Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-01-17
ECLI:NL:GHARL:2023:396
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
5,398 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.303.284/01
CJIB-nummer
: 234360262
Uitspraak d.d.
: 17 januari 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 28 oktober 2021, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 5 december 2022 is nog een schrijven van de gemachtigde ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid daarop te reageren.
Beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter voorbij is gegaan aan de grond omtrent de standaardbrief door de officier van justitie.
2. Deze grond treft geen doel. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in de procedure bij de kantonrechter heeft aangevoerd dat de officier van justitie het motiveringsbeginsel heeft geschonden, doordat hij een standaardbeslissing gegeven heeft. De officier van justitie is in de beslissing op het administratief beroep ingegaan op de aangevoerde gronden en heeft aangegeven waarom deze geen doel treffen. De kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat niet gebleken is van schending van dit beginsel van behoorlijk bestuur.
3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “als bestuurder handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 juni 2020 om 16:40 uur op de Nijverheidstraat in Enschede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde voert aan dat niet blijkt dat de openbare orde ten grondslag heeft gelegen aan de instelling van de geslotenverklaring, zodat de ambtenaar niet bevoegd was om een sanctie op te leggen. Verder voert de gemachtigde aan dat er gelet op de structurele schending van de hoorplicht door de officier van justitie aanleiding is om over te gaan tot matiging van het sanctiebedrag. De betrokkene had in administratief beroep geen gemachtigde om haar bij te staan.
5. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de sanctie is opgelegd door ambtenaar [naam1] , buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) in het domein openbare ruimte van de gemeente Enschede.
6. Het hof stelt voorop dat het bestaan van de bevoegdheid van de ambtenaar het uitgangspunt is. Dit brengt tevens mee dat ervan wordt uitgegaan dat de ambtenaar blijft binnen de grenzen van de hem toegekende bevoegdheden. Dit betekent dat uit het dossier niet hoeft te blijken met welk doel de geslotenverklaring is ingesteld om te kunnen beoordelen of de boa in het voorliggende geval bevoegd was om de sanctie op te leggen. Dat is slechts anders als op onderbouwde wijze wordt betwist dat de geslotenverklaring in relatie tot het in de domeinlijst vermelde doel is ingesteld (vgl. het arrest van het hof van 26 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3347). Daarvan is hier geen sprake. Deze beroepsgrond treft geen doel.
7. De gemachtigde voert verder aan dat de gedraging niet is begaan. Uit de foto van de gedraging kan niet worden afgeleid dat het de auto van de betrokkene is. De foto is klein, deels zwart en de kentekenplaat is niet te lezen. Op de foto zijn datum, tijdstip en het C-bord op het moment van het passeren niet zichtbaar. Op de foto is te zien dat het voertuig een zone uitrijdt in plaats van inrijdt. Een foto is bovendien een momentopname waarop de auto stilstaat. De auto kan ook nog zijn gedraaid. Daarom kan er geen sanctie worden opgelegd voor het negeren van een geslotenverklaring. Als de gedraging al is begaan, dan is sprake van overmacht, omdat de betrokkene als thuiszorgmedewerker geen andere manier heeft om bij een op de Nijverheidstraat wonende cliënt te komen. Als er spoed is om bij een cliënt te komen is er geen tijd om een ontheffing aan te vragen.
8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld.
9. In het dossier bevinden zich voorts meerdere afdrukken van de foto van de gedraging. De advocaat-generaal heeft een grote en duidelijke afdruk van deze foto overgelegd. Op deze foto is het voertuig met het onder 3. genoemde kenteken te zien, terwijl het voertuig zich bevindt vlak voor het verkeersbord dat het einde van de geslotenverklaring aangeeft. In de databalk onder de foto zijn onder meer datum en tijdstip vermeld.
10. De sanctie is opgelegd voor overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in samenhang met bord C1 van Bijlage 1 van dat reglement.
Artikel 62 van het RVV 1990 luidt: “Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of een verbod inhouden.” Bijlage 1 van het RVV 1990 houdt in dat bord C1 betekent: “gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee.”
11. Artikel 66, tweede lid, van het RVV 1990 luidt:
“Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht zonder aanduiding van het gebied van de zone, geldt het verkeersbord in een gebied dat wordt begrensd door het verkeersbord en een of meer in samenhang met dat verkeersbord geplaatste borden waarmee het einde van de zone wordt aangeduid.”
12. Artikel 1 van het RVV 1990 bepaalt dat in het RVV 1990 en de daarop berustende bepalingen onder geslotenverklaring wordt verstaan: “verbod de betrokken weg in te rijden of in te gaan alsmede de betrokken weg te gebruiken.”
13. Voor zover de gemachtigde betoogt dat de gedraging, te weten het negeren van de geslotenverklaring, niet kan worden vastgesteld als een voertuig de zone uitrijdt, overweegt het hof dat het gelet op de hiervoor genoemde regelgeving niet alleen verboden is om de betrokken weg in te rijden, maar ook is het gebruikmaken van de betrokken weg en daarmee de zone via de betreffende weg te verlaten niet toegestaan. Daarmee kan de gedraging op basis van de gegevens in het dossier worden vastgesteld.
