Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-06-05
ECLI:NL:GHARL:2023:4685
Strafrecht
Hoger beroep
4,334 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005523-22
Uitspraak d.d.: 5 juni 2023
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 6 december 2022 met parketnummer 05-191193-21 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting van dit hof verblijvende in P.I. [verblijfplaats] .
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 mei 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsvrouw, mr. Y. Ameziane, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft de betrokkene bij vonnis van 6 december 2022 – kort gezegd – de verplichting opgelegd tot betaling van € 55.369,52 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 65.179,39 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 55.369,52 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag, waarbij de duur van een eventuele gijzeling ten hoogste drie jaar bedraagt.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair aangevoerd dat betrokkene in de strafzaak vrijgesproken dient te worden van de hem tenlastegelegde feiten. Op grond daarvan heeft de raadsvrouw een afwijzing van de ontnemingsvordering bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit om – in het geval van een bewezenverklaring en een (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen – de bedragen van de toegewezen vorderingen in mindering te brengen op het geschatte bedrag van de ontnemingsvordering.
De raadsvrouw heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de schadebedragen zoals die zijn opgevoerd door de [benadeelde 9] en [benadeelde 6] op geen enkele wijze onderbouwd zijn. Zij heeft aangevoerd dat het niet aannemelijk is geworden dat de genoemde gelden aan verdachte ten goede zijn gekomen.
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 5 juni 2023 (parketnummer 21-005520-22) terzake van – kort gezegd – oplichting (meermalen gepleegd) veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 31.238,00. Bij de beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof uitgegaan van het door de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal met zaakregistratienummer 2021237372 en het aanvullend proces-verbaal met nummer PL0600-2021276894-25. Meer in het bijzonder is het hof uitgegaan van de aangiften door [benadeelde 10] , [benadeelde 6] [benadeelde 5] , [benadeelde 9] , [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] .
Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende:
Op 16 maart 20221 heeft betrokkene voor een bedrag van € 7844,65 aan machines en gereedschap aangeschaft bij de firma [benadeelde 10] . Betrokkene heeft daarbij voorgewend dat hij per bankoverschrijving betaalde, maar deze bleek later vals te zijn. Er is nooit betaald voor de spullen. Aangever heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend voor een bedrag van € 6843,17. Dit bedrag is door het hof toegewezen.
Op 20 februari 2021 heeft betrokkene voor € 12.553,06 aan goederen besteld bij de firma [benadeelde 6] . Hij heeft een deel van de bestelling, ter waarde van € 3820,35, op 24 februari meegenomen en nooit betaald. Aangever heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend voor een bedrag van € 3820,35. Dit bedrag is door het hof toegewezen.
Op 12 juni 2021 heeft betrokkene voor € 997,55 aan kleding uitgezocht bij [benadeelde 5] . De rekening moest op naam van zijn bedrijf komen en zou later betaald worden. Betrokkene heeft uiteindelijk slechts een klein gedeelte van de kleding betaald. Een bedrag van € 883,65 is niet-betaald gebleven. Aangever heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend voor een bedrag van € 903,65. Het hof heeft een schadevergoeding van € 883,65 toegewezen.
Op 5 mei 2021 heeft betrokkene aan [benadeelde 9] verzocht om catering te verzorgen. Betrokkene heeft op 8 mei het eten en de benodigde spullen opgehaald, maar heeft vervolgens niet betaald en ook de spullen niet teruggebracht. Het hof heeft de geleden schade op basis van de aangifte geschat op € 1000,00.
Op 22 oktober 2020 heeft betrokkene voor een bedrag van € 651,30 onder meer schoenen en kleding meegekregen bij [bedrijfsnaam 1] . Hij heeft daarbij aangegeven dat zijn boekhouder de volgende dag zou betalen. Het bedrijf heeft nooit een betaling ontvangen.
Op 1 maart 2021 heeft betrokkene PVC-vloeren uitgezocht bij [bedrijfsnaam 3] ter waarde van € 18.400,00. Hij heeft deze vloeren later afgehaald maar nooit betaald.
Het hof zal voor de hoogte van het voordeel aansluiten bij de schadebedragen die aan de benadeelde partijen [benadeelde 10] , [benadeelde 6] , [benadeelde 5] en [benadeelde 9] zijn toegekend in het arrest van 5 juni 2023 en bij de door aangevers [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] in hun aangiften opgevoerde bedragen, nu de goederen waarop de schadebedragen zien in het bezit van verdachte zijn gekomen en het daarmee verband houdende voordeel dus door hem is genoten.
Het hof is van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel het totaal van de hierna genoemde bedragen bedraagt, te weten:
[benadeelde 10] € 6483,17
[benadeelde 6] € 3820,35
[benadeelde 5] € 883,65
[benadeelde 9] € 1000,00
[bedrijfsnaam 1] € 651,30
[bedrijfsnaam 2] € 18.400,00 +
€ 31.238,47
Het hof gaat hierbij voorbij aan het verweer van de raadsvrouw inhoudende dat de schadebedragen zoals die zijn opgevoerd ten aanzien van de aangevers [benadeelde 9] en [benadeelde 6] niet onderbouwd zijn.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 31.238,00 (eenendertigduizend tweehonderdachtendertig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 31.238,00 (eenendertigduizend tweehonderdachtendertig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 624 dagen.
