Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-11-27
ECLI:NL:GHARL:2023:10020
Strafrecht
Hoger beroep
4,664 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
AV-nummer: 000763-23
Uitspraak d.d.: 27 november 2023
Beschikking van de meervoudige raadkamer op het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, d.d. 22 maart 2023 op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering van:
[appellante]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
domicilie kiezende aan de [woonadres] [postcode] te [woonplaats] ,
ten kantore van haar raadsman mr. J.F.M. Wasser,
hierna te noemen: appellante.
Procesgang
Bij een op 22 augustus 2022 door de rechtbank ontvangen verzoekschrift heeft appellante gevraagd om vergoeding uit 's Rijks kas van € 3.355,33 voor in een feitenonderzoek op grond van artikel 511a, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, tegen haar gemaakte kosten van rechtsbijstand, zoals nader in het verzoekschrift aangegeven. Daarnaast heeft appellante verzocht om een vergoeding voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift.
De rechtbank heeft zich bij voormelde beschikking onbevoegd verklaard het verzoek te behandelen en de zaak verwezen naar de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven .
Namens appellante is op 13 april 2023 hoger beroep tegen die beslissing ingesteld.
Het hoger beroep is door het hof op 16 oktober 2023 in het openbaar in raadkamer behandeld, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en namens appellante mr. J.F.M. Wasser.
Feiten
Op 10 juli 2022 is appellante als opsporingsambtenaar (hondengeleider) betrokken geweest bij de aanhouding van een verdachte in [plaats] . Appellante heeft daarbij geweld toegepast door de inzet van een politie-surveillancehond en de verdachte heeft daardoor lichamelijk letsel opgelopen.
De Rijksrecherche heeft op 11 juli 2022 op grond van artikel 511a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering een feitenonderzoek ingesteld naar de toedracht van de geweldsaanwending door appellante.
Op 4 augustus 2022 heeft het Openbaar Ministerie een beslissing genomen waarin wordt vermeld dat uit het feitenonderzoek is gebleken dat appellante heeft gehandeld binnen de grenzen van de geweldsinstructie en dat geen vervolging jegens haar zal worden ingesteld.
Standpunt van appellante
Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat dit hof bevoegd is kennis te nemen van het verzoekschrift, omdat de rechtbank Midden-Nederland als eerste feitelijke instantie bevoegd was te oordelen over het verzoek. Daartoe heeft mr. Wasser – kort samengevat – naar voren gebracht dat ingevolge artikel 530 lid 4 juncto artikel 529 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd of in geval van vervolging zou worden vervolgd bevoegd is kennis te nemen van het verzoek. Nu artikel 2 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (kort gezegd) de rechtbank Midden-Nederland bevoegd verklaart om als ‘blauwe kamer’ kennis te nemen van strafzaken waarin opsporingsambtenaren worden vervolgd naar aanleiding van in de uitoefening van hun functie gebruikt geweld, zou appellante - indien zij zou worden vervolgd - voor de rechtbank Midden-Nederland worden vervolgd. Bovendien dient het feitenonderzoek te worden gezien als de eerste fase van het proces dat is gericht op de vaststelling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid en als zodanig houdt het feitenonderzoek rechtstreeks verband met de strafzaak. Voorts is namens appellante gewezen op artikel 27 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, dat (kort gezegd) bepaalt dat aan de bij een feitenonderzoek betrokken opsporingsambtenaar dezelfde rechten toekomen als aan een verdachte.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant weliswaar ontvankelijk is in haar beroep maar dat het hof niet bevoegd is kennis te nemen van het verzoekschrift, omdat de rechtbank MiddenNederland als eerste feitelijke instantie niet bevoegd was om kennis te nemen van het verzoek. Artikel 2 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering is in het onderhavige geval volgens de advocaat-generaal niet van toepassing nu geen sprake is (geweest) van een strafrechtelijke vervolging van appellante. Ten aanzien van appellante heeft enkel een feitenonderzoek als bedoeld in artikel 511a van het Wetboek van Strafvordering plaatsgevonden. Dat feitenonderzoek is er slechts op gericht om te onderzoeken of het door een politieambtenaar toegepaste geweld is gebruikt overeenkomstig de geweldsinstructie. Van een verdenking van een strafbaar feit is geen sprake, zodat het feitenonderzoek ook niet gelijk kan worden gesteld met een strafrechtelijke vervolging. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld, dat appellante niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek op grond van de argumenten die in het kader van de bevoegdheid naar voren zijn gebracht en onder verwijzing naar wat in eerste aanleg door de officier van justitie in het kader van de ontvankelijkheid naar voren werd gebracht.
