Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-05-22
ECLI:NL:GHARL:2023:4318
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
3,366 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.318.293/01
CJIB-nummer
: 240933345
Uitspraak d.d.
: 22 mei 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 12 september 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “als bestuurder de zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindende doorgetrokken streep overschrijden met verkeer in een richting”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 april 2021 om 14:59 uur op de Rijksweg in Schaijk met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde herhaalt in hoger beroep wat hij ook bij de kantonrechter heeft aangevoerd, namelijk dat niet aannemelijk is geworden dat er geen reële mogelijkheid was om de bestuurder staande te houden. De kantonrechter heeft de verwerping van die beroepsgrond in de visie van de gemachtigde niet adequaat gemotiveerd. De gemachtigde stelt verder dat de gedraging niet is verricht. Er was namelijk sprake van een rotonde en niet van ‘verkeer in één richting’. Bovendien was er sprake van een verhoogde rijstrookafscheiding en geldt de gedraging met deze feitcode niet langs de rand van de rijbaanverharding, aldus de gemachtigde.
3. De beroepsgrond omtrent de staandehouding is door de kantonrechter terecht verworpen. De overwegingen die de kantonrechter daaraan ten grondslag heeft gelegd, kunnen zijn beslissing dragen.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag betrokkene rijden over de Rijksweg N324 komende vanuit de richting A50 en gaande in de richting van Grave. Ter hoogte van de rotonde met de Palmstraat bestaat de weg uit 2 rijstroken. Rijstrook 1 is bestemd voor het linksaf slaande verkeer richting Palmstraat. Rijstrook 2 is bestemd voor het rechtdoor gaande verkeer richting Grave. Tussen rijstrook 1 en 2 is een doorgetrokken streep en is een verhoogde rijstrookafscheiding. Betrokkene reed met haar pa (het hof leest: personenauto) eerst van rijstrook 2 naar 1 om vervolgens op de rotonde van rijstrook 1 weer naar rijstrook 2 te rijden. Beide keren reed betrokkene met haar pa over de doorgetrokken streep en over de verhoogde rijstrookafscheiding. (…) Door krachtig remmen kon het verkeer op rijstrook 2 een aanrijding voorkomen.”
6. De gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd (feitcode 617a) is een overtreding van artikel 62 jo. artikel 76, lid 1, eerste volzin, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Artikel 76, lid 1, eerste volzin, RVV 1990 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden.”
7. Het in de eerste volzin van artikel 76, lid 1, RVV 1990 opgenomen verbod is niet beperkt tot situaties waarin sprake is van verkeer in één richting. In de omschrijving van de gedraging met feitcode 617a is de toevoeging ‘verkeer in één richting’ opgenomen om onderscheid te maken met de gedraging met feitcode 617b, waarin voor het overtreden van artikel 76, lid 1, eerste volzin, RVV 1990 een hogere sanctie is gesteld wanneer sprake is van verkeer in beide richtingen.
8. De opvatting van de gemachtigde dat op een rotonde sprake is van verkeer in meerdere richtingen, is onjuist. Op rotondes geldt gelet op artikel 62, juncto bord D1 in Bijlage 1, RVV 1990 een verplichte rijrichting, namelijk tegen de richting van de klok in. Die rijrichting geldt voor alle rijstroken op de rotonde.
9. Het kennelijke standpunt van de gemachtigde dat een doorgetrokken streep die – al dan niet in combinatie met een verhoogde rijstrookscheiding – rijstroken van elkaar scheidt, zich langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, is eveneens onjuist. Een dergelijke doorgetrokken streep bevindt zich nu immers juist niet langs de rand van de rijbaan, maar in het midden daarvan.
10. Op basis van de verklaring van de ambtenaar staat genoegzaam vast dat de gedraging is verricht. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.318.293/01
CJIB-nummer
: 240933345
Uitspraak d.d.
: 22 mei 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 12 september 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “als bestuurder de zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindende doorgetrokken streep overschrijden met verkeer in een richting”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 april 2021 om 14:59 uur op de Rijksweg in Schaijk met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde herhaalt in hoger beroep wat hij ook bij de kantonrechter heeft aangevoerd, namelijk dat niet aannemelijk is geworden dat er geen reële mogelijkheid was om de bestuurder staande te houden. De kantonrechter heeft de verwerping van die beroepsgrond in de visie van de gemachtigde niet adequaat gemotiveerd. De gemachtigde stelt verder dat de gedraging niet is verricht. Er was namelijk sprake van een rotonde en niet van ‘verkeer in één richting’. Bovendien was er sprake van een verhoogde rijstrookafscheiding en geldt de gedraging met deze feitcode niet langs de rand van de rijbaanverharding, aldus de gemachtigde.
3. De beroepsgrond omtrent de staandehouding is door de kantonrechter terecht verworpen. De overwegingen die de kantonrechter daaraan ten grondslag heeft gelegd, kunnen zijn beslissing dragen.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag betrokkene rijden over de Rijksweg N324 komende vanuit de richting A50 en gaande in de richting van Grave. Ter hoogte van de rotonde met de Palmstraat bestaat de weg uit 2 rijstroken. Rijstrook 1 is bestemd voor het linksaf slaande verkeer richting Palmstraat. Rijstrook 2 is bestemd voor het rechtdoor gaande verkeer richting Grave. Tussen rijstrook 1 en 2 is een doorgetrokken streep en is een verhoogde rijstrookafscheiding. Betrokkene reed met haar pa (het hof leest: personenauto) eerst van rijstrook 2 naar 1 om vervolgens op de rotonde van rijstrook 1 weer naar rijstrook 2 te rijden. Beide keren reed betrokkene met haar pa over de doorgetrokken streep en over de verhoogde rijstrookafscheiding. (…) Door krachtig remmen kon het verkeer op rijstrook 2 een aanrijding voorkomen.”
6. De gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd (feitcode 617a) is een overtreding van artikel 62 jo. artikel 76, lid 1, eerste volzin, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Artikel 76, lid 1, eerste volzin, RVV 1990 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden.”
7. Het in de eerste volzin van artikel 76, lid 1, RVV 1990 opgenomen verbod is niet beperkt tot situaties waarin sprake is van verkeer in één richting. In de omschrijving van de gedraging met feitcode 617a is de toevoeging ‘verkeer in één richting’ opgenomen om onderscheid te maken met de gedraging met feitcode 617b, waarin voor het overtreden van artikel 76, lid 1, eerste volzin, RVV 1990 een hogere sanctie is gesteld wanneer sprake is van verkeer in beide richtingen.
8. De opvatting van de gemachtigde dat op een rotonde sprake is van verkeer in meerdere richtingen, is onjuist. Op rotondes geldt gelet op artikel 62, juncto bord D1 in Bijlage 1, RVV 1990 een verplichte rijrichting, namelijk tegen de richting van de klok in. Die rijrichting geldt voor alle rijstroken op de rotonde.
9. Het kennelijke standpunt van de gemachtigde dat een doorgetrokken streep die – al dan niet in combinatie met een verhoogde rijstrookscheiding – rijstroken van elkaar scheidt, zich langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, is eveneens onjuist. Een dergelijke doorgetrokken streep bevindt zich nu immers juist niet langs de rand van de rijbaan, maar in het midden daarvan.
10. Op basis van de verklaring van de ambtenaar staat genoegzaam vast dat de gedraging is verricht. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.