Aldus gewezen door
mr. J. Corthals, voorzitter,
en mr. F.A.M. Bakker en mr. C.H. Zuur, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.P. Keuker, griffier,
en op 5 juni 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005523-22
Uitspraak d.d.: 5 juni 2023
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 6 december 2022 met parketnummer 05-191193-21 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting van dit hof verblijvende in P.I. [verblijfplaats] .
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 mei 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsvrouw, mr. Y. Ameziane, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft de betrokkene bij vonnis van 6 december 2022 – kort gezegd – de verplichting opgelegd tot betaling van € 55.369,52 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 65.179,39 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 55.369,52 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag, waarbij de duur van een eventuele gijzeling ten hoogste drie jaar bedraagt.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair aangevoerd dat betrokkene in de strafzaak vrijgesproken dient te worden van de hem tenlastegelegde feiten. Op grond daarvan heeft de raadsvrouw een afwijzing van de ontnemingsvordering bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit om – in het geval van een bewezenverklaring en een (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen – de bedragen van de toegewezen vorderingen in mindering te brengen op het geschatte bedrag van de ontnemingsvordering.
De raadsvrouw heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de schadebedragen zoals die zijn opgevoerd door de [benadeelde 9] en [benadeelde 6] op geen enkele wijze onderbouwd zijn. Zij heeft aangevoerd dat het niet aannemelijk is geworden dat de genoemde gelden aan verdachte ten goede zijn gekomen.
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 5 juni 2023 (parketnummer 21-005520-22) terzake van – kort gezegd – oplichting (meermalen gepleegd) veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 31.238,00. Bij de beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof uitgegaan van het door de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal met zaakregistratienummer 2021237372 en het aanvullend proces-verbaal met nummer PL0600-2021276894-25. Meer in het bijzonder is het hof uitgegaan van de aangiften door [benadeelde 10] , [benadeelde 6] [benadeelde 5] , [benadeelde 9] , [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] .
Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende:
Op 16 maart 20221 heeft betrokkene voor een bedrag van € 7844,65 aan machines en gereedschap aangeschaft bij de firma [benadeelde 10] . Betrokkene heeft daarbij voorgewend dat hij per bankoverschrijving betaalde, maar deze bleek later vals te zijn. Er is nooit betaald voor de spullen. Aangever heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend voor een bedrag van € 6843,17. Dit bedrag is door het hof toegewezen.
Op 20 februari 2021 heeft betrokkene voor € 12.553,06 aan goederen besteld bij de firma [benadeelde 6] . Hij heeft een deel van de bestelling, ter waarde van € 3820,35, op 24 februari meegenomen en nooit betaald. Aangever heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend voor een bedrag van € 3820,35. Dit bedrag is door het hof toegewezen.
Op 12 juni 2021 heeft betrokkene voor € 997,55 aan kleding uitgezocht bij [benadeelde 5] . De rekening moest op naam van zijn bedrijf komen en zou later betaald worden. Betrokkene heeft uiteindelijk slechts een klein gedeelte van de kleding betaald. Een bedrag van € 883,65 is niet-betaald gebleven. Aangever heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend voor een bedrag van € 903,65. Het hof heeft een schadevergoeding van € 883,65 toegewezen.
Op 5 mei 2021 heeft betrokkene aan [benadeelde 9] verzocht om catering te verzorgen. Betrokkene heeft op 8 mei het eten en de benodigde spullen opgehaald, maar heeft vervolgens niet betaald en ook de spullen niet teruggebracht. Het hof heeft de geleden schade op basis van de aangifte geschat op € 1000,00.
Op 22 oktober 2020 heeft betrokkene voor een bedrag van € 651,30 onder meer schoenen en kleding meegekregen bij [bedrijfsnaam 1] . Hij heeft daarbij aangegeven dat zijn boekhouder de volgende dag zou betalen. Het bedrijf heeft nooit een betaling ontvangen.
Op 1 maart 2021 heeft betrokkene PVC-vloeren uitgezocht bij [bedrijfsnaam 3] ter waarde van € 18.400,00. Hij heeft deze vloeren later afgehaald maar nooit betaald.
Het hof zal voor de hoogte van het voordeel aansluiten bij de schadebedragen die aan de benadeelde partijen [benadeelde 10] , [benadeelde 6] , [benadeelde 5] en [benadeelde 9] zijn toegekend in het arrest van 5 juni 2023 en bij de door aangevers [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] in hun aangiften opgevoerde bedragen, nu de goederen waarop de schadebedragen zien in het bezit van verdachte zijn gekomen en het daarmee verband houdende voordeel dus door hem is genoten.
Het hof is van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel het totaal van de hierna genoemde bedragen bedraagt, te weten:
[benadeelde 10] € 6483,17
[benadeelde 6] € 3820,35
[benadeelde 5] € 883,65
[benadeelde 9] € 1000,00
[bedrijfsnaam 1] € 651,30
[bedrijfsnaam 2] € 18.400,00 +
€ 31.238,47
Het hof gaat hierbij voorbij aan het verweer van de raadsvrouw inhoudende dat de schadebedragen zoals die zijn opgevoerd ten aanzien van de aangevers [benadeelde 9] en [benadeelde 6] niet onderbouwd zijn.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 31.238,00 (eenendertigduizend tweehonderdachtendertig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 31.238,00 (eenendertigduizend tweehonderdachtendertig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 624 dagen.
Aldus gewezen door
mr. J. Corthals, voorzitter,
en mr. F.A.M. Bakker en mr. C.H. Zuur, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.P. Keuker, griffier,
en op 5 juni 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.