Oordeel van het hof
De relatieve bevoegdheid
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de rechtbank Midden-Nederland (bij uitsluiting) bevoegd is om kennis te nemen van een verzoekschrift tot vergoeding van de kosten van een raadsman die zijn gemaakt door appellante gedurende het feitenonderzoek, als na afsluiting van het feitenonderzoek door de officier van justitie is beslist dat appellante niet zal worden vervolgd.
De wet
Op 1 juli 2022 is de ‘Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het opnemen van een specifieke strafuitsluitingsgrond voor opsporingsambtenaren die geweld hebben gebruikt in de rechtmatige uitoefening van hun taak en een strafbaarstelling van schending van de geweldsinstructie en wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met het opnemen van een grondslag voor het doen van strafrechtelijk onderzoek naar geweldgebruik door opsporingsambtenaren’ (hierna: de Wet geweldsaanwending opsporingsambtenaar) in werking getreden.
Met de inwerkingtreding van die wet zijn onder meer de artikelen 2 en 27 van het Wetboek van Strafvordering uitgebreid met een derde lid en is het nieuwe artikel 511a van het Wetboek van Strafvordering toegevoegd.
De relevante wetsartikelen luiden, voor zover hier van belang, als volgt:
Artikel 2, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover hier van belang, luidt als volgt:
De rechtbank Midden-Nederland is bij uitsluiting bevoegd indien een ambtenaar, aan wie bij of krachtens artikel 7, eerste of negende lid, van de Politiewet 2012 de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend, wordt vervolgd naar aanleiding van het in de uitoefening van zijn functie gebruiken van geweld.
Art. 530, eerste, tweede en vierde lid:
2. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens voor zover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de kosten van een raadsman.
4. De artikelen 529, tweede tot en met vijfde lid, 534 en 535 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 529, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover hier van belang, luidt als volgt:
Het bedrag van de vergoeding wordt op verzoek van de gewezen verdachte of zijn erfgenamen vastgesteld. Het verzoek moet worden ingediend binnen drie maanden na het eindigen van de zaak. De vaststelling geschiedt bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd.
Artikel 27, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover hier van belang, luidt als volgt:
De aan de verdachte toekomende rechten komen tevens toe aan de ambtenaar die in de uitoefening van zin functie geweld heeft gebruikt en ten aanzien van welk geweldgebruik een feitenonderzoek als bedoeld iii artikel 511a is ingesteld.
Artikel 511 a van het Wetboek van Strafvordering, voor zover hier van belang, luidt als volgt:
1. Indien een ambtenaar, aan wie bij of krachtens artikel 7, eerste, achtste of negende lid, van de Politiewet 2012 de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend, in de uitoefening van zijn functie geweld heeft gebruikt, kan de officier van justitie bevelen dat een feitenonderzoek wordt ingesteld. Van dit bevel wordt de betrokken ambtenaar op de hoogte gesteld.
2. Een feitenonderzoek is gericht op de beoordeling of het geweld is gebruikt overeenkomstig de geweldsinstructie.
3. De artikelen 51a tot en met 51d zin gedurende het feitenonderzoek voor zover relevant van overeenkomstige toepassing.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het feitenonderzoek.
