Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-07-25
ECLI:NL:GHARL:2023:6357
Civiel recht
Hoger beroep
4,404 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.321.842/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 211090)
arrest in het incident ex art. 843a Rv van 25 juli 2023
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld en die verweerster is in het incidenteel hoger beroep
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie
verweerster in het incident
hierna: [de vrouw]
vertegenwoordigd door mr. D.S.M. Wouda, advocaat te Groningen
tegen
[geïntimeerde]
die woont in Winschoten
die incidenteel hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie
eiser in het incident
hierna: [de man]
vertegenwoordigd door mr. P.C. Schutte, advocaat te Winschoten
Procesverloop
1.1
Bij de rechtbank is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 4 mei 2022 en 19 oktober 2022 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de rechtbank).
Procesverloop
2.1
Partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank van 19 oktober 2022. Het procesverloop bij het hof blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep (met bijlage)
- de memorie van grieven (met bijlagen)
- de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel tevens houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv (met bijlagen)
- de antwoordconclusie in het incident ex art. 843a Rv
2.2
In het incident vordert [de man] afgifte van (een afschrift van) het verslag van de telefonische hoorzitting van 7 april 2020 bij de Belastingdienst inzake bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2014 tot en met 2016.
2.3
[de vrouw] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering.
2.4
Partijen hebben arrest gevraagd in het incident en zij hebben de stukken daarvoor aan het hof gegeven.
Beoordeling
3.1
Voor zover relevant voor de beoordeling in het incident, gaat het in deze zaak om het volgende. Partijen hebben van 2005 tot 2017 een relatie gehad en samengewoond. De gezamenlijke woning aan de [adres] in [woonplaats1] is op 1 april 2019 geleverd aan [de vrouw] . Deze procedure gaat erover dat partijen over en weer stellen dat zij geldvorderingen op de ander hebben.
3.2
[de vrouw] heeft bij de rechtbank (in conventie) gevorderd dat [de man] wordt veroordeeld tot betaling van € 50.000,- en € 22.000,-, met bijkomende vorderingen. [de man] heeft bij de rechtbank (in reconventie) gevorderd dat [de vrouw] wordt veroordeeld tot betaling van primair € 110.396,70 dan wel € 64.041,16, subsidiair € 24.457,98 en € 85.938,72, met bijkomende vorderingen.
3.3
De rechtbank heeft [de man] in eerste aanleg (in conventie) veroordeeld tot betaling aan [de vrouw] van € 12.500,-, te vermeerderen met de contractuele rente van 4,54% met ingang van 30 oktober 2020. De vorderingen van [de man] (in reconventie) zijn afgewezen en de rechtbank heeft bepaald dat partijen de eigen proceskosten dragen (zowel in conventie als in reconventie).
3.4
Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering in hoger beroep heeft [de man] aangevoerd dat [de vrouw] tegenover de Belastingdienst heeft verklaard dat [de man] al zijn geldleningen aan [de vrouw] heeft ingelost. Dat zou zijn gebeurd tijdens een hoorzitting op
7 april 2020 die vanwege Corona telefonisch is gehouden. Deze hoorzitting vond plaats vanwege het bezwaar dat partijen hadden gemaakt tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen over de jaren 2014 tot en met 2016. In gesprekken heeft de Belastingdienst aan [de man] gevraagd waarom hij grote bedragen heeft overgemaakt aan [de vrouw] naar haar privérekening en ter aflossing van één van haar woningen in [plaats1] . De Belastingdienst heeft [de man] gezegd dat [de vrouw] verklaard zou hebben dat [de man] die bedragen heeft betaald ter aflossing van schulden aan haar en dat die schulden hierdoor afgelost zouden zijn. Aldus tot zover [de man] .
3.5
Art. 843a lid 1 Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.
3.6
[de vrouw] bevestigt in haar antwoordconclusie in het incident dat zij op 7 april 2020 telefonisch is gehoord door de Belastingdienst en dat daarvan een verslag is opgemaakt waarover zij beschikt. Volgens [de vrouw] is de achtergrond hiervan dat aan haar een navorderingsaanslag inkomstenbelasting is opgelegd vanwege leugenachtige verklaringen van [de man] . [de vrouw] betwist dat [de man] partij is bij de rechtsbetrekking in het kader waarvan het hoorverslag is opgesteld.
