluiting bevoegd tot het verrichten van daden van beheer over de onder bewind staande goederen. De beschermingsbewindvoerder kan blijkens artikel 1:441 lid 1 BW voorts onder meer alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen. Het hof oordeelt dat het tot de taak van de bewindvoerder behoort schadevergoeding te vorderen als [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] en deze daardoor schade heeft geleden. Daarmee strookt dat de bewindvoerder in een geding hierover optreedt als formele procespartij ten behoeve van [appellant] als materiële procespartij. Dat geldt ook als in dat geding een rechtsmiddel wordt aangewend. Dat betekent dat de bewindvoerder in dat geding [appellant] vertegenwoordigt en dat [appellant] niet zelfstandig kan optreden. Uit het bewind vloeit in dit geval dan ook een beperking van zijn procesbevoegdheid voort. Het staat vast dat de bewindvoerder uiteindelijk niet bereid is gebleken in dit geding te verschijnen om dat geding als formele procespartij over te nemen. Dit alles betekent dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en [appellant] alsnog niet ontvankelijk zal verklaren in de vorderingen die hij bij de rechtbank heeft ingesteld tegen [geïntimeerde] .
incidenteel hoger beroep
2.3.
De vordering van [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep komt erop neer dat het hof [appellant] dan wel zijn voormalige advocaat, [de betrokkene] , veroordeelt de volledige proceskosten van [geïntimeerde] in de procedure bij de rechtbank en het hof te vergoeden.
2.4.
Uit rov. 2.2. volgt dat [appellant] niet bevoegd was aan [de betrokkene] opdracht te geven voor dit geding; de bewindvoerder is daartoe exclusief bevoegd. Artikel 245 Rv maakt het mogelijk om een proceskostenveroordeling ten laste van [de betrokkene] te brengen omdat gebleken is dat in deze zaak een onbevoegde ( [appellant] ) opdracht heeft gegeven tot het voeren van een geding. Die veroordeling geschiedt alleen “wanneer daartoe aanleiding is”.
2.5.
Het hof is van oordeel dat er geen aanleiding is de proceskosten ten laste van [de betrokkene] te brengen. Uit het relaas van [de betrokkene] op de mondelinge behandeling bij het hof op 27 juli 2023 leidt het hof het volgende af. [appellant] heeft al in het intakegesprek van 4 oktober 2019 aan [de betrokkene] verteld dat er over zijn goederen een bewind is ingesteld. De bewindvoerder was ervan op de hoogte dat [appellant] aan [de betrokkene] een opdracht had gegeven namens hem een procedure te voeren. De bewindvoerder heeft op 11 oktober 2019 aan [de betrokkene] gevraagd om de nota voor de eigen bijdrage die [appellant] was verschuldigd voor de procedure bij de rechtbank en heeft die nota betaald. De bewindvoerder heeft dat later ook gedaan voor de eigen bijdrage in verband met de procedure bij het hof. De bewindvoerder heeft het griffierecht dat [appellant] was verschuldigd bij de rechtbank en bij het hof zelf rechtstreeks betaald zonder tussenkomst van [de betrokkene] . De bewindvoerder heeft ook bijzondere bijstand gevraagd in verband met de betaling van de eigen bijdrage. [de betrokkene] mocht ervan uitgaan dat de bewindvoerder door het doen van deze betalingen liet blijken het ermee eens te zijn dat [appellant] deze procedures voerde.
2.6.
[appellant] heeft op de mondelinge behandeling bij de rechtbank gezegd dat hij onder bewind stond. De rechtbank heeft daar geen aandacht of gevolg aan gegeven en heeft ook niet – zoals van de rechtbank had mogen worden verwacht – ambtshalve de bewindvoerder in de gelegenheid gesteld in het geding te verschijnen om dat als formele procespartij over te nemen. Ook mr. Galama heeft volgens zijn verklaring op de mondelinge behandeling bij het hof daar toen niet bij stilgestaan en daar pas in hoger beroep op gewezen in zijn incidenteel hoger beroep.
2.7.
