Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2020-02-14
ECLI:NL:GHARL:2020:1251
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
6,516 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.252.459/01
CJIB-nummer
: 216583240
Uitspraak d.d.
: 14 februari 2020
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 6 november 2018, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is [B] , wonende te [A] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 mei 2018 om 18:14 uur op de Julianaweg in Volendam met het voertuig met het kenteken [YYY-00-Y] .
2. De gemachtigde, zijnde de feitelijk bestuurder van de snorfiets, stelt dat het niet mogelijk is om vanaf dezelfde plaats het stoplicht voor auto’s en het stoplicht voor fietsers en bromfietsers waar te nemen. De gemachtigde stelt dat zij netjes heeft gewacht tot het verkeerslicht voor (brom)fietsers op groen sprong. Zij weet 100% zeker dat zij niet door rood licht is gereden.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die – onder meer – door deze ambtenaar zelf is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat het ongeveer 15 seconden op rood stond op het moment dat de betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. Plaatsaanduiding verkeerslicht: kruising Julianaweg met de Julianaweg, ter hoogte van BP pompstation. (…) Ik zag dat betrokkene vanaf de Julianaweg, linksaf sloeg, de Julianaweg op. Ik zag dat betrokkene het rode verkeerslicht negeerde. Reden geen staandehouding: ik was belast met een snelheidscontrole, door middel van radar.’’
5. In het dossier bevindt zich een aanvullend proces-verbaal van 14 maart 2019 waarin de ambtenaar, voor zover hier relevant, het volgende verklaart:
“Op 03-05-2018 omstreeks 18:14 uur was ik belast met een snelheidscontrole, door middel van radarapparatuur. Deze controle vond plaats op de Julianaweg te Volendam in de gemeente Volendam-Edam. De controle was ter hoogte van de kruising met de Julianaweg. Dit is een doodlopende straat welke in de richting gaat van voetbalvereniging RKAV Volendam. Omdat de snelheidscontrole plaatsvond in de directe omgeving van de kruising, welke voorzien was van verkeerslichten, heb ik besloten hierop te controleren, aangezien het aanbod van snelheidsovertredingen dit toe liet.
Alvorens ik daadwerkelijk ben begonnen met handhaven, heb ik verbalisant, [C] , de cyclus van de verkeerslichtinstallatie gecontroleerd. Ik verbalisant, [C] , had vanuit de radarauto volledig en onbelemmerd zicht op de kruising. Ik verbalisant, [C] , heb geconstateerd dat wanneer de verkeerslichten voor het doorgaande verkeer, in de richting van de provinciale weg N247, groen licht uitstraalt het verkeerlicht op de Julianaweg vanaf voetbalvereniging RKAV Volendam rood licht uitstraalt. Ik verbalisant, [C] , zag dat het verkeerslicht in de richting van de provinciale weg N247, groen licht uitstraalde. Ik verbalisant, [C] , zag dat nadat dit verkeerslicht 15 seconden groen licht uitstraalde, er vanaf rechts een snorfietser linksaf sloeg in de richting van de Eikenlaan.
Doordat ik voor aanvang van deze controle, de cyclus en de werking van de verkeerslichtinstallatie gecontroleerd heb, ben ik er zeker van dat betrokkene het rode verkeerslicht genegeerd heeft. Ik verbalisant, [C] , had door deze manier van controleren geen direct zicht op het verkeerslicht, komende uit de richting van voetbalvereniging RKAV Volendam. (…)’’
6. Bij het aanvullende proces-verbaal heeft de ambtenaar een plattegrond bijgesloten waarop hij heeft aangeven waar hij met zijn radarauto stond en waar de verkeerslichtinstallatie staat.
7. De gemachtigde ontkent door rood licht te zijn gereden. Onder verwijzing naar wat het hof heeft overwogen in zijn arrest d.d. 13 juni 2016, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:4941, is het hof van oordeel dat in een situatie als de onderhavige, waarin een ambtenaar groen licht waarneemt op het moment dat hij uit een conflicterende rijrichting een voertuig de kruising op ziet rijden, terwijl hij geen zicht heeft op het voor die bestuurder geldende licht, door de ambtenaar zal moeten worden vastgesteld dat het conflicterende licht rood moet zijn geweest alvorens een sanctie voor een roodlichtgedraging kan worden opgelegd.