3.7
Het hof overweegt dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 843a lid 1 Rv in het concrete geval steeds aankomt op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij is enerzijds uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op (dreigend) tekortschieten of onrechtmatig handelen gebaseerde (ge- of verbods)vordering of vordering tot schadevergoeding; anderzijds dienen aan de mate van aannemelijkheid van de gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad bij de beoordeling van een inzagevordering hogere eisen te worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal.
3.8
In dit geval gaat het om een geldvordering van [de vrouw] op [de man] , zoals ingesteld in eerste aanleg in conventie. Eén van de verweren van [de man] tegen die vordering is dat die geheel is voldaan met betalingen aan [de vrouw] in 2015 tot en met 2017. Uit het bestreden vonnis blijkt dat de rechtbank dit verweer als onvoldoende onderbouwd heeft gepasseerd. De verklaring die [de vrouw] tegenover de Belastingdienst zou hebben afgelegd, heeft mogelijk waarde als bewijsmiddel voor [de man] . Daaruit volgt dat het hier gaat om een stuk aangaande een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 843a lid 1 Rv.
3.9
Het hof is van oordeel dat het verzoek ook voor het overige voldoet aan de eisen van art. 843a lid 1 Rv. Het is duidelijk om welk stuk het gaat en [de man] heeft gezien zijn processuele positie een rechtmatig belang bij inzage in het verslag van de hoorzitting van 7 april 2020. De bezwaren van [de vrouw] tegen de inhoud en de wijze van totstandkoming van het verslag doen hier niet aan af; die argumenten kunnen aan bod komen bij de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak en bij de waardering van het verslag voor het bewijs. Aangezien [de vrouw] niet bereid is om het stuk vrijwillig aan [de man] af te staan, zal het hof de incidentele vordering toewijzen op hierna te vermelden wijze.
3.10
Dictum
Het hof:
in het incident
veroordeelt [de vrouw] om aan [de man] binnen twee weken na dagtekening van dit arrest afschrift te verstrekken van het verslag van de telefonische hoorzitting van 7 april 2020 bij de Belastingdienst inzake bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2014 tot en met 2016.
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat over de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 5 september 2023 voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, H. de Hek en J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 25 juli 2023.
HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.321.842/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 211090)
arrest in het incident ex art. 843a Rv van 25 juli 2023
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld en die verweerster is in het incidenteel hoger beroep
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie
verweerster in het incident
hierna: [de vrouw]
vertegenwoordigd door mr. D.S.M. Wouda, advocaat te Groningen
tegen
[geïntimeerde]
die woont in Winschoten
die incidenteel hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie
eiser in het incident
hierna: [de man]
vertegenwoordigd door mr. P.C. Schutte, advocaat te Winschoten
Procesverloop
1.1
Bij de rechtbank is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 4 mei 2022 en 19 oktober 2022 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de rechtbank).
Procesverloop
2.1
Partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank van 19 oktober 2022. Het procesverloop bij het hof blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep (met bijlage)
- de memorie van grieven (met bijlagen)
- de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel tevens houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv (met bijlagen)
- de antwoordconclusie in het incident ex art. 843a Rv
2.2
In het incident vordert [de man] afgifte van (een afschrift van) het verslag van de telefonische hoorzitting van 7 april 2020 bij de Belastingdienst inzake bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2014 tot en met 2016.
2.3
[de vrouw] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering.
2.4
Partijen hebben arrest gevraagd in het incident en zij hebben de stukken daarvoor aan het hof gegeven.
Beoordeling
3.1
Voor zover relevant voor de beoordeling in het incident, gaat het in deze zaak om het volgende. Partijen hebben van 2005 tot 2017 een relatie gehad en samengewoond. De gezamenlijke woning aan de [adres] in [woonplaats1] is op 1 april 2019 geleverd aan [de vrouw] . Deze procedure gaat erover dat partijen over en weer stellen dat zij geldvorderingen op de ander hebben.
3.2
[de vrouw] heeft bij de rechtbank (in conventie) gevorderd dat [de man] wordt veroordeeld tot betaling van € 50.000,- en € 22.000,-, met bijkomende vorderingen. [de man] heeft bij de rechtbank (in reconventie) gevorderd dat [de vrouw] wordt veroordeeld tot betaling van primair € 110.396,70 dan wel € 64.041,16, subsidiair € 24.457,98 en € 85.938,72, met bijkomende vorderingen.
