Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-12-21
ECLI:NL:GHARL:2021:11957
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
5,636 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.267.150/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 457036)
beschikking van 21 december 2021
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in het principaal hoger beroep,verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. L.D.H. Lesmeister te Almere,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. W.F. Wienen te Almere.
Procesverloop
1.1
Voor het verloop van het geding tot 22 juni 2021 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een journaalbericht van mr. Lesmeister van 6 juli 2021 met productie(s)
- een journaalbericht van mr. Wienen van 13 juli 2021;
- een journaalbericht van mr. Lesmeister van 16 juli 2021;
- een journaalbericht van mr. Wienen van 1 september 2021 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Lesmeister van 19 oktober 2021 met productie(s).
1.3
Bij het journaalbericht van 13 juli 2021 heeft mr. Wienen het hof bericht dat de vrouw afziet van het leveren van bewijs door middel van het horen van getuigen en heeft hij verzocht de vrouw een termijn te verlenen voor het inbrengen van schriftelijk bewijs, te weten (notariële) verklaringen. Bij het journaalbericht van 16 juli 2021 heeft mr. Lesmeister hiertegen bezwaar gemaakt.
1.4
Het hof heeft de vrouw een termijn verleend om schriftelijke bewijsstukken in te dienen, hetgeen de vrouw bij het journaalbericht van 1 september 2021 heeft gedaan. Bij de brief van mr. Lesmeister, gevoegd bij het journaalbericht van 19 oktober 2021, heeft zij de bezwaren van de man tegen het leveren van schriftelijk bewijs gehandhaafd en heeft zij namens de man gereageerd op de door de vrouw overgelegde bewijsstukken.
2De verdere motivering van de beslissing
2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 22 juni 2021, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.Het verzoek van de vrouw, voor zover dat ziet op een vergoedingsrecht in verband met schenkingen aan alleen de vrouw betreffende de lening van oorspronkelijk fl. 150.000,-
2.2
Bij de tussenbeschikking van 22 juni 2021 heeft het hof, voor zover hier van belang, geoordeeld dat in overeenkomst 1 geen uitsluitingsclausule is opgenomen die maakt dat de door de ouders van de vrouw gedane kwijtscheldingen privé zijn gebleven van de vrouw en dat de uitsluitingsclausule in overeenkomst 2 wél maakt dat de door de ouders van de vrouw gedane kwijtscheldingen/schenkingen privé zijn gebleven van de vrouw.
2.3
Het hof heeft de vrouw vervolgens opgedragen te bewijzen dat zij en haar ouders overeenkomst 2 hebben opgesteld en dat dit is gebeurd voordat de kwijtscheldingen/schenkingen hebben plaatsgevonden.
2.4
De vrouw heeft bij het journaalbericht van 1 september 2021 de volgende stukken in het geding gebracht:
- overeenkomst 2 (opnieuw), met daarbij een ondertekende en gelegaliseerde verklaring van de moeder van de vrouw van 31 augustus 2021, die luidt als volgt:
“Bij deze verklaar ik dat document 2 de enige juiste en de enige destijds opgestelde is.
Deze overeenkomst is opgesteld op datum 28 februari 2001 door wijlen mijn man [naam1] met medeweten en in overleg met mij.”;
- een schriftelijke verklaring van de broer van de vrouw van 31 augustus 2021 met een kopie van zijn paspoort, met als opschrift: “Verklaring schenking t.b.v. [verweerster] ” die luidt als volgt:
“Hierbij wil ik, [naam2] , de volgende verklaringen afleggen:
● Mijn ouders [naam1] en [naam3] hebben een schenking gedaan aan mijn zus [verweerster] .
● Dit alles is opgemaakt en ondertekend in een document gedateerd op 28 februari 2001, ook wel bekend als document 2. Dit is het enige en juiste document.
● Deze schenking is gedaan onder de uitsluitingsclausule.
● De hoogte van deze schenking was fl. 150.000 (zegge honderd vijftigduizend gulden).
● Mijn zwager, [verzoeker] , is altijd op de hoogte geweest van dit document en de inhoud hiervan. Tevens waren de ouders van de heer [verzoeker] op de hoogte van deze schenking, ik heb zelf destijds ook met de heer [naam4] senior hierover gesproken”;
- een eerder ingediende verklaring van de broer van de vrouw van 14 december 2017 en een eerder ingediende verklaring van de moeder van de vrouw en de nadien overleden vader van de vrouw, van 15 december 2017.
2.5
De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw niet is geslaagd in de bewijsopdracht.
2.6
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 152 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bewijs door alle middelen kan worden geleverd, dus ook door schriftelijke verklaringen van getuigen, en dat de rechter vrij is in de waardering van die bewijsmiddelen.
