Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-07-04
ECLI:NL:GHARL:2023:5897
Strafrecht
Hoger beroep
10,844 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005348-21
Uitspraak d.d.: 4 juli 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 23 november 2021 met de parketnummers 16-281816-20 en 16-154281-21 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. C.W. Dirkzwager, naar voren is gebracht.
Ook heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door mr. P.W. van Rijmenam-van Oosterom, namens de benadeelde partij [benadeelde 1] naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft de verdachte ter zake van de voortgezette handeling van diefstal met valse sleutel in vereniging gepleegd en de eendaadse samenloop van diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging gepleegd en afpersing in vereniging, alsmede het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en daarnaast ter zake van wederspannigheid en vernieling veroordeeld tot een jeugddetentie van 234 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke PIJ-maatregel die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. De rechtbank heeft voorts de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van
€ 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft verder de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] geheel toegewezen tot een bedrag van € 302,50, vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft ten slotte de vordering van de officier van justitie tot de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie met parketnummer 21-000752-19 afgewezen.
De verdachte is door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 16-281816-20 onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist en zal het vonnis, met verbetering van gronden, bevestigen, behalve voor zover het betreft de strafoplegging, de opgelegde maatregel de beslissing met betrekking tot de benadeelde partijen en de beslissing met betrekking tot de tenuitvoerlegging.
Ten aanzien van deze onderdelen van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Verbetering van gronden
Het hof overweegt dat de rechtbank in haar vonnis ten aanzien van de vernieling van de enkelband heeft opgenomen dat de verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij dit feit heeft gepleegd. In het proces-verbaal van de terechtzitting is dit echter niet terug te vinden. Het hof maakt gebruik van de volgende bewijsmiddelen;
De aangifte door de [benadeelde 2] van 19 april 2021.
Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [brigadier] , brigadier, gedateerd 6 mei 2021.
Melding vernieling/beschadiging of vermissing/verduistering EM-apparatuur.
Verdachte heeft de Nederlandse nationaliteit en wordt ervan verdacht de in Nederland omgedane enkelband in België te hebben vernield. Op grond van artikel 7 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet ook van toepassing op dit feit. Het feit wordt door de Nederlandse wet als misdrijf beschouwd en ook in België is dit feit strafbaar en is daarop straf gesteld.
Oplegging van straf en/of maatregel
De advocaat-generaal heeft toepassing van het jeugdstrafrecht gevorderd.
De raadsvrouw van verdachte heeft toepassing van het volwassenenstrafrecht bepleit.
Het hof overweegt als volgt.
Het uitgangspunt bij minderjarigen is vervolging op basis van het jeugdstrafrecht. Op grond van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht kan hiervan slechts in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken, namelijk vanwege de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of indien de omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven.
Het hof ziet, ondanks de relatieve ernst van het feit, geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel en zal het jeugdstrafrecht toepassen. Noch zijn er andere omstandigheden die aanleiding geven een uitzondering op de genoemde hoofdregel te aanvaarden. Temeer daar de Raad voor de Kinderbescherming recentelijk opnieuw heeft geadviseerd om aan de verdachte een PIJ-maatregel op te leggen en dus niet over te gaan tot toepassing van het volwassenenstrafrecht.
De advocaat-generaal heeft oplegging van een jeugddetentie van 233 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel gevorderd.
De raadsvrouw heeft aangegeven dat de Pro-Justitiarapportage ouder is dan één jaar en dat de verdediging niet instemt met het gebruik van die rapportage. Naar aanleiding van dit standpunt heeft het hof op 29 november 2022 bij tussenarrest bepaald dat het noodzakelijk is dat nader wordt gerapporteerd. Het is echter niet mogelijk gebleken om in contact te komen met verdachte, waardoor er geen aanvullende rapportage is opgesteld. Hierdoor is niet voldaan aan artikel 77s, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en kan geen PIJ-maatregel opgelegd worden, aldus de raadsvrouw. Zij heeft voorts aangevoerd dat op grond van het vijfde lid, van artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht, het tweede lid buiten toepassing kan blijven maar dat de deskundigen dan wel aanvullend hadden moeten rapporteren of aangeven dat zij persisteren bij hun conclusies van 7 oktober 2021. Dit is niet gebeurd. De raadsvrouw heeft verzocht om oplegging van een gevangenisstraf met ofwel een fors deel voorwaardelijk met daaraan bijzondere voorwaarden gekoppeld, ofwel voorwaarden die gesteld kunnen worden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.
Het hof overweegt het volgende.