De wetsgeschiedenis
In de Memorie van Antwoord 34641 nr.
Conclusie
Uit artikel 530 lid 4 in verbinding met art. 529 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering volgt dat een verzoekschrift op grond van eerstgenoemd artikel moet worden ingediend bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd.
Uit de jurisprudentie omtrent het begrip “zaak” volgt dat dat begrip in de artikelen 530 en 529 van het Wetboek van Strafvordering dezelfde betekenis en dus dezelfde reikwijdte toekomt. In het geval een onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden moet onder het begrip “zaak” worden verstaan al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had.
Afgezien van de gevallen waarin de zaak eindigt in een veroordeling tot een straf of maatregel of in de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, en waarin aldus is komen vast te staan dat de gewezen verdachte de aandacht van de justitiële autoriteiten - en het maken van kosten voor een raadsman - aan zichzelf te wijten heeft, kan uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid tot toekenning van een dergelijke vergoeding te binden aan strikte grenzen wat betreft de fase van het strafproces waarin de kosten van een raadsman in de geëindigde strafzaak zijn gemaakt of wat betreft de aard van de met die zaak rechtstreeks verband houdende juridische procedure.
Het hof is van oordeel dat in het kader van een effectieve rechtspleging belangrijk is dat appellante zich heeft kunnen wenden tot een bevoegd gerecht. Het hof is van oordeel dat het bijzonder onwenselijk zou zijn indien de bevoegdheid van het gerecht afhankelijk zou zijn van een inhoudelijk oordeel over één van de bepalende argumenten die aan het verzoek ten grondslag worden gelegd. Daar komt het oordeel van de rechtbank in feite immers op neer. Dat oordeel houdt namelijk in dat
a. a) indien sprake is van vervolging, en een verzoek kan worden ingediend voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand gedurende die vervolging, appellante zich inderdaad moet wenden tot de rechtbank Midden-Nederland
b) indien geen sprake is van vervolging en om die reden het verzoek niet-ontvankelijk zou kunnen zijn, appellante zich moet wenden tot de rechtbank OostBrabant.
De hoedanigheid van ambtenaar als omschreven in artikel 511a van het Wetboek van Strafvordering vormt de kern van de regelgeving omtrent het feitenonderzoek. De wetgever heeft duidelijk voor ogen gehad dat zaken die in de kern draaien om vervolging van zo een ambtenaar bij uitsluiting worden behandeld door de rechtbank Midden-Nederland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit heeft de wetgever willen realiseren door artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering aan te passen. Opmerking verdient dat artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering is toegesneden op de situatie dat vervolging plaatsvindt, ook daar waar niet uitdrukkelijk van “vervolging” wordt gesproken, zodat aan het woord “vervolging” in lid 3 van het artikel niet de doorslaggevende betekenis toekomt die de rechtbank daaraan heeft toegekend.
Toen tijdens de totstandkoming van de wetswijziging duidelijk werd dat het ontwerp van de wet niet tot gevolg zou hebben dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij uitsluiting bevoegd zou zijn om kennis te nemen van klachten op basis van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering over het niet vervolgen van opsporingsambtenaren wegens het gebruik van geweld in de uitoefening van hun functie voor ambtenaren, werd direct en zonder nadere discussie het voorstel aangepast op zodanige wijze dat alsnog het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevoegd zou zijn. Hoewel het hof er van uit gaat, dat overwegend redengevend is geweest de uitsluitende bevoegdheid van de rechtbank Midden-Nederland in het geval het hof alsnog de vervolging door dagvaarding zou bevelen, is het hof van oordeel dat ook heeft meegespeeld de wens om een instantie met specialistische kennis op het gebied van zaken betreffende politiegeweld te laten oordelen over de vraag of wel of geen (verdere) vervolging moet plaatsvinden.