2.7
Wat er ook zij van de bezwaren die de man naar voren heeft gebracht tegen de wijze waarop de vrouw uitvoering heeft gegeven aan haar bewijsopdracht, het hof is - zoals hierna zal worden overwogen - van oordeel dat de vrouw niet in haar bewijsopdracht is geslaagd, zodat een bespreking van deze bezwaren achterwege kan blijven.
2.8
De vrouw heeft ter voldoening aan haar bewijsopdracht schriftelijke verklaringen in het geding gebracht van personen die niet op de voet van artikel 179 Rv een getuigenverklaring afleggen. Bij de beoordeling van dat schriftelijke bewijs komt het in het bijzonder aan op de vraag in hoeverre aan de betrouwbaarheid van de verklaringen afbreuk wordt gedaan door het feit dat het hof de personen die de verklaringen hebben afgelegd, niet zelf heeft kunnen horen in een verhoor waarbij ook de wederpartij aanwezig heeft kunnen zijn en door het feit dat de verklaring niet onder ede is afgelegd. Voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de schriftelijke verklaring is niet slechts de inhoud ervan van belang, maar zal ook betekenis kunnen worden gehecht aan andere feiten en omstandigheden, zoals de wijze waarop de verklaring tot stand is gekomen (Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8422).
2.9
Het hof vindt de overgelegde schriftelijke verklaringen in combinatie met de stellingen van de vrouw en haar verklaringen ter zitting onvoldoende overtuigend om te oordelen dat hiermee bewezen is dat overeenkomst 2 is opgesteld voordat de kwijtscheldingen/ schenkingen hebben plaatsgevonden. De verklaringen van de getuigen zijn naar het oordeel van het hof in het licht van het feit dat er nog een overeenkomst ligt (overeenkomst 1), onvoldoende specifiek en concreet over de details rondom de totstandkoming van overeenkomst 2, met name over het tijdstip waarop deze overeenkomst tot stand is gekomen. Aangezien de vrouw heeft afgezien van het leveren van bewijs door middel van getuigenverhoren, heeft het hof (of de wederpartij) hen daarover niet nader kunnen bevragen. De moeder verklaart weliswaar dat overeenkomst 2 is opgesteld op 28 februari 2001, maar de broer verklaart niet expliciet dat (hij weet dat) het op die datum is opgesteld. Hij noemt in dat verband alleen de datering van het document, wat niet uitsluit dat het document later is opgesteld. Ook wordt onvoldoende duidelijk waarom overeenkomst 2 volgens hen de enige juiste overeenkomst is. Ten aanzien van zowel de verklaring van de moeder van de vrouw als die van haar broer, geldt bovendien dat deze niet vermelden of de feiten die zij stellen hun uit eigen waarneming bekend zijn of dat zij daarvan op andere wijze kennis hebben gekregen. Dit alles in onderling verband bezien, brengt het hof tot het oordeel dat de vrouw er niet in is geslaagd om het bewijs te leveren. De door de vrouw opgevoerde bewijzen geven geen redelijke mate van zekerheid dat de stellingen van de vrouw juist zijn en laten - in het licht van het feit dat er nog een overeenkomst ligt - te veel ruimte voor twijfel. Omdat daarmee de stellingen van de vrouw niet zijn komen vast te staan, zal haar verzoek, voor zover dat ziet op een vergoedingsrecht in verband met schenkingen aan alleen de vrouw betreffende de lening van oorspronkelijk fl. 150.000,-, worden afgewezen.
2.10
Het voorgaande betekent dat de vijfde grief in het principaal hoger beroep slaagt en dat de tweede grief in het incidenteel hoger beroep faalt.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 juli 2019, voor zover het de daarbij gelaste wijze van verdeling van de aandelen [naam6] betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
gelast de wijze van verdeling van de aandelen [naam6] aldus dat deze aan de man worden toegedeeld voor een waarde van € 60.495,-;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 juli 2019, voor zover het de daarbij gelaste wijze van verdeling van het [naam7] 2017 betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
gelast de wijze van verdeling van de aandelen [naam7] 2017 aldus dat deze aan de man worden toegedeeld voor een waarde van € 1.500,-;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 juli 2019, voor zover de man daarbij is veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 76.995,21 te vermeerderen met de helft van de nog op te geven waarde van het [naam7] 2017, en voor zover de man daarbij is veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 43.095,50, en in zoverre opnieuw beschikkende:
veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 83.110,71;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 juli 2019 voor zover de vrouw daarbij niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek betreffende de onverschuldigd betaalde kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst dit verzoek af;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 juli 2019, voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en K.M. Makkinga, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 21 december 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.267.150/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 457036)
beschikking van 21 december 2021
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in het principaal hoger beroep,verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. L.D.H. Lesmeister te Almere,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. W.F. Wienen te Almere.
