Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-12-05
ECLI:NL:GHARL:2023:10332
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,223 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.324.780/01
CJIB-nummer
: 234786081
Uitspraak d.d.
: 5 december 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 juli 2020 om 13:50 uur op de Crooswijksestraat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. Namens de betrokkene wordt de gedraging ontkend. De verklaringen van de ambtenaar in het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal zijn inconsistent. Zo volgt uit het zaakoverzicht dat bij de staandehouding de telefoon is herkend als het apparaat dat tijdens het rijden is waargenomen, terwijl uit het aanvullend proces-verbaal volgt dat de ambtenaar die de gedraging heeft waargenomen de staandehouding niet heeft verricht. Vanwege de gerede twijfel die dit oproept, kan de gedraging niet worden vastgesteld.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een iPhone met de rechterhand vasthield. Ik zag namelijk dat de bestuurder van de Renault Kangoo Express, voorzien van kenteken [kenteken] , een elektronisch apparaat gebruikte tijdens het besturen van het motorvoertuig. Ik zag dat de bestuurder de telefoon in zijn rechterhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een iPhone betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden. (…)Naam van ambtenaar 1: [naam1] . (…)Naam van ambtenaar 2: [naam2] . (…)Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…) Verklaring betrokkene: ik ben aan het werk, ik gebruikte mijn navigatie.”
5. In een aanvullend proces-verbaal van 13 november 2020 verklaart de ambtenaar – voor zover hier relevant – het volgende:
“Op vrijdag 3 juli 2020 was ik, ambtenaar [naam1] , belast met toezicht houden van de gedragingen in het verkeer. Mijn rol in deze taak was dat ik als spotter fungeerde. Kort gezegd houdt dit in dat ik in burger was gekleed en ik in contact stond met mijn collega’s verderop in de straat. Wanneer ik een gedraging zou spotten, gericht op het niet dragen van een autogordel of het gebruik maken van een mobiel elektronisch apparaat, zou ik dit feit doorgeven aan de dienstdoende collega. Hierbij vermeld ik het kenteken van het voertuig, de gedraging en de kenmerken hiervan. Ik bevond mij op de Crooswijksestraat, vlakbij en aan de zijde van de Crooswijkseweg. (…) Daarna zag ik dat de betrokkene een elektronisch apparaat in zijn rechterhand vasthield. Ik gaf deze gedraging door aan mijn collega. Mijn collega, ambtenaar [naam2] , hield de betrokkene staande op de Crooswijksestraat. (…)”
6. Zoals het hof heeft geoordeeld in zijn arrest van 4 juli 2022, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2022:5641, kan in een situatie als deze, waarin de ambtenaar die de gedraging waarneemt een ander is dan de ambtenaar die de staandehouding verricht, de verklaring in het zaakoverzicht dat de ambtenaar bij staandehouding zag dat het een mobiel elektronisch apparaat betrof dat hij herkende als het apparaat dat de bestuurder rijdend heeft vastgehouden, zonder nadere toelichting niet als juist worden aangemerkt en daarmee niet bijdragen aan de vaststelling van de gedraging. Herkennen veronderstelt dat de ambtenaar reeds eerder kennis heeft genomen van de bijzonderheden van het voorwerp en aan de hand van die bijzonderheden de overeenkomst kan bepalen met het mobiele elektronische apparaat die hij bij de staandehouding aantreft. Dat daarvan hier sprake is, blijkt niet uit de gegevens in het dossier.
7. Dit brengt evenwel niet mee dat de gedraging hier niet kan worden vastgesteld. Het hof is van oordeel dat op grond van de verklaring van ambtenaar [naam1] dat hij zag dat de betrokkene tijdens het rijden een telefoon vasthield met zijn rechterhand en dit feit heeft doorgegeven aan zijn collega ambtenaar [naam2] die vervolgens de betrokkene heeft staandegehouden en geconstateerd heeft dat de betrokkene een iPhone bij zich had, kan worden vastgesteld dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat, te weten een mobiele telefoon van het merk iPhone, heeft vastgehouden. De verklaring van de betrokkene bij de staandehouding, dat hij zijn navigatie heeft gebruikt kan in het licht van de waarnemingen van de beide ambtenaren niet anders worden verstaan dan dat de betrokkene de navigatie op zijn mobiele telefoon heeft gebruikt. Deze verklaring vormde geen aanleiding voor nader onderzoek naar de vraag welk apparaat tijdens het rijden werd vastgehouden.
8. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is verzonden op 17 juli 2020 en de kantonrechter heeft op 21 februari 2023 op het beroep beslist. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
9. Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als hierna vermeld.
10. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 837,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 837,-.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt vastgesteld op € 180;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 837,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.