8. De ambtenaar zal ook moeten vermelden hoe hij dat heeft vastgesteld, bijvoorbeeld door direct na de waarneming ter plaatse te controleren hoe de lichten zijn afgesteld of door te vermelden wat daaromtrent uit de technische gegevens van de betreffende verkeersregelinstallatie blijkt.
9. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof overweegt daartoe als volgt. Uit de hiervoor vermelde verklaringen van de ambtenaar volgt dat zijn taak was gericht op het uitvoeren van een (gerichte) snelheidscontrole. Uit de aard van deze werkzaamheden vloeit niet voort dat het voor hem noodzakelijk was de verkeersregelinstallatie aan een uitvoerige controle te onderwerpen. Deze omstandigheid maakt dat niet per definitie kan worden
aangenomen dat hij de desbetreffende verkeersregelinstallatie uitvoerig heeft gecontroleerd waaronder ook de ontruimingstijd. Niet in de laatste plaats omdat het hof ambtshalve bekend is dat verkeersregelinstallaties tegenwoordig met enige regelmaat zodanig zijn afgesteld dat de ontruimingstijd nul of zelfs negatief kunnen zijn (zie rechtsoverweging 9. van het hiervoor vermeld arrest). Op basis van de verklaringen van ambtenaar kan het hof niet vaststellen hoe goed de ambtenaar de verkeersregelinstallatie heeft onderzocht. Ook constateert het hof dat er inconsistenties zijn in de verklaringen. In zijn eerste verklaring zegt dat ambtenaar dat hij direct zicht had op het verkeerslicht terwijl hij in zijn aanvullend proces-verbaal juist verklaart dat hij geen direct zicht had op het verkeerslicht. Het hof ziet geen aanleiding om in deze fase van de procedure de ambtenaar nog om nadere informatie te verzoeken.
10. Gelet op het voorgaande wordt beslist als hierna is vermeld.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.252.459/01
CJIB-nummer
: 216583240
Uitspraak d.d.
: 14 februari 2020
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 6 november 2018, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is [B] , wonende te [A] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 mei 2018 om 18:14 uur op de Julianaweg in Volendam met het voertuig met het kenteken [YYY-00-Y] .
2. De gemachtigde, zijnde de feitelijk bestuurder van de snorfiets, stelt dat het niet mogelijk is om vanaf dezelfde plaats het stoplicht voor auto’s en het stoplicht voor fietsers en bromfietsers waar te nemen. De gemachtigde stelt dat zij netjes heeft gewacht tot het verkeerslicht voor (brom)fietsers op groen sprong. Zij weet 100% zeker dat zij niet door rood licht is gereden.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die – onder meer – door deze ambtenaar zelf is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat het ongeveer 15 seconden op rood stond op het moment dat de betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. Plaatsaanduiding verkeerslicht: kruising Julianaweg met de Julianaweg, ter hoogte van BP pompstation. (…) Ik zag dat betrokkene vanaf de Julianaweg, linksaf sloeg, de Julianaweg op. Ik zag dat betrokkene het rode verkeerslicht negeerde. Reden geen staandehouding: ik was belast met een snelheidscontrole, door middel van radar.’’
5. In het dossier bevindt zich een aanvullend proces-verbaal van 14 maart 2019 waarin de ambtenaar, voor zover hier relevant, het volgende verklaart:
“Op 03-05-2018 omstreeks 18:14 uur was ik belast met een snelheidscontrole, door middel van radarapparatuur. Deze controle vond plaats op de Julianaweg te Volendam in de gemeente Volendam-Edam. De controle was ter hoogte van de kruising met de Julianaweg. Dit is een doodlopende straat welke in de richting gaat van voetbalvereniging RKAV Volendam. Omdat de snelheidscontrole plaatsvond in de directe omgeving van de kruising, welke voorzien was van verkeerslichten, heb ik besloten hierop te controleren, aangezien het aanbod van snelheidsovertredingen dit toe liet.
