Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-12-21
ECLI:NL:GHARL:2023:10854
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
1,825 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.328.214/01
CJIB-nummer
: 237466978
Uitspraak d.d.
: 21 december 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 4 april 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “rechts inhalen waar dat verboden is”. Deze gedraging zou zijn verricht op 31 oktober 2020 om 15:36 uur op de Rijksweg A4 in Leiden met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat er een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond, zodat ten onrechte is bekeurd op kenteken. Uit de verklaring van de verbalisant volgt dat de verbalisant heeft afgezien van een staandehouding vanwege ‘grote hoeveelheid overtreders’. De verbalisant zou echter hebben gezien dat de bestuurder rechts heeft ingehaald, zodat niet valt in te zien waarom de verbalisant de bestuurder niet aanspreekt. Nu de verbalisant niet had mogen afzien van staandehouding, komt de inleidende beschikking voor vernietiging in aanmerking aldus de gemachtigde. De gemachtigde wijst voorts op de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling in eerste aanleg en verzoekt daarom het hof de sanctie te matigen.
3. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik (…) zag dat (…) betrokkene meereed in een groep motorrijders. Ter plaatse bestaat de weg uit meerdere rijstroken. Ter plaatse is de toegestane maximum snelheid 100 kilometer per uur. Ik zag dat het overige verkeer over alle rijstroken met een normale snelheid reed. Ik zag dat een groepje motorrijders achter elkaar tussen het verkeer doorreed (…) en daarbij diverse voertuigen rechts inhaalde. Ik zag dat een van de motoren was voorzien van het kenteken [kenteken] . Ik had vrij zicht. (…) Soort weg: autosnelweg.
Reden geen staandehouding: staandehouding niet mogelijk.”
5. In het dossier bevindt zich voorts een proces-verbaal van 9 januari 2021, waarin de ambtenaar op ambtsbelofte - zakelijk weergegeven – als volgt verklaart:
Op 31 oktober 2020 was ik belast met inzet op een grote groep motorrijders. De groep vertoonde gevaarlijk rijgedrag waarover diverse meldingen zijn binnengekomen bij de politie. Meerdere eenheden werden ingezet. Vanwege de hoeveelheid motorrijders die de verschillende regels negeerden heb ik middels de mobilofoon diverse kentekens doorgegeven die vervolgens werden genoteerd. Een van deze kentekens betrof het kenteken [kenteken] . Ik heb maar 1 motorrijder staande kunnen houden die onderdeel uit maakte van de betreffende groep
6. De hiervoor weergegeven verklaring van de ambtenaar sluit op zichzelf de feitelijke mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig niet uit, maar deze mogelijkheid moet ook reëel zijn. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat hij zich geconfronteerd zag met een grote groep motorrijders, waarbij verschillende van die motorrijders zich aan een verkeersovertreding schuldig maakten. Onder de door de ambtenaar geschetste omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de ambtenaar in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen om af te zien van staandehouding van de bestuurder van het voertuig. De sanctie is terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. Deze grond faalt.
7. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is op 12 november 2020 aan de betrokkene toegezonden en de procedure in eerste aanleg is eerst geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 4 april 2023. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
8. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen op de zitting van de kantonrechter dienen 2 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 837,-.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd
in € 180,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 837,-.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.