De omstandigheden die zijn genoemd in rov. 2.5. en 2.6. brengen het hof tot het oordeel dat er geen aanleiding bestaat [de betrokkene] te veroordelen in de proceskosten in deze procedure. Zij heeft weliswaar namens een onbevoegde een procedure gevoerd en hoger beroep ingesteld, maar zij mocht ervan uitgaan dat de bewindvoerder het ermee eens was dat die procedure werd gestart en ook dat hoger beroep werd ingesteld. Niet alleen zij heeft zich niet gerealiseerd dat [appellant] niet bevoegd was zelf te procederen. Ook de bewindvoerder, die op de hoogte was van de procedure en zelfs de kosten (eigen bijdrage en griffierechten in beide instanties) daarvan betaalde, heeft zich dat kennelijk niet gerealiseerd. Ook de rechtbank, die heeft nagelaten ambtshalve de bewindvoerder te vragen de procedure over te nemen, was zich dat kennelijk niet bewust. Ook mr. Galama heeft in de procedure bij de rechtbank niet stilgestaan bij de betekenis van de mededeling van [appellant] dat hij onder bewind stond. De betrokkenen bij dit geding hebben zich niet of, in het geval van mr. Galama, pas veel later gerealiseerd dat [appellant] niet bevoegd was en niet-ontvankelijk zou zijn als de bewindvoerder niet alsnog zou inspringen als formele procespartij.
2.8.
Het hof ziet gelet op wat in rov. 2.5. en 2.6. is overwogen eveneens geen reden om [appellant] te veroordelen in de volledige proceskosten van [geïntimeerde] in de procedure bij de rechtbank en dit hof. De rechtbank heeft [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten volgens het liquidatietarief veroordeeld zoals te doen gebruikelijk is. In deze procedure is niet gebleken van een uitzondering op die hoofdregel. Het hof zal die beslissing bekrachtigen. Het hof zal [appellant] wel veroordelen in de proceskosten volgens het liquidatietarief van [geïntimeerde] in het principaal hoger beroep.
de conclusie in het principaal en incidenteel hoger beroep
2.9.
Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem als gezegd tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep veroordelen. Dat zijn alleen de griffierechten die [geïntimeerde] heeft betaald; de memorie van antwoord van [geïntimeerde] betreft alleen het incidenteel hoger beroep, omdat [appellant] geen memorie van grieven heeft genomen. Ook het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt niet. Omdat [geïntimeerde] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in het incidenteel hoger beroep veroordelen.
Dictum
Het hof
in het principaal hoger beroep
3.1.
vernietigt het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland op 21 februari 2021 tussen [appellant] en [geïntimeerde] heeft gewezen onder 5.1 en beslist dat [appellant] (alsnog) niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vorderingen die hij tegen [geïntimeerde] heeft ingesteld;
3.2.
bekrachtigt dit vonnis wat de veroordeling van [appellant] in de proceskosten betreft (onder 5.2.)
3.3.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in het principaal hoger beroep:
€ 772 aan griffierecht;
3.4.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
in het incidenteel hoger beroep
3.5.
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;
3.6.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] :
€ 1.183 aan salaris van de advocaat van [appellant] (de helft van 2 procespunten x tarief II);
3.7.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
3.8.
verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, J.U.M. van der Werff en M.H.H.A. Moes en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2023.
HR 17 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:429), rov. 3.3.
HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, rov. 3.1.2.-3.1.3.
HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, rov. 3.4.1.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.295.220
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 507268)
arrest van 8 augustus 2023
in de zaak van
[appellant] ,
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiser,
hierna: [appellant] ,
advocaat: voorheen mr. N. [de betrokkene] (onttrokken), thans mr. J.J. Douwes
tegen
[geïntimeerde] ,
die woont in [woonplaats2] ,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.G. Galama,
en
[de bewindvoerder] ,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen van [appellant] ,
die kantoor houdt in [plaats1] ,
als derde in het geding opgeroepen,
hierna: de bewindvoerder,
niet verschenen,
en
[de betrokkene] ,
die kantoor houdt in [plaats1] ,
opgeroepen als betrokkene in de zin van artikel 245 lid 2 Rv,
hierna: [de betrokkene] .
1Het verdere verloop van de procedure bij het hof
Naar aanleiding van het arrest van 8 november 2022 heeft op 27 juli 2023 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
Beoordeling
principaal hoger beroep
2.1.
In het tussenarrest van 8 maart 2022 is al beslist dat [appellant] in elk geval niet-ontvankelijk is in zijn (principaal) hoger beroep omdat hij geen gronden voor zijn hoger beroep heeft aangevoerd.
