Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-07-25
ECLI:NL:GHARL:2023:6303
Civiel recht
Hoger beroep
3,004 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.322.580
zaaknummer rechtbank Gelderland 400771
arrest van 25 juli 2023
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en als verweerder in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. J.P. de Man
tegen
[geïntimeerde1]
Die woont in [woonplaats2]
en [geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats3]
en bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie en als eiseressen in reconventie
hierna: [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]
advocaat: mr. M.A. de Vos-van der Eijk
Procesverloop
1.1.
In rov. 3.1 van het tussenarrest van 23 mei 2023 is vermeld dat de rechtbank in het vonnis van 4 januari 2023 (verkort weergegeven):
[appellant] heeft veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan de onderhandse verkoop en levering van de woning aan de [adres] te [woonplaats1] (hierna: de woning) (rov. 8.1.),
heeft bepaald dat, in het geval [appellant] weigerachtig blijft die medewerking te verlenen, het vonnis in de plaats zal treden van de benodigde handtekeningen van hem ten behoeve van de (opdracht tot) verkoop en levering van die woning (rov. 8.2.),
het door [appellant] gelegde deelgenotenbeslag heeft opgeheven (rov. 8.3.),
e verdeling van de nalatenschappen de ouders heeft bepaald (rov. 8.4.),
heeft bepaald dat aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] als executeurs kwijting en decharge wordt verleend voor het gevoerde beheer over de nalatenschap van moeder (rov. 8.5.),
de kosten van de procedure gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen (rov. 8.6.).
1.2.
[appellant] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 januari 2023 en vordert vernietiging daarvan. Hij vordert in hoger beroep onder meer dat het hof de woning laat taxeren en aan hem zal toedelen tegen de getaxeerde waarde.
1.3.
Het hof heeft – ambtshalve – overwogen dat hoger beroep tegen een uitspraak waarvan een rechter heeft bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van (een deel van) een akte die bestemd is tot levering van een registergoed binnen acht dagen na het instellen daarvan moet worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister (artikel 3:301 lid 2 BW).
Het hof heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag:
of de beslissing van de rechtbank die hiervoor in 1.1. onder b is vermeld een beslissing is in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW (vonnis vervangt een deel van de akte van levering);
of is voldaan aan de eis van artikel 3:301 lid 2 BW;
tot welke gevolgen het ontbreken van inschrijving zou moeten leiden?
1.4.
[appellant] heeft zich bij akte daarover uitgelaten en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben daarop in een antwoordakte gereageerd.
1.5.
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank die hiervoor in 1.1. onder b is vermeld een beslissing is in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW. Deze beslissing van de rechtbank kan niet anders worden begrepen dan dat de rechtbank daarin (onder 8.2.) heeft bepaald dat – indien [appellant] niet (tijdig) meewerkt aan de verkoop en levering van de woning – de uitspraak in de plaats treedt van een deel van de akte van verkoop en de notariële akte van levering, namelijk van de in deze akten vereiste verklaringen van [appellant] en de ondertekening daarvan. Dat leidt het hof af uit de woorden “benodigde handtekeningen” waarmee niets anders bedoeld kan zijn dan de handtekeningen van [appellant] in de onderhandse akte van verkoop van de woning en in de notariële akte van levering. Het woord ‘handtekening’ is hier niet anders te begrijpen dan een pars pro toto (een deel gebruikt voor het geheel) voor de notariële akte van levering. Dit deel van de beslissing (rov. 8.2. in het vonnis van de rechtbank van 4 januari 2023) staat in onlosmakelijk verband met de veroordeling van [appellant] om mee te werken aan de verkoop en levering van de woning en de opheffing van het deelgenotenbeslag (rov. 8.1. en 8.3.). De rechtbank heeft dus toepassing gegeven aan art. 3:300 lid 2 BW.
1.6.
Vast staat dat [appellant] het hoger beroep niet heeft ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Het hof zal [appellant] dan ook op grond van art. 3:301 lid 2 BW niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit zich richt tegen de beslissingen van de rechtbank in rov. 8.1., 8.2. en 8.3. Hij is wel ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover zich dat richt tegen de rov. 8.4. tot en met 8.8. Het hof zal de zaak verwijzen naar de roldatum 22 augustus 2023 voor memorie van grieven en houdt iedere verdere beslissing aan.