3.3
De rechtbank heeft [de man] in eerste aanleg (in conventie) veroordeeld tot betaling aan [de vrouw] van € 12.500,-, te vermeerderen met de contractuele rente van 4,54% met ingang van 30 oktober 2020. De vorderingen van [de man] (in reconventie) zijn afgewezen en de rechtbank heeft bepaald dat partijen de eigen proceskosten dragen (zowel in conventie als in reconventie).
3.4
Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering in hoger beroep heeft [de man] aangevoerd dat [de vrouw] tegenover de Belastingdienst heeft verklaard dat [de man] al zijn geldleningen aan [de vrouw] heeft ingelost. Dat zou zijn gebeurd tijdens een hoorzitting op
7 april 2020 die vanwege Corona telefonisch is gehouden. Deze hoorzitting vond plaats vanwege het bezwaar dat partijen hadden gemaakt tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen over de jaren 2014 tot en met 2016. In gesprekken heeft de Belastingdienst aan [de man] gevraagd waarom hij grote bedragen heeft overgemaakt aan [de vrouw] naar haar privérekening en ter aflossing van één van haar woningen in [plaats1] . De Belastingdienst heeft [de man] gezegd dat [de vrouw] verklaard zou hebben dat [de man] die bedragen heeft betaald ter aflossing van schulden aan haar en dat die schulden hierdoor afgelost zouden zijn. Aldus tot zover [de man] .
3.5
Art. 843a lid 1 Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.
3.6
[de vrouw] bevestigt in haar antwoordconclusie in het incident dat zij op 7 april 2020 telefonisch is gehoord door de Belastingdienst en dat daarvan een verslag is opgemaakt waarover zij beschikt. Volgens [de vrouw] is de achtergrond hiervan dat aan haar een navorderingsaanslag inkomstenbelasting is opgelegd vanwege leugenachtige verklaringen van [de man] . [de vrouw] betwist dat [de man] partij is bij de rechtsbetrekking in het kader waarvan het hoorverslag is opgesteld.
3.7
Het hof overweegt dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 843a lid 1 Rv in het concrete geval steeds aankomt op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij is enerzijds uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op (dreigend) tekortschieten of onrechtmatig handelen gebaseerde (ge- of verbods)vordering of vordering tot schadevergoeding; anderzijds dienen aan de mate van aannemelijkheid van de gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad bij de beoordeling van een inzagevordering hogere eisen te worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal.
3.8
In dit geval gaat het om een geldvordering van [de vrouw] op [de man] , zoals ingesteld in eerste aanleg in conventie. Eén van de verweren van [de man] tegen die vordering is dat die geheel is voldaan met betalingen aan [de vrouw] in 2015 tot en met 2017. Uit het bestreden vonnis blijkt dat de rechtbank dit verweer als onvoldoende onderbouwd heeft gepasseerd. De verklaring die [de vrouw] tegenover de Belastingdienst zou hebben afgelegd, heeft mogelijk waarde als bewijsmiddel voor [de man] . Daaruit volgt dat het hier gaat om een stuk aangaande een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 843a lid 1 Rv.
3.9
Het hof is van oordeel dat het verzoek ook voor het overige voldoet aan de eisen van art. 843a lid 1 Rv. Het is duidelijk om welk stuk het gaat en [de man] heeft gezien zijn processuele positie een rechtmatig belang bij inzage in het verslag van de hoorzitting van 7 april 2020. De bezwaren van [de vrouw] tegen de inhoud en de wijze van totstandkoming van het verslag doen hier niet aan af; die argumenten kunnen aan bod komen bij de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak en bij de waardering van het verslag voor het bewijs. Aangezien [de vrouw] niet bereid is om het stuk vrijwillig aan [de man] af te staan, zal het hof de incidentele vordering toewijzen op hierna te vermelden wijze.
3.10
Dictum
Het hof:
in het incident
veroordeelt [de vrouw] om aan [de man] binnen twee weken na dagtekening van dit arrest afschrift te verstrekken van het verslag van de telefonische hoorzitting van 7 april 2020 bij de Belastingdienst inzake bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2014 tot en met 2016.
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat over de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 5 september 2023 voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, H. de Hek en J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 25 juli 2023.
HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251.