Verdachte heeft zich samen met anderen midden in de nacht een man van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Dit heeft meerdere uren geduurd. Verdachte en zijn mededaders hebben de man geslagen, onder andere met een hamer en ze hebben hem bedreigd met een mes en een hond. Ze hebben bovendien zijn schoenen uitgetrokken en gedreigd met een gasbrander langs zijn voeten te gaan.
Overwegingen
Het hof is van oordeel dat gelet op het bovenstaande sprake is van een situatie zoals genoemd in artikel 77s, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte had van tevoren al een voorwaarde aangegeven bij nadere rapportages, namelijk dat met een “volwassenenbril” gerapporteerd zou moeten worden. Vervolgens bleek dat er op geen enkele manier, ook niet via zijn raadsvrouw, contact kon worden gelegd met verdachte. Het hof is van oordeel dat verdachte hiermee weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek. Aangezien de gedragsdeskundigen geen contact konden krijgen met verdachte was het voor hen ook niet mogelijk om nader te rapporteren over de reden van weigering noch anderszins.
Het hof zal om die reden gebruik maken van de Pro-Justitiarapportages van 7 oktober 2021.
Uit de Pro-Justitiarapportages volgt dat bij verdachte sprake is van een oppositioneel-opstandige stoornis. Volgens de psychiater is de persoonlijkheid van verdachte zich aan het ontwikkelen richting een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De psychiater en de psycholoog achten het aannemelijk dat die stoornissen ook aanwezig waren tijdens het plegen van de feiten en dat die mogelijk een rol hebben gespeeld bij het tot stand komen daarvan. Omdat verdachte betrokkenheid bij de feiten ontkent, kunnen zij dat niet met zekerheid vaststellen. De psychiater stelt dat er een matige tot grote kans bestaat dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen als hij niet behandeld wordt voor zijn stoornissen. Volgens de psycholoog is die kans groot. Door de ernst van de gepleegde strafbare feiten, het strafblad van verdachte, de stoornissen die hij heeft, het feit dat hij zich eerder niet aan voorwaarden heeft gehouden en het matig tot hoge recidiverisico, adviseren de psychiater en de psycholoog aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen met daaraan voorwaarden gekoppeld die gericht zijn op intensieve behandeling, opleiding, werk en zijn sociale omgeving.
De Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) heeft in zijn rapport van 14 juni 2023 het volgende overwogen:
In het strafadvies van 3 november 2022 adviseert de RvdK: “Mocht het gerechtshof net als de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, [verdachte] een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. [verdachte] heeft sinds 23 november 2021 ruimschoots de kans gehad om mee te werken aan een voorwaardelijke PIJ-maatregel en heeft dit niet gedaan. Dit maakt dat de RvdK geen vertrouwen (meer) heeft dat [verdachte] door middel van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, een pedagogische ontwikkelslag kan maken. In het strafonderzoek van 8 november 2021 komt de RvdK al tot de conclusie dat is voldaan aan de wettelijke criteria die voor een PIJ-maatregel gelden. In het strafonderzoek van 16 augustus 2022
wordt geconcludeerd dat deze criteria nog steeds gelden. Deze criteria gelden bij
het uitgaan van deze brief nog steeds. De RvdK verwijst naar deze adviezen voor
verdere onderbouwing hiervan.” Wat betreft de RvdK wordt er momenteel nog steeds voldaan aan de wettelijke criteria. De RvdK blijft bij het eerder gegeven advies in de brief van 3 november 2022 en verwijst voor verder informatie naar het strafrapport van 16 augustus 2022 en het strafrapport van 8 november 2021.
Advies
De Raad voor de Kinderbescherming adviseert het gerechtshof, de inmiddels meerderjarige [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2003, de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op te leggen.
Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Gezien het recidiverisico is behandeling noodzakelijk. Verdachte heeft getoond zich niet aan de voorwaarden te kunnen houden.
Gelet op hetgeen uit de rapportages is gebleken en hetgeen ter zitting in hoger beroep is aangevoerd, zal het hof de PIJ-maatregel dan ook opleggen. Er is voldaan aan de daarvoor gestelde voorwaarden uit artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht, te weten dat sprake was van een ziekelijke stoornis bij verdachte ten tijde van het feit, dat het gaat om een feit waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist (gelet op het recidiverisico) en, zoals hiervoor al aangegeven, dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.
Het hof stelt vast dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat
gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of
meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de
maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
Vooral gelet op de aard en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd is het hof van oordeel dat naast de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, ook een onvoorwaardelijke jeugddetentie moet worden opgelegd van na te melden duur.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.910,-, waarvan € 5.910,- aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft toewijzing van het gehele bedrag aan materiële schade en
€ 3.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. De verdediging heeft verzocht de overweging van de rechtbank te volgen op dit punt. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging primair verzocht de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair slechts € 1.500,- toe te wijzen.
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep stukken overgelegd, zijnde rekeningafschriften van twee keer een overboeking van € 2.000,- op 19 mei 2020 en op 26 oktober 2020 vanaf een rekening van een [persoon] naar de rekening van de benadeelde partij. Dit zouden schenkingen zijn van de oma van de benadeelde partij aan de benadeelde partij.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 16-281816-20 onder 1 primair en 3 en 4 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Materiële schade
Voldoende is gebleken dat de benadeelde partij, als gevolg van de bewezenverklaarde feiten, materiële schade heeft geleden. Verdachte is hiervoor aansprakelijk. De vordering zal tot een bedrag van € 5.910,- worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de advocaat-generaal heeft meegedeeld geen ontnemingsvordering ter hoogte van dit bedrag aan te zullen brengen en dat de benadeelde partij niet wordt vervolgd voor eventuele strafbare feiten waarbij dit geld mogelijk zou zijn verkregen. Er kan dus niet worden vastgesteld dat dit geld van enig misdrijf afkomstig is.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-281816-20 onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en maatregel en ten aanzien van de beslissingen ten aanzien van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 234 (tweehonderdvierendertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-281816-20 onder 1 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.910,00 (achtduizend negenhonderdtien euro) bestaande uit € 5.910,00 (vijfduizend negenhonderdtien euro) materiële schade en
€ 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-281816-20 onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.910,00 (achtduizend negenhonderdtien euro) bestaande uit € 5.910,00 (vijfduizend negenhonderdtien euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 30 oktober 2020.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-154281-21 onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 302,50 (driehonderdtwee euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-154281-21 onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 302,50 (driehonderdtwee euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 april 2021.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Arrondissementsparket Midden-Nederland van 1 maart 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 25 juni 2019, met parketnummer 21-000752-19, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. D. Visser en , raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. W.C.S. Huijbers, griffier,
en op 4 juli 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 4 juli 2023.
Tegenwoordig:
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit, advocaat-generaal,
mr. R. Kaatman, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005348-21
Uitspraak d.d.: 4 juli 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 23 november 2021 met de parketnummers 16-281816-20 en 16-154281-21 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 juni 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw, mr. C.W. Dirkzwager, naar voren is gebracht.
Ook heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door mr. P.W. van Rijmenam-van Oosterom, namens de benadeelde partij [benadeelde 1] naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft de verdachte ter zake van de voortgezette handeling van diefstal met valse sleutel in vereniging gepleegd en de eendaadse samenloop van diefstal met (bedreiging met) geweld in vereniging gepleegd en afpersing in vereniging, alsmede het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en daarnaast ter zake van wederspannigheid en vernieling veroordeeld tot een jeugddetentie van 234 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke PIJ-maatregel die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. De rechtbank heeft voorts de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van
€ 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft verder de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] geheel toegewezen tot een bedrag van € 302,50, vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft ten slotte de vordering van de officier van justitie tot de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie met parketnummer 21-000752-19 afgewezen.
De verdachte is door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 16-281816-20 onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist en zal het vonnis, met verbetering van gronden, bevestigen, behalve voor zover het betreft de strafoplegging, de opgelegde maatregel de beslissing met betrekking tot de benadeelde partijen en de beslissing met betrekking tot de tenuitvoerlegging.
Ten aanzien van deze onderdelen van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Verbetering van gronden
Het hof overweegt dat de rechtbank in haar vonnis ten aanzien van de vernieling van de enkelband heeft opgenomen dat de verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij dit feit heeft gepleegd. In het proces-verbaal van de terechtzitting is dit echter niet terug te vinden. Het hof maakt gebruik van de volgende bewijsmiddelen;
De aangifte door de [benadeelde 2] van 19 april 2021.
Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [brigadier] , brigadier, gedateerd 6 mei 2021.
Melding vernieling/beschadiging of vermissing/verduistering EM-apparatuur.
Verdachte heeft de Nederlandse nationaliteit en wordt ervan verdacht de in Nederland omgedane enkelband in België te hebben vernield. Op grond van artikel 7 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet ook van toepassing op dit feit. Het feit wordt door de Nederlandse wet als misdrijf beschouwd en ook in België is dit feit strafbaar en is daarop straf gesteld.