Procesverloop
1.1
Voor het verloop van het geding tot 22 juni 2021 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een journaalbericht van mr. Lesmeister van 6 juli 2021 met productie(s)
- een journaalbericht van mr. Wienen van 13 juli 2021;
- een journaalbericht van mr. Lesmeister van 16 juli 2021;
- een journaalbericht van mr. Wienen van 1 september 2021 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Lesmeister van 19 oktober 2021 met productie(s).
1.3
Bij het journaalbericht van 13 juli 2021 heeft mr. Wienen het hof bericht dat de vrouw afziet van het leveren van bewijs door middel van het horen van getuigen en heeft hij verzocht de vrouw een termijn te verlenen voor het inbrengen van schriftelijk bewijs, te weten (notariële) verklaringen. Bij het journaalbericht van 16 juli 2021 heeft mr. Lesmeister hiertegen bezwaar gemaakt.
1.4
Het hof heeft de vrouw een termijn verleend om schriftelijke bewijsstukken in te dienen, hetgeen de vrouw bij het journaalbericht van 1 september 2021 heeft gedaan. Bij de brief van mr. Lesmeister, gevoegd bij het journaalbericht van 19 oktober 2021, heeft zij de bezwaren van de man tegen het leveren van schriftelijk bewijs gehandhaafd en heeft zij namens de man gereageerd op de door de vrouw overgelegde bewijsstukken.
2De verdere motivering van de beslissing
2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 22 juni 2021, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.Het verzoek van de vrouw, voor zover dat ziet op een vergoedingsrecht in verband met schenkingen aan alleen de vrouw betreffende de lening van oorspronkelijk fl. 150.000,-
2.2
Bij de tussenbeschikking van 22 juni 2021 heeft het hof, voor zover hier van belang, geoordeeld dat in overeenkomst 1 geen uitsluitingsclausule is opgenomen die maakt dat de door de ouders van de vrouw gedane kwijtscheldingen privé zijn gebleven van de vrouw en dat de uitsluitingsclausule in overeenkomst 2 wél maakt dat de door de ouders van de vrouw gedane kwijtscheldingen/schenkingen privé zijn gebleven van de vrouw.
2.3
Het hof heeft de vrouw vervolgens opgedragen te bewijzen dat zij en haar ouders overeenkomst 2 hebben opgesteld en dat dit is gebeurd voordat de kwijtscheldingen/schenkingen hebben plaatsgevonden.
2.4
De vrouw heeft bij het journaalbericht van 1 september 2021 de volgende stukken in het geding gebracht:
- overeenkomst 2 (opnieuw), met daarbij een ondertekende en gelegaliseerde verklaring van de moeder van de vrouw van 31 augustus 2021, die luidt als volgt:
“Bij deze verklaar ik dat document 2 de enige juiste en de enige destijds opgestelde is.
Deze overeenkomst is opgesteld op datum 28 februari 2001 door wijlen mijn man [naam1] met medeweten en in overleg met mij.”;
- een schriftelijke verklaring van de broer van de vrouw van 31 augustus 2021 met een kopie van zijn paspoort, met als opschrift: “Verklaring schenking t.b.v. [verweerster] ” die luidt als volgt:
“Hierbij wil ik, [naam2] , de volgende verklaringen afleggen:
● Mijn ouders [naam1] en [naam3] hebben een schenking gedaan aan mijn zus [verweerster] .
● Dit alles is opgemaakt en ondertekend in een document gedateerd op 28 februari 2001, ook wel bekend als document 2. Dit is het enige en juiste document.
● Deze schenking is gedaan onder de uitsluitingsclausule.
● De hoogte van deze schenking was fl. 150.000 (zegge honderd vijftigduizend gulden).
● Mijn zwager, [verzoeker] , is altijd op de hoogte geweest van dit document en de inhoud hiervan. Tevens waren de ouders van de heer [verzoeker] op de hoogte van deze schenking, ik heb zelf destijds ook met de heer [naam4] senior hierover gesproken”;
- een eerder ingediende verklaring van de broer van de vrouw van 14 december 2017 en een eerder ingediende verklaring van de moeder van de vrouw en de nadien overleden vader van de vrouw, van 15 december 2017.
2.5
De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw niet is geslaagd in de bewijsopdracht.
2.6
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 152 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bewijs door alle middelen kan worden geleverd, dus ook door schriftelijke verklaringen van getuigen, en dat de rechter vrij is in de waardering van die bewijsmiddelen.