Dictum
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissingen van de rechtbank in het vonnis van 4 januari 2023 over de woning in rov. 8.1. en 8.2.;
verwijst de zaak naar de roldatum 22 augustus voor memorie van grieven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en J.U.M. van der Werff en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2023.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.322.580
zaaknummer rechtbank Gelderland 400771
arrest van 25 juli 2023
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en als verweerder in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. J.P. de Man
tegen
[geïntimeerde1]
Die woont in [woonplaats2]
en [geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats3]
en bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie en als eiseressen in reconventie
hierna: [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2]
advocaat: mr. M.A. de Vos-van der Eijk
Procesverloop
1.1.
In rov. 3.1 van het tussenarrest van 23 mei 2023 is vermeld dat de rechtbank in het vonnis van 4 januari 2023 (verkort weergegeven):
[appellant] heeft veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan de onderhandse verkoop en levering van de woning aan de [adres] te [woonplaats1] (hierna: de woning) (rov. 8.1.),
heeft bepaald dat, in het geval [appellant] weigerachtig blijft die medewerking te verlenen, het vonnis in de plaats zal treden van de benodigde handtekeningen van hem ten behoeve van de (opdracht tot) verkoop en levering van die woning (rov. 8.2.),
het door [appellant] gelegde deelgenotenbeslag heeft opgeheven (rov. 8.3.),
e verdeling van de nalatenschappen de ouders heeft bepaald (rov. 8.4.),
heeft bepaald dat aan [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] als executeurs kwijting en decharge wordt verleend voor het gevoerde beheer over de nalatenschap van moeder (rov. 8.5.),
de kosten van de procedure gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen (rov. 8.6.).
1.2.
[appellant] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 januari 2023 en vordert vernietiging daarvan. Hij vordert in hoger beroep onder meer dat het hof de woning laat taxeren en aan hem zal toedelen tegen de getaxeerde waarde.
1.3.
Het hof heeft – ambtshalve – overwogen dat hoger beroep tegen een uitspraak waarvan een rechter heeft bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van (een deel van) een akte die bestemd is tot levering van een registergoed binnen acht dagen na het instellen daarvan moet worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister (artikel 3:301 lid 2 BW).
Het hof heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag:
of de beslissing van de rechtbank die hiervoor in 1.1. onder b is vermeld een beslissing is in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW (vonnis vervangt een deel van de akte van levering);
of is voldaan aan de eis van artikel 3:301 lid 2 BW;
tot welke gevolgen het ontbreken van inschrijving zou moeten leiden?
1.4.
[appellant] heeft zich bij akte daarover uitgelaten en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] hebben daarop in een antwoordakte gereageerd.
1.5.
Het hof is van oordeel dat de beslissing van de rechtbank die hiervoor in 1.1. onder b is vermeld een beslissing is in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW. Deze beslissing van de rechtbank kan niet anders worden begrepen dan dat de rechtbank daarin (onder 8.2.) heeft bepaald dat – indien [appellant] niet (tijdig) meewerkt aan de verkoop en levering van de woning – de uitspraak in de plaats treedt van een deel van de akte van verkoop en de notariële akte van levering, namelijk van de in deze akten vereiste verklaringen van [appellant] en de ondertekening daarvan. Dat leidt het hof af uit de woorden “benodigde handtekeningen” waarmee niets anders bedoeld kan zijn dan de handtekeningen van [appellant] in de onderhandse akte van verkoop van de woning en in de notariële akte van levering. Het woord ‘handtekening’ is hier niet anders te begrijpen dan een pars pro toto (een deel gebruikt voor het geheel) voor de notariële akte van levering. Dit deel van de beslissing (rov. 8.2. in het vonnis van de rechtbank van 4 januari 2023) staat in onlosmakelijk verband met de veroordeling van [appellant] om mee te werken aan de verkoop en levering van de woning en de opheffing van het deelgenotenbeslag (rov. 8.1. en 8.3.). De rechtbank heeft dus toepassing gegeven aan art. 3:300 lid 2 BW.
1.6.
Vast staat dat [appellant] het hoger beroep niet heeft ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Het hof zal [appellant] dan ook op grond van art. 3:301 lid 2 BW niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit zich richt tegen de beslissingen van de rechtbank in rov. 8.1., 8.2. en 8.3. Hij is wel ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover zich dat richt tegen de rov. 8.4. tot en met 8.8. Het hof zal de zaak verwijzen naar de roldatum 22 augustus 2023 voor memorie van grieven en houdt iedere verdere beslissing aan.
Dictum
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissingen van de rechtbank in het vonnis van 4 januari 2023 over de woning in rov. 8.1. en 8.2.;
verwijst de zaak naar de roldatum 22 augustus voor memorie van grieven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en J.U.M. van der Werff en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2023.