2.2.
De vordering die [appellant] heeft ingesteld in deze procedure strekt tot vergoeding van materiële en immateriële schade die [appellant] stelt te hebben geleden door onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . De vraag is of [appellant] zelf bevoegd is in deze procedure op te treden, omdat over al zijn goederen een bewind is ingesteld. Uitgangspunt is dat het bewind de bevoegdheid van de rechthebbende (degene wiens goederen onder bewind zijn gesteld) om zelfstandig in rechte op te treden en om zelfstandig rechtsmiddelen aan te wenden niet aantast, tenzij uit het bewind een beperking op die procesbevoegdheden voortvloeit. Artikel 1:441 lid 1 BW bepaalt dat tijdens het bewind de beschermingsbewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt. Of de rechthebbende in een procedure bevoegd is zelf als formele procespartij op te treden, hangt ervan af of het voeren van die procedure tot de taak van de beschermingsbewindvoerder behoort. Op grond van artikel 1:438 lid 1 BW is de beschermingsbewindvoerder bij uitsluiting bevoegd tot het verrichten van daden van beheer over de onder bewind staande goederen. De beschermingsbewindvoerder kan blijkens artikel 1:441 lid 1 BW voorts onder meer alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen. Het hof oordeelt dat het tot de taak van de bewindvoerder behoort schadevergoeding te vorderen als [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] en deze daardoor schade heeft geleden. Daarmee strookt dat de bewindvoerder in een geding hierover optreedt als formele procespartij ten behoeve van [appellant] als materiële procespartij. Dat geldt ook als in dat geding een rechtsmiddel wordt aangewend. Dat betekent dat de bewindvoerder in dat geding [appellant] vertegenwoordigt en dat [appellant] niet zelfstandig kan optreden. Uit het bewind vloeit in dit geval dan ook een beperking van zijn procesbevoegdheid voort. Het staat vast dat de bewindvoerder uiteindelijk niet bereid is gebleken in dit geding te verschijnen om dat geding als formele procespartij over te nemen. Dit alles betekent dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en [appellant] alsnog niet ontvankelijk zal verklaren in de vorderingen die hij bij de rechtbank heeft ingesteld tegen [geïntimeerde] .
incidenteel hoger beroep
2.3.
De vordering van [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep komt erop neer dat het hof [appellant] dan wel zijn voormalige advocaat, [de betrokkene] , veroordeelt de volledige proceskosten van [geïntimeerde] in de procedure bij de rechtbank en het hof te vergoeden.
2.4.
Uit rov. 2.2. volgt dat [appellant] niet bevoegd was aan [de betrokkene] opdracht te geven voor dit geding; de bewindvoerder is daartoe exclusief bevoegd. Artikel 245 Rv maakt het mogelijk om een proceskostenveroordeling ten laste van [de betrokkene] te brengen omdat gebleken is dat in deze zaak een onbevoegde ( [appellant] ) opdracht heeft gegeven tot het voeren van een geding. Die veroordeling geschiedt alleen “wanneer daartoe aanleiding is”.
2.5.
Het hof is van oordeel dat er geen aanleiding is de proceskosten ten laste van [de betrokkene] te brengen. Uit het relaas van [de betrokkene] op de mondelinge behandeling bij het hof op 27 juli 2023 leidt het hof het volgende af. [appellant] heeft al in het intakegesprek van 4 oktober 2019 aan [de betrokkene] verteld dat er over zijn goederen een bewind is ingesteld. De bewindvoerder was ervan op de hoogte dat [appellant] aan [de betrokkene] een opdracht had gegeven namens hem een procedure te voeren. De bewindvoerder heeft op 11 oktober 2019 aan [de betrokkene] gevraagd om de nota voor de eigen bijdrage die [appellant] was verschuldigd voor de procedure bij de rechtbank en heeft die nota betaald. De bewindvoerder heeft dat later ook gedaan voor de eigen bijdrage in verband met de procedure bij het hof. De bewindvoerder heeft het griffierecht dat [appellant] was verschuldigd bij de rechtbank en bij het hof zelf rechtstreeks betaald zonder tussenkomst van [de betrokkene] . De bewindvoerder heeft ook bijzondere bijstand gevraagd in verband met de betaling van de eigen bijdrage. [de betrokkene] mocht ervan uitgaan dat de bewindvoerder door het doen van deze betalingen liet blijken het ermee eens te zijn dat [appellant] deze procedures voerde.