2.7
Wat er ook zij van de bezwaren die de man naar voren heeft gebracht tegen de wijze waarop de vrouw uitvoering heeft gegeven aan haar bewijsopdracht, het hof is - zoals hierna zal worden overwogen - van oordeel dat de vrouw niet in haar bewijsopdracht is geslaagd, zodat een bespreking van deze bezwaren achterwege kan blijven.
2.8
De vrouw heeft ter voldoening aan haar bewijsopdracht schriftelijke verklaringen in het geding gebracht van personen die niet op de voet van artikel 179 Rv een getuigenverklaring afleggen. Bij de beoordeling van dat schriftelijke bewijs komt het in het bijzonder aan op de vraag in hoeverre aan de betrouwbaarheid van de verklaringen afbreuk wordt gedaan door het feit dat het hof de personen die de verklaringen hebben afgelegd, niet zelf heeft kunnen horen in een verhoor waarbij ook de wederpartij aanwezig heeft kunnen zijn en door het feit dat de verklaring niet onder ede is afgelegd. Voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de schriftelijke verklaring is niet slechts de inhoud ervan van belang, maar zal ook betekenis kunnen worden gehecht aan andere feiten en omstandigheden, zoals de wijze waarop de verklaring tot stand is gekomen (Hoge Raad 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8422).
2.9
Het hof vindt de overgelegde schriftelijke verklaringen in combinatie met de stellingen van de vrouw en haar verklaringen ter zitting onvoldoende overtuigend om te oordelen dat hiermee bewezen is dat overeenkomst 2 is opgesteld voordat de kwijtscheldingen/ schenkingen hebben plaatsgevonden. De verklaringen van de getuigen zijn naar het oordeel van het hof in het licht van het feit dat er nog een overeenkomst ligt (overeenkomst 1), onvoldoende specifiek en concreet over de details rondom de totstandkoming van overeenkomst 2, met name over het tijdstip waarop deze overeenkomst tot stand is gekomen. Aangezien de vrouw heeft afgezien van het leveren van bewijs door middel van getuigenverhoren, heeft het hof (of de wederpartij) hen daarover niet nader kunnen bevragen. De moeder verklaart weliswaar dat overeenkomst 2 is opgesteld op 28 februari 2001, maar de broer verklaart niet expliciet dat (hij weet dat) het op die datum is opgesteld. Hij noemt in dat verband alleen de datering van het document, wat niet uitsluit dat het document later is opgesteld. Ook wordt onvoldoende duidelijk waarom overeenkomst 2 volgens hen de enige juiste overeenkomst is. Ten aanzien van zowel de verklaring van de moeder van de vrouw als die van haar broer, geldt bovendien dat deze niet vermelden of de feiten die zij stellen hun uit eigen waarneming bekend zijn of dat zij daarvan op andere wijze kennis hebben gekregen. Dit alles in onderling verband bezien, brengt het hof tot het oordeel dat de vrouw er niet in is geslaagd om het bewijs te leveren. De door de vrouw opgevoerde bewijzen geven geen redelijke mate van zekerheid dat de stellingen van de vrouw juist zijn en laten - in het licht van het feit dat er nog een overeenkomst ligt - te veel ruimte voor twijfel. Omdat daarmee de stellingen van de vrouw niet zijn komen vast te staan, zal haar verzoek, voor zover dat ziet op een vergoedingsrecht in verband met schenkingen aan alleen de vrouw betreffende de lening van oorspronkelijk fl. 150.000,-, worden afgewezen.
2.10
Het voorgaande betekent dat de vijfde grief in het principaal hoger beroep slaagt en dat de tweede grief in het incidenteel hoger beroep faalt.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 juli 2019, voor zover het de daarbij gelaste wijze van verdeling van de aandelen [naam6] betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
gelast de wijze van verdeling van de aandelen [naam6] aldus dat deze aan de man worden toegedeeld voor een waarde van € 60.495,-;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 juli 2019, voor zover het de daarbij gelaste wijze van verdeling van het [naam7] 2017 betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
gelast de wijze van verdeling van de aandelen [naam7] 2017 aldus dat deze aan de man worden toegedeeld voor een waarde van € 1.500,-;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 juli 2019, voor zover de man daarbij is veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 76.995,21 te vermeerderen met de helft van de nog op te geven waarde van het [naam7] 2017, en voor zover de man daarbij is veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 43.095,50, en in zoverre opnieuw beschikkende:
veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 83.110,71;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 juli 2019 voor zover de vrouw daarbij niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoek betreffende de onverschuldigd betaalde kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst dit verzoek af;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 juli 2019, voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en K.M. Makkinga, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 21 december 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.