Oplegging van straf en/of maatregel
De advocaat-generaal heeft toepassing van het jeugdstrafrecht gevorderd.
De raadsvrouw van verdachte heeft toepassing van het volwassenenstrafrecht bepleit.
Het hof overweegt als volgt.
Het uitgangspunt bij minderjarigen is vervolging op basis van het jeugdstrafrecht. Op grond van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht kan hiervan slechts in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken, namelijk vanwege de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of indien de omstandigheden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven.
Het hof ziet, ondanks de relatieve ernst van het feit, geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel en zal het jeugdstrafrecht toepassen. Noch zijn er andere omstandigheden die aanleiding geven een uitzondering op de genoemde hoofdregel te aanvaarden. Temeer daar de Raad voor de Kinderbescherming recentelijk opnieuw heeft geadviseerd om aan de verdachte een PIJ-maatregel op te leggen en dus niet over te gaan tot toepassing van het volwassenenstrafrecht.
De advocaat-generaal heeft oplegging van een jeugddetentie van 233 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel gevorderd.
De raadsvrouw heeft aangegeven dat de Pro-Justitiarapportage ouder is dan één jaar en dat de verdediging niet instemt met het gebruik van die rapportage. Naar aanleiding van dit standpunt heeft het hof op 29 november 2022 bij tussenarrest bepaald dat het noodzakelijk is dat nader wordt gerapporteerd. Het is echter niet mogelijk gebleken om in contact te komen met verdachte, waardoor er geen aanvullende rapportage is opgesteld. Hierdoor is niet voldaan aan artikel 77s, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en kan geen PIJ-maatregel opgelegd worden, aldus de raadsvrouw. Zij heeft voorts aangevoerd dat op grond van het vijfde lid, van artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht, het tweede lid buiten toepassing kan blijven maar dat de deskundigen dan wel aanvullend hadden moeten rapporteren of aangeven dat zij persisteren bij hun conclusies van 7 oktober 2021. Dit is niet gebeurd. De raadsvrouw heeft verzocht om oplegging van een gevangenisstraf met ofwel een fors deel voorwaardelijk met daaraan bijzondere voorwaarden gekoppeld, ofwel voorwaarden die gesteld kunnen worden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.
Het hof overweegt het volgende.
Verdachte heeft zich samen met anderen midden in de nacht een man van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Dit heeft meerdere uren geduurd. Verdachte en zijn mededaders hebben de man geslagen, onder andere met een hamer en ze hebben hem bedreigd met een mes en een hond. Ze hebben bovendien zijn schoenen uitgetrokken en gedreigd met een gasbrander langs zijn voeten te gaan.
Overwegingen
Het hof is van oordeel dat gelet op het bovenstaande sprake is van een situatie zoals genoemd in artikel 77s, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte had van tevoren al een voorwaarde aangegeven bij nadere rapportages, namelijk dat met een “volwassenenbril” gerapporteerd zou moeten worden. Vervolgens bleek dat er op geen enkele manier, ook niet via zijn raadsvrouw, contact kon worden gelegd met verdachte. Het hof is van oordeel dat verdachte hiermee weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek. Aangezien de gedragsdeskundigen geen contact konden krijgen met verdachte was het voor hen ook niet mogelijk om nader te rapporteren over de reden van weigering noch anderszins.
Het hof zal om die reden gebruik maken van de Pro-Justitiarapportages van 7 oktober 2021.
Uit de Pro-Justitiarapportages volgt dat bij verdachte sprake is van een oppositioneel-opstandige stoornis. Volgens de psychiater is de persoonlijkheid van verdachte zich aan het ontwikkelen richting een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De psychiater en de psycholoog achten het aannemelijk dat die stoornissen ook aanwezig waren tijdens het plegen van de feiten en dat die mogelijk een rol hebben gespeeld bij het tot stand komen daarvan. Omdat verdachte betrokkenheid bij de feiten ontkent, kunnen zij dat niet met zekerheid vaststellen. De psychiater stelt dat er een matige tot grote kans bestaat dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen als hij niet behandeld wordt voor zijn stoornissen. Volgens de psycholoog is die kans groot. Door de ernst van de gepleegde strafbare feiten, het strafblad van verdachte, de stoornissen die hij heeft, het feit dat hij zich eerder niet aan voorwaarden heeft gehouden en het matig tot hoge recidiverisico, adviseren de psychiater en de psycholoog aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen met daaraan voorwaarden gekoppeld die gericht zijn op intensieve behandeling, opleiding, werk en zijn sociale omgeving.
De Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) heeft in zijn rapport van 14 juni 2023 het volgende overwogen:
In het strafadvies van 3 november 2022 adviseert de RvdK: “Mocht het gerechtshof net als de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, [verdachte] een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. [verdachte] heeft sinds 23 november 2021 ruimschoots de kans gehad om mee te werken aan een voorwaardelijke PIJ-maatregel en heeft dit niet gedaan. Dit maakt dat de RvdK geen vertrouwen (meer) heeft dat [verdachte] door middel van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, een pedagogische ontwikkelslag kan maken. In het strafonderzoek van 8 november 2021 komt de RvdK al tot de conclusie dat is voldaan aan de wettelijke criteria die voor een PIJ-maatregel gelden. In het strafonderzoek van 16 augustus 2022
wordt geconcludeerd dat deze criteria nog steeds gelden. Deze criteria gelden bij
het uitgaan van deze brief nog steeds. De RvdK verwijst naar deze adviezen voor
verdere onderbouwing hiervan.” Wat betreft de RvdK wordt er momenteel nog steeds voldaan aan de wettelijke criteria. De RvdK blijft bij het eerder gegeven advies in de brief van 3 november 2022 en verwijst voor verder informatie naar het strafrapport van 16 augustus 2022 en het strafrapport van 8 november 2021.
Advies
De Raad voor de Kinderbescherming adviseert het gerechtshof, de inmiddels meerderjarige [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2003, de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op te leggen.
Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Gezien het recidiverisico is behandeling noodzakelijk. Verdachte heeft getoond zich niet aan de voorwaarden te kunnen houden.
Gelet op hetgeen uit de rapportages is gebleken en hetgeen ter zitting in hoger beroep is aangevoerd, zal het hof de PIJ-maatregel dan ook opleggen. Er is voldaan aan de daarvoor gestelde voorwaarden uit artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht, te weten dat sprake was van een ziekelijke stoornis bij verdachte ten tijde van het feit, dat het gaat om een feit waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist (gelet op het recidiverisico) en, zoals hiervoor al aangegeven, dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.
Het hof stelt vast dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat
gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of
meer personen. Dit betekent dat verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de
maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
Vooral gelet op de aard en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd is het hof van oordeel dat naast de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, ook een onvoorwaardelijke jeugddetentie moet worden opgelegd van na te melden duur.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.910,-, waarvan € 5.910,- aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft toewijzing van het gehele bedrag aan materiële schade en
€ 3.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. De verdediging heeft verzocht de overweging van de rechtbank te volgen op dit punt. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging primair verzocht de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair slechts € 1.500,- toe te wijzen.
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep stukken overgelegd, zijnde rekeningafschriften van twee keer een overboeking van € 2.000,- op 19 mei 2020 en op 26 oktober 2020 vanaf een rekening van een [persoon] naar de rekening van de benadeelde partij. Dit zouden schenkingen zijn van de oma van de benadeelde partij aan de benadeelde partij.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 16-281816-20 onder 1 primair en 3 en 4 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Materiële schade
Voldoende is gebleken dat de benadeelde partij, als gevolg van de bewezenverklaarde feiten, materiële schade heeft geleden. Verdachte is hiervoor aansprakelijk. De vordering zal tot een bedrag van € 5.910,- worden toegewezen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de advocaat-generaal heeft meegedeeld geen ontnemingsvordering ter hoogte van dit bedrag aan te zullen brengen en dat de benadeelde partij niet wordt vervolgd voor eventuele strafbare feiten waarbij dit geld mogelijk zou zijn verkregen. Er kan dus niet worden vastgesteld dat dit geld van enig misdrijf afkomstig is.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-281816-20 onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en maatregel en ten aanzien van de beslissingen ten aanzien van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 234 (tweehonderdvierendertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-281816-20 onder 1 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.910,00 (achtduizend negenhonderdtien euro) bestaande uit € 5.910,00 (vijfduizend negenhonderdtien euro) materiële schade en
€ 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-281816-20 onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.910,00 (achtduizend negenhonderdtien euro) bestaande uit € 5.910,00 (vijfduizend negenhonderdtien euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 30 oktober 2020.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-154281-21 onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 302,50 (driehonderdtwee euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-154281-21 onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 302,50 (driehonderdtwee euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 april 2021.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Arrondissementsparket Midden-Nederland van 1 maart 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 25 juni 2019, met parketnummer 21-000752-19, voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. D. Visser en , raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. W.C.S. Huijbers, griffier,
en op 4 juli 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 4 juli 2023.
Tegenwoordig:
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit, advocaat-generaal,
mr. R. Kaatman, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.