In lijn hiermee is het hof van oordeel dat de wetgever heeft bedoeld ook verzoeken die in wezen vragen om een beslissing die verband houdt met een vervolgingsbeslissing na een afgerond feitenonderzoek te concentreren bij de rechtbank Midden-Nederland.
Het hof is van oordeel dat als een Officier van Justitie na en naar aanleiding van een feitenonderzoek op grond van artikel 511a van het Wetboek van Strafvordering beslist dat de betreffende ambtenaar niet wordt vervolgd, een verzoek moet worden ingediend bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak zou zijn vervolgd als wel beslist zou zijn om te vervolgen. Het hof is van oordeel dat een redelijke wetsuitleg met zich brengt, dat onder het criterium van artikel 529 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering inhoudende dat een verzoek “moet worden ingediend bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd” mede moet worden begrepen het gerecht waar vervolging had moeten plaatsvinden indien daartoe zou zijn besloten.
Het hof zal als beslissingskader ten aanzien van het nu voorliggende verzoek hanteren dat de rechtbank Midden-Nederland bij uitsluiting bevoegd is, indien de grondslag van een verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering inhoudt dat tegen appellante in de hoedanigheid van een ambtenaar als bedoeld in artikel 2 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering een vervolging is ingesteld.
In het inleidende verzoek heeft appellante voor zover van belang voor de bevoegdheidsvraag betoogd dat haar positie in het feitenonderzoek gelijk te stellen was met die van een verdachte en zij heeft uitdrukkelijk het standpunt ingenomen dat de rechtbank Midden-Nederland op grond van de artikel 530 in verbinding met artikel 529 in verbinding met artikel 2 van het Wetboek van Strafvordering bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Naar het oordeel van het hof is de grondslag van het verzoek dat sprake was van een situatie die onder het begrip “vervolging” moet worden begrepen.
Gezien het vorenstaande is het hof van oordeel dat de rechtbank Midden-Nederland bevoegd was om van het inleidende verzoek in deze procedure kennis te nemen op grond van de artikelen 530 in verbinding met 529 in verbinding met 2 Wetboek van Strafvordering.
Omdat de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het verzoek kennis te nemen, zal het hof de bestreden beschikking om die reden vernietigen.
Appellante heeft het hof verzocht om op het verzoek te beslissen indien het hof zich bevoegd zou achten. De advocaat-generaal heeft aangegeven in dat geval een terugwijzing naar de rechtbank Midden-Nederland te wensen.
Het hof zal uit oogpunt van doelmatigheid de zaak zelf afdoen. Het hof ziet onvoldoende belang voor partijen bij een terugwijzing, aangezien in de procedure in eerste aanleg een uitgebreide en volledige uitwisseling van argumenten heeft plaatsgevonden en het debat zich niet heeft beperkt tot enkel de bevoegdheid.
De ontvankelijkheid van het verzoek
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het feitenonderzoek dat op grond van artikel 511a van het Wetboek van Strafvordering tegen appellante is ingesteld en dat is gevolgd door de beslissing van de officier van justitie om niet tot vervolging over te gaan, moet worden aangemerkt als een strafrechtelijke vervolging of daaraan kan worden gelijkgesteld. De beantwoording van die vraag is bepalend voor de ontvankelijkheid van het verzoek, nu in geval van een strafrechtelijke vervolging sprake is van een “zaak” als bedoeld in artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering.
Dictum
Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep;
Verklaart appellante niet-ontvankelijk in het verzoek.
Aldus gegeven door
mr. R.D.J. Visschers, voorzitter,
mr. M.L. Plas en mr. C.H. Zuur, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E. van der Zandt, griffier,
door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 27 november 2023 ter openbare zitting uitgesproken.
Conclusie
Vgl. het arrest van de Hoge Raad van 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1502.
Vgl. het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566.
Memorie van Toelichting TK 2016-2017 34641 nr. 3 pagina 5.
Memorie van Toelichting TK 2016-2017 34641 nr 3 pagina 24.