Alvorens ik daadwerkelijk ben begonnen met handhaven, heb ik verbalisant, [C] , de cyclus van de verkeerslichtinstallatie gecontroleerd. Ik verbalisant, [C] , had vanuit de radarauto volledig en onbelemmerd zicht op de kruising. Ik verbalisant, [C] , heb geconstateerd dat wanneer de verkeerslichten voor het doorgaande verkeer, in de richting van de provinciale weg N247, groen licht uitstraalt het verkeerlicht op de Julianaweg vanaf voetbalvereniging RKAV Volendam rood licht uitstraalt. Ik verbalisant, [C] , zag dat het verkeerslicht in de richting van de provinciale weg N247, groen licht uitstraalde. Ik verbalisant, [C] , zag dat nadat dit verkeerslicht 15 seconden groen licht uitstraalde, er vanaf rechts een snorfietser linksaf sloeg in de richting van de Eikenlaan.
Doordat ik voor aanvang van deze controle, de cyclus en de werking van de verkeerslichtinstallatie gecontroleerd heb, ben ik er zeker van dat betrokkene het rode verkeerslicht genegeerd heeft. Ik verbalisant, [C] , had door deze manier van controleren geen direct zicht op het verkeerslicht, komende uit de richting van voetbalvereniging RKAV Volendam. (…)’’
6. Bij het aanvullende proces-verbaal heeft de ambtenaar een plattegrond bijgesloten waarop hij heeft aangeven waar hij met zijn radarauto stond en waar de verkeerslichtinstallatie staat.
7. De gemachtigde ontkent door rood licht te zijn gereden. Onder verwijzing naar wat het hof heeft overwogen in zijn arrest d.d. 13 juni 2016, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:4941, is het hof van oordeel dat in een situatie als de onderhavige, waarin een ambtenaar groen licht waarneemt op het moment dat hij uit een conflicterende rijrichting een voertuig de kruising op ziet rijden, terwijl hij geen zicht heeft op het voor die bestuurder geldende licht, door de ambtenaar zal moeten worden vastgesteld dat het conflicterende licht rood moet zijn geweest alvorens een sanctie voor een roodlichtgedraging kan worden opgelegd.
8. De ambtenaar zal ook moeten vermelden hoe hij dat heeft vastgesteld, bijvoorbeeld door direct na de waarneming ter plaatse te controleren hoe de lichten zijn afgesteld of door te vermelden wat daaromtrent uit de technische gegevens van de betreffende verkeersregelinstallatie blijkt.
9. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof overweegt daartoe als volgt. Uit de hiervoor vermelde verklaringen van de ambtenaar volgt dat zijn taak was gericht op het uitvoeren van een (gerichte) snelheidscontrole. Uit de aard van deze werkzaamheden vloeit niet voort dat het voor hem noodzakelijk was de verkeersregelinstallatie aan een uitvoerige controle te onderwerpen. Deze omstandigheid maakt dat niet per definitie kan worden
aangenomen dat hij de desbetreffende verkeersregelinstallatie uitvoerig heeft gecontroleerd waaronder ook de ontruimingstijd. Niet in de laatste plaats omdat het hof ambtshalve bekend is dat verkeersregelinstallaties tegenwoordig met enige regelmaat zodanig zijn afgesteld dat de ontruimingstijd nul of zelfs negatief kunnen zijn (zie rechtsoverweging 9. van het hiervoor vermeld arrest). Op basis van de verklaringen van ambtenaar kan het hof niet vaststellen hoe goed de ambtenaar de verkeersregelinstallatie heeft onderzocht. Ook constateert het hof dat er inconsistenties zijn in de verklaringen. In zijn eerste verklaring zegt dat ambtenaar dat hij direct zicht had op het verkeerslicht terwijl hij in zijn aanvullend proces-verbaal juist verklaