Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-12-21
ECLI:NL:GHARL:2023:10838
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,722 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.324.886/01
CJIB-nummer
: 240945596
Uitspraak d.d.
: 21 december 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 16 februari 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. Er is daarnaast gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 december 2023. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “negeren inhaalverbod: bord F1”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 april 2021 om 17:58 uur op de Bredyk in Koarnjum met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep onder andere aan dat op grond van de verklaring van de ambtenaar niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt slechts dat “een voertuig” zou zijn ingehaald, terwijl bij het beweerdelijk verbod het inhalen van landbouwvoertuigen is uitgezonderd. Daarbij komt dat het bord op ongeveer 100 meter na de rotonde staat, terwijl het inhalen “vlak na de rotonde” geschiedde. Daaruit volgt niet dat het bord al was gepasseerd toen het inhalen van het (mogelijke landbouwvoertuig) plaatsvond. Ook is sprake van een groot aantal zijwegen, waarna het bord niet wordt herhaald. De feitcode kan niet worden gewijzigd. Er is inmiddels sprake van een tijdsverloop van meer dan twee jaren en in de procedure bij de kantonrechter heeft [naam2] , die toen als vertegenwoordiger van de officier van justitie optrad en ook optreedt als vertegenwoordiger van de advocaat-generaal, niet om die wijziging verzocht. Nu de bestuurder niet is staandegehouden is ook
sprake van schending van het verdedigingsbelang. Ook is sprake van een ten dele ander feitencomplex, nu het aanvankelijk zou gaan om een bord F1 en nu om een doorgetrokken streep. Daar ligt een geheel andere rechtsregel aan ten grondslag.
3. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof een gewijzigd standpunt ingenomen en stelt zich primair op het standpunt dat de gedraging op basis van de verklaring van de ambtenaar en het zaakoverzicht kan worden vastgesteld. Het bord F1 stond ongeveer 100 meter na de rotonde en is voor bestuurders die op de rotonde rijden goed zichtbaar. De betrokkene had daarom kunnen weten dat hij de dubbele doorgetrokken streep na de rotonde niet mocht overschrijden. Ook als de betrokkene al vóór het bord F1 is gaan inhalen, dan kon hij de inhaalmanouevre pas voltooien na het bord F1 te zijn gepasseerd en heeft hij de gedraging verricht.
Schending van de hoorplicht hoeft niet te leiden tot een matiging van het bedrag van de sanctie met 25%. Subsidiair verzoekt de advocaat-generaal om de inleidende beschikking te wijzigen in die zin dat een sanctie van € 250,- wordt opgelegd voor (feitcode R617B): als bestuurder de doorgetrokken streep overschrijden (verkeer in beide richtingen). De betrokkene wordt door deze wijziging niet in zijn belangen geschaad. Al in de procedure bij de kantonrechter is aan de orde gekomen dat ter plaatse een dubbele doorgetrokken streep aanwezig was en hij weet dus waartegen hij zich heeft te verdedigen. In dat geval bestaat aanleiding voor een proceskostenvergoeding, maar niet voor de fase van het administratief beroep want dat is door de betrokkene zelf ingesteld.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het een permanent ingesteld inhaalverbod betrof. Onderbord inhalen van motorvoertuigen die niet sneller kunnen en mogen dan 25 km/u toegestaan.
Overtreden artikel: 62 jo. bord F1 RVV 1990. (…).
Reden geen staandehouding: verbalisant reed in privévoertuig niet voorzien van een stop transparant.”
6. De ambtenaar verklaart in zijn proces-verbaal van 7 februari 2023, dat ter zitting van de kantonrechter is overgelegd:
“Op woensdag 28 april 2021 omstreeks 17:58 uur, reed ik verbalisant als bestuurder van mijn privévoertuig over de Bredyk te Koarnjum, komende uit de richting van Leeuwarden en gaande in de richting van Stiens. Ter hoogte van Koarnjum, vlak na de rotonde aldaar aanwezig op de Bredyk, zag ik de bestuurder van een motorfiets voorzien van het kenteken [kenteken] over de dubbele doorgetrokken streep een voertuig inhalen. Ik zag rechts in de berm, naar schatting honderd meter na de rotonde, bord F1 (inhaalverbod) met het onderbord ‘inhalen landbouwverkeer toegestaan’.”
7. De ambtenaar verklaart in zijn proces-verbaal van 5 juli 2023 dat hij zich kan herinneren dat de bestuurder tenminste één auto inhaalde. Hij weet zeker dat het geen landbouwvoertuig was. Verder verklaart hij:
“Ik verbalisant weet dat de bestuurder van de motorfiets vlak na de rotonde bij Koarnjum in de richting van Stiens de auto heeft ingehaald over een dubbele doorgetrokken streep. Ik weet niet meer of dit nog voor het bord F1 was. Er zijn op deze weg, dus na de rotonde, geen zijwegen meer, althans tot de afslag richting Beetgummermolen. Deze afslag ligt ongeveer 400 meter na de rotonde bij
Koarnjum. Bord F1 wordt meerdere malen herhaald op de Bredyk, komende vanaf Leeuwarden en gaande richting Stiens.”
8. Het hof is van oordeel dat nu de ambtenaar verklaart dat hij niet meer weet of de bestuurder van de motorfiets de inhaalmanoeuvre heeft ingezet tussen de rotonde en het bord F1 of na het passeren van het bord F1, niet kan worden vastgesteld dat de onder 1 vermelde gedraging is verricht.
De stelling van de advocaat-generaal dat als de betrokkene de inhaalmanoeuvre heeft ingezet vóór het bord F1, hij deze na het bord F1 moet hebben voltooid, is niet aannemelijk gemaakt.
9. Op basis van de verklaring van de ambtenaar kan wel worden vastgesteld dat de bestuurder van de motorfiets een dubbele doorgetrokken streep heeft overschreden. Dit betreft een overtreding van artikel 76, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, dat luidt:
“Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden. Bestuurders mogen zich niet links van een doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen.”
10. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de inleidende beschikking kan worden gewijzigd.
11. Volgens vaste jurisprudentie van het hof is het geoorloofd om de feitcode te wijzigen indien de betrokkene daardoor niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. De betrokkene heeft zich de gehele procedure verweerd tegen een sanctie in verband met het negeren van een bord F1. Hoewel de hoogte van het bedrag van de sanctie voor de beide feitcodes gelijk is en het negeren van een inhaalverbod kan samenhangen met het overschrijden van een doorgetrokken streep, is het schenden van het met bord F1 aangeduide inhaalverbod een zodanig andere gedraging, dat het hof van oordeel is dat niet kan worden gezegd dat de betrokkene door een wijziging van de feitcode niet in zijn belangen is geschaad.
12. Het voorgaande leidt ertoe dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Dat leidt tot de hieronder vermelde beslissing en brengt mee dat de overige bezwaren die zijn aangevoerd tegen de beslissing van de kantonrechter niet meer besproken hoeven te worden.
13. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van het beroepschrift en de nadere toelichting bij het hof en het bijwonen van de zitting van het hof dienen in totaal 3,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het beroep en hoger beroep € 837,-.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.464,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.