2.6.
[appellant] heeft op de mondelinge behandeling bij de rechtbank gezegd dat hij onder bewind stond. De rechtbank heeft daar geen aandacht of gevolg aan gegeven en heeft ook niet – zoals van de rechtbank had mogen worden verwacht – ambtshalve de bewindvoerder in de gelegenheid gesteld in het geding te verschijnen om dat als formele procespartij over te nemen. Ook mr. Galama heeft volgens zijn verklaring op de mondelinge behandeling bij het hof daar toen niet bij stilgestaan en daar pas in hoger beroep op gewezen in zijn incidenteel hoger beroep.
2.7.
De omstandigheden die zijn genoemd in rov. 2.5. en 2.6. brengen het hof tot het oordeel dat er geen aanleiding bestaat [de betrokkene] te veroordelen in de proceskosten in deze procedure. Zij heeft weliswaar namens een onbevoegde een procedure gevoerd en hoger beroep ingesteld, maar zij mocht ervan uitgaan dat de bewindvoerder het ermee eens was dat die procedure werd gestart en ook dat hoger beroep werd ingesteld. Niet alleen zij heeft zich niet gerealiseerd dat [appellant] niet bevoegd was zelf te procederen. Ook de bewindvoerder, die op de hoogte was van de procedure en zelfs de kosten (eigen bijdrage en griffierechten in beide instanties) daarvan betaalde, heeft zich dat kennelijk niet gerealiseerd. Ook de rechtbank, die heeft nagelaten ambtshalve de bewindvoerder te vragen de procedure over te nemen, was zich dat kennelijk niet bewust. Ook mr. Galama heeft in de procedure bij de rechtbank niet stilgestaan bij de betekenis van de mededeling van [appellant] dat hij onder bewind stond. De betrokkenen bij dit geding hebben zich niet of, in het geval van mr. Galama, pas veel later gerealiseerd dat [appellant] niet bevoegd was en niet-ontvankelijk zou zijn als de bewindvoerder niet alsnog zou inspringen als formele procespartij.
2.8.
Het hof ziet gelet op wat in rov. 2.5. en 2.6. is overwogen eveneens geen reden om [appellant] te veroordelen in de volledige proceskosten van [geïntimeerde] in de procedure bij de rechtbank en dit hof. De rechtbank heeft [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten volgens het liquidatietarief veroordeeld zoals te doen gebruikelijk is. In deze procedure is niet gebleken van een uitzondering op die hoofdregel. Het hof zal die beslissing bekrachtigen. Het hof zal [appellant] wel veroordelen in de proceskosten volgens het liquidatietarief van [geïntimeerde] in het principaal hoger beroep.
de conclusie in het principaal en incidenteel hoger beroep
2.9.
Het principaal hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem als gezegd tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep veroordelen. Dat zijn alleen de griffierechten die [geïntimeerde] heeft betaald; de memorie van antwoord van [geïntimeerde] betreft alleen het incidenteel hoger beroep, omdat [appellant] geen memorie van grieven heeft genomen. Ook het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt niet. Omdat [geïntimeerde] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in het incidenteel hoger beroep veroordelen.
Dictum
Het hof
in het principaal hoger beroep
3.1.
vernietigt het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland op 21 februari 2021 tussen [appellant] en [geïntimeerde] heeft gewezen onder 5.1 en beslist dat [appellant] (alsnog) niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vorderingen die hij tegen [geïntimeerde] heeft ingesteld;
3.2.
bekrachtigt dit vonnis wat de veroordeling van [appellant] in de proceskosten betreft (onder 5.2.)
3.3.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in het principaal hoger beroep:
€ 772 aan griffierecht;
3.4.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
in het incidenteel hoger beroep
3.5.
wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;
3.6.
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] :
€ 1.183 aan salaris van de advocaat van [appellant] (de helft van 2 procespunten x tarief II);
3.7.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
in het principaal en het incidenteel hoger beroep
3.8.
verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, J.U.M. van der Werff en M.H.H.A. Moes en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2023.
HR 17 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:429), rov. 3.3.
HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, rov. 3.1.2.-3.1.3.
HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, rov. 3.4.1.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.