Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-12-15
ECLI:NL:GHARL:2023:10639
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,337 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.323.861/01
CJIB-nummer
: 238036270
Uitspraak d.d.
: 15 december 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 1 december 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 1 december 2023. De betrokkene is verschenen. Als getuige is verschenen D. Roossien. De getuige is ter zitting gehoord. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
Beoordeling
2. De betrokkene voert aan dat de procedure onzorgvuldig is verlopen. Eerder in de procedure is de ambtenaar verzocht om middels een aanvullend proces-verbaal meer duidelijkheid te geven in de onderhavige zaak. Op 25 augustus 2022 ontving de betrokkene een brief van de officier van justitie met de mededeling dat de ambtenaar niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft gereageerd, maar tijdens de zitting van de kantonrechter van 15 november 2022 werd alsnog een aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar overgelegd. De betrokkene stelt dat er alle gelegenheid was om hem voorafgaand aan de zitting het proces-verbaal te doen toekomen, aangezien het parket CVOM het stuk al op 28 oktober 2022 had ontvangen. Dat dit niet is gebeurd klemt te meer, nu uit het proces-verbaal blijkt dat de ambtenaar melding heeft gemaakt van geweld tegen politie. Een dergelijk ernstige beschuldiging kan niet onweersproken blijven. De betrokkene verzoekt het hof de ambtenaar op te roepen voor de zitting. Verder stelt de betrokkene dat er wel degelijk sprake was van bijzondere omstandigheden, aangezien zich in de gestrande auto een baby van ongeveer drie maanden bevond die niet te lang in de kou kon blijven.
3. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Hierin is voor zover relevant bepaald dat de bestuurder van een motorrijtuig verplicht is om op de eerste vordering van de in artikel 159 van de WVW 1994 bedoelde personen dat motorrijtuig te doen stilhouden, alsmede het rijbewijs behoorlijk ter inzage af te geven.
4. Artikel 160 van de WVW 1994 regelt het toezicht dat, of de controle die, wordt verricht om na te gaan of de regels gesteld bij of krachtens de WVW 1994 worden nageleefd. In dit kader is de bestuurder van het voertuig verplicht om bij een controle het rijbewijs af te geven, zodat op een eenvoudige wijze kan worden gecontroleerd of de bestuurder het voertuig mag besturen. Met de term ‘op eerste vordering’ wordt beoogd weggebruikers duidelijk te maken dat aan de desbetreffende vordering onverwijld gevolg moet worden gegeven zonder voorafgaande inbrenging van bezwaren of weigeringen om daaraan gevolg te geven, waardoor de opsporingsambtenaar tot herhaling van zijn vordering zou worden genoopt (vgl. Hoge Raad, 4 mei 1965, NJ 1965, 294).
5. De betrokkene ontkent niet dat hij niet op eerste vordering van de ambtenaar zijn rijbewijs ter inzage heeft afgegeven. De gedraging staat vast. Gelet op hetgeen de betrokkene aanvoert dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
6. Naar het oordeel van het hof zijn deze redenen er niet. Dat zich in de gestrande auto een baby bevond die niet te lang in de kou kon blijven - wat het hof wil aannemen - maakt niet dat het de betrokkene niet kan worden verweten de onderhavige gedraging te hebben verricht. Het door de betrokkene geschetste scenario ontheft de betrokkene niet van de verplichting tot het tonen van zijn rijbewijs op vordering van de ambtenaar.
7. Met betrekking tot de grond dat de procedure onzorgvuldig is verlopen omdat de betrokkene pas ter zitting van de kantonrechter van 15 november 2022 werd geconfronteerd met de aanvullende verklaring van de ambtenaar terwijl het Parket CVOM al op 28 oktober 2022 over het stuk beschikte, overweegt het hof als volgt. Hoewel aan de betrokkene kan worden toegegeven dat de aanvullende verklaring (mogelijk) ook op voorhand aan de betrokkene verstrekt had kunnen worden, betekent dit niet dat nu dit niet is gebeurd hier enige consequentie aan verbonden moet te worden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat de betrokkene ter zitting de gelegenheid heeft gehad het woord te voeren en zijn zienswijze nader toe te lichten. Verder heeft de kantonrechter de betrokkene in de gelegenheid gesteld om te reageren op de aanvullende verklaring van de ambtenaar. Indien de betrokkene zich overvallen voelde door de inhoud van de aanvullende verklaring en meer tijd nodig had om adequaat te reageren, had hij kunnen vragen om aanhouding van de behandeling van de zaak. Dat heeft de betrokkene niet gedaan. Niet valt in te zien dat de betrokkene door genoemde onzorgvuldigheid in zijn belangen is geschaad.
8. Tijdens de zitting heeft de betrokkene ook de klacht over de bejegening door de ambtenaar naar voren gebracht. De betrokkene heeft kenbaar gemaakt dat hij kort na het voorval een klacht heeft ingediend bij de eenheid waar de ambtenaar deel van uitmaakt. Dat is de hiervoor aangewezen procedure. Voor zover de betrokkene heeft verzocht de ambtenaar als getuige te doen horen om de inhoud van de aanvullende verklaring te bespreken en de beweringen die daarin zijn gedaan over het geweld tegen de politie, overweegt het hof als volgt. In deze procedure ligt de vraag ter beoordeling voor of de gedraging is verricht en of daarvoor terecht een sanctie is opgelegd. Nu die vraag positief wordt beantwoord ziet het hof geen reden de ambtenaar als getuige te horen, omdat de bejegening door de ambtenaar niet ter beoordeling van het hof staat. Het voorgaande brengt mee dat het verzoek om de ambtenaar op te roepen als getuige wordt afgewezen.
9. Het hof stelt tot slot ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De betrokkene is op 22 november 2020 staandegehouden en de procedure in eerste aanleg is eerst met de beslissing van de kantonechter van 1 december 2022 geëindigd. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
10. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van reiskosten. Uit voormeld arrest (vgl. ov. 22) vloeit voort dat de reiskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden nu voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betekent dat de betrokkene een reiskostenvergoeding wordt toegekend voor het bijwonen van de zitting bij de kantonrechter. Er is geen aanleiding voor vergoeding van (reis)kosten van de betrokkene en de getuige voor het bijwonen van de zitting bij het hof. De reiskosten worden op grond van artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 vergoed op basis van openbaar vervoer tweede klasse. Dit is € 10,88, namelijk per bus/trein van het woonadres van de betrokkene in Noordlaren naar Groningen en weer terug (= 2 x € 5,44).
11. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op € 71,25;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de reiskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 10,88.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.