14. Voor zover de gemachtigde een beroep doet op overmacht omdat de betrokkene naar een thuiszorgclient moest en het aanvragen van ontheffingen te lang duurt, overweegt het hof als volgt. Aan een dergelijk beroep dient tenminste de eis te worden gesteld dat feiten of omstandigheden worden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk kan worden dat de betrokkene onder de gegeven omstandigheden niet anders heeft kunnen handelen dan zij heeft gedaan. Aan die eis is in dit geval niet voldaan. De gemachtigde stelt weliswaar dat het voor de betrokkene niet mogelijk was een ontheffing aan te vragen omdat dit weken duurt, maar heeft deze stelling niet onderbouwd. Bovendien blijkt uit openbaar toegankelijke informatie (de website van de gemeente Enschede, https://www.enschede.nl/toegang-tot-stadserf ) dat men bij een incidentele ontheffing direct na aanvraag en betaling toegang heeft tot het stadserf (waar de Nijverheidstraat onder valt).
Dat de betrokkene er kennelijk voor gekozen heeft om geen (incidentele) ontheffing aan te vragen, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene dienen te blijven. Het beroep op overmacht wordt dan ook verworpen.
15. Ten aanzien van de schending van de hoorplicht door de officier van justitie merkt het hof het volgende op. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 22 november 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:9934) oordeelt het hof dat de betrokkene - die in administratief beroep zonder (professioneel) gemachtigde procedeerde - door de schending van de hoorplicht in haar belangen is geschaad en dat zij hiervoor dient te worden gecompenseerd. Het hof ziet hierin aanleiding om het bedrag van de administratieve sanctie te matigen met vijfentwintig procent.
16. De omstandigheid dat de hoorplicht is geschonden, leidt er toe dat de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie geen stand kunnen houden. Het beroep tegen de inleidende beschikking zal het hof, gelet op het hiervoor vermelde, gedeeltelijk gegrond verklaren.
17. Nu het bedrag van de sanctie wordt gematigd, wordt de betrokkene in het gelijkgesteld als bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336, en komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter, het indienen van het beroepschrift bij het hof en het indienen van een nadere toelichting op het hoger beroep dienen in totaal 3,5 punten te worden toegekend.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 71,25;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv teveel tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.464,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.303.284/01
CJIB-nummer
: 234360262
Uitspraak d.d.
: 17 januari 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 28 oktober 2021, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 5 december 2022 is nog een schrijven van de gemachtigde ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid daarop te reageren.
Beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter voorbij is gegaan aan de grond omtrent de standaardbrief door de officier van justitie.
2. Deze grond treft geen doel. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in de procedure bij de kantonrechter heeft aangevoerd dat de officier van justitie het motiveringsbeginsel heeft geschonden, doordat hij een standaardbeslissing gegeven heeft. De officier van justitie is in de beslissing op het administratief beroep ingegaan op de aangevoerde gronden en heeft aangegeven waarom deze geen doel treffen. De kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat niet gebleken is van schending van dit beginsel van behoorlijk bestuur.
3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “als bestuurder handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 juni 2020 om 16:40 uur op de Nijverheidstraat in Enschede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde voert aan dat niet blijkt dat de openbare orde ten grondslag heeft gelegen aan de instelling van de geslotenverklaring, zodat de ambtenaar niet bevoegd was om een sanctie op te leggen. Verder voert de gemachtigde aan dat er gelet op de structurele schending van de hoorplicht door de officier van justitie aanleiding is om over te gaan tot matiging van het sanctiebedrag. De betrokkene had in administratief beroep geen gemachtigde om haar bij te staan.
5. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de sanctie is opgelegd door ambtenaar [naam1] , buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) in het domein openbare ruimte van de gemeente Enschede.
6. Het hof stelt voorop dat het bestaan van de bevoegdheid van de ambtenaar het uitgangspunt is. Dit brengt tevens mee dat ervan wordt uitgegaan dat de ambtenaar blijft binnen de grenzen van de hem toegekende bevoegdheden. Dit betekent dat uit het dossier niet hoeft te blijken met welk doel de geslotenverklaring is ingesteld om te kunnen beoordelen of de boa in het voorliggende geval bevoegd was om de sanctie op te leggen. Dat is slechts anders als op onderbouwde wijze wordt betwist dat de geslotenverklaring in relatie tot het in de domeinlijst vermelde doel is ingesteld (vgl. het arrest van het hof van 26 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3347). Daarvan is hier geen sprake. Deze beroepsgrond treft geen doel.
