Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-04-13
ECLI:NL:GHARL:2021:3527
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
895 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.261.875/01
CJIB-nummer
: 215417643
Uitspraak d.d.
: 13 april 2021
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Nederland van 27 mei 2019, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. In het hoger beroepschrift voert de gemachtigde van de betrokkene niet aan waarom hij het niet eens is met de beslissing van de kantonrechter. Het hof stelt vast dat het hoger beroepschrift geen beroepsgronden bevat. Dat een beroepschrift gronden bevat, is op grond van artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wel verplicht.
2. Indien een beroepschrift - in strijd met artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb - geen gronden bevat, dient de indiener daarvan de gelegenheid te worden geboden om deze op een later moment in te dienen, indien uit het beroepschrift blijkt van de wens daartoe. Deze wens moet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gedaan (vgl. het arrest van het hof van 22 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10365).
3. De gemachtigde heeft in hoger beroep niet verzocht om een termijn voor het indienen van gronden. Geen rechtsregel schrijft voor dat in dat geval een termijn moet worden geven voor het indienen van gronden. Artikel 6:6 van de Awb verplicht slechts om een termijn te geven voor het herstellen van een verzuim wanneer het hof gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Die situatie doet zich in dit geval niet voor.
4. De gemachtigde heeft ruim de tijd gehad om beroepsgronden in te dienen voorafgaand aan de behandeling van het hoger beroep door het hof. De gemachtigde heeft echter nagelaten om gronden in te dienen. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Gegeven deze beslissing is er geen recht op een proceskostenvergoeding. Het hof zal het verzoek om een proceskostenvergoeding derhalve afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.