7. De gemachtigde voert verder aan dat de gedraging niet is begaan. Uit de foto van de gedraging kan niet worden afgeleid dat het de auto van de betrokkene is. De foto is klein, deels zwart en de kentekenplaat is niet te lezen. Op de foto zijn datum, tijdstip en het C-bord op het moment van het passeren niet zichtbaar. Op de foto is te zien dat het voertuig een zone uitrijdt in plaats van inrijdt. Een foto is bovendien een momentopname waarop de auto stilstaat. De auto kan ook nog zijn gedraaid. Daarom kan er geen sanctie worden opgelegd voor het negeren van een geslotenverklaring. Als de gedraging al is begaan, dan is sprake van overmacht, omdat de betrokkene als thuiszorgmedewerker geen andere manier heeft om bij een op de Nijverheidstraat wonende cliënt te komen. Als er spoed is om bij een cliënt te komen is er geen tijd om een ontheffing aan te vragen.
8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld.
9. In het dossier bevinden zich voorts meerdere afdrukken van de foto van de gedraging. De advocaat-generaal heeft een grote en duidelijke afdruk van deze foto overgelegd. Op deze foto is het voertuig met het onder 3. genoemde kenteken te zien, terwijl het voertuig zich bevindt vlak voor het verkeersbord dat het einde van de geslotenverklaring aangeeft. In de databalk onder de foto zijn onder meer datum en tijdstip vermeld.
10. De sanctie is opgelegd voor overtreding van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in samenhang met bord C1 van Bijlage 1 van dat reglement.
Artikel 62 van het RVV 1990 luidt: “Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of een verbod inhouden.” Bijlage 1 van het RVV 1990 houdt in dat bord C1 betekent: “gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee.”
11. Artikel 66, tweede lid, van het RVV 1990 luidt:
“Indien boven een verkeersbord het woord «zone» is aangebracht zonder aanduiding van het gebied van de zone, geldt het verkeersbord in een gebied dat wordt begrensd door het verkeersbord en een of meer in samenhang met dat verkeersbord geplaatste borden waarmee het einde van de zone wordt aangeduid.”
12. Artikel 1 van het RVV 1990 bepaalt dat in het RVV 1990 en de daarop berustende bepalingen onder geslotenverklaring wordt verstaan: “verbod de betrokken weg in te rijden of in te gaan alsmede de betrokken weg te gebruiken.”
13. Voor zover de gemachtigde betoogt dat de gedraging, te weten het negeren van de geslotenverklaring, niet kan worden vastgesteld als een voertuig de zone uitrijdt, overweegt het hof dat het gelet op de hiervoor genoemde regelgeving niet alleen verboden is om de betrokken weg in te rijden, maar ook is het gebruikmaken van de betrokken weg en daarmee de zone via de betreffende weg te verlaten niet toegestaan. Daarmee kan de gedraging op basis van de gegevens in het dossier worden vastgesteld.
14. Voor zover de gemachtigde een beroep doet op overmacht omdat de betrokkene naar een thuiszorgclient moest en het aanvragen van ontheffingen te lang duurt, overweegt het hof als volgt. Aan een dergelijk beroep dient tenminste de eis te worden gesteld dat feiten of omstandigheden worden aangevoerd op grond waarvan aannemelijk kan worden dat de betrokkene onder de gegeven omstandigheden niet anders heeft kunnen handelen dan zij heeft gedaan. Aan die eis is in dit geval niet voldaan. De gemachtigde stelt weliswaar dat het voor de betrokkene niet mogelijk was een ontheffing aan te vragen omdat dit weken duurt, maar heeft deze stelling niet onderbouwd. Bovendien blijkt uit openbaar toegankelijke informatie (de website van de gemeente Enschede, https://www.enschede.nl/toegang-tot-stadserf ) dat men bij een incidentele ontheffing direct na aanvraag en betaling toegang heeft tot het stadserf (waar de Nijverheidstraat onder valt).
Dat de betrokkene er kennelijk voor gekozen heeft om geen (incidentele) ontheffing aan te vragen, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene dienen te blijven. Het beroep op overmacht wordt dan ook verworpen.
15. Ten aanzien van de schending van de hoorplicht door de officier van justitie merkt het hof het volgende op. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 22 november 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:9934) oordeelt het hof dat de betrokkene - die in administratief beroep zonder (professioneel) gemachtigde procedeerde - door de schending van de hoorplicht in haar belangen is geschaad en dat zij hiervoor dient te worden gecompenseerd. Het hof ziet hierin aanleiding om het bedrag van de administratieve sanctie te matigen met vijfentwintig procent.
16. De omstandigheid dat de hoorplicht is geschonden, leidt er toe dat de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie geen stand kunnen houden. Het beroep tegen de inleidende beschikking zal het hof, gelet op het hiervoor vermelde, gedeeltelijk gegrond verklaren.
17. Nu het bedrag van de sanctie wordt gematigd, wordt de betrokkene in het gelijkgesteld als bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336, en komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter, het indienen van het beroepschrift bij het hof en het indienen van een nadere toelichting op het hoger beroep dienen in totaal 3,5 punten te worden toegekend.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 71,25;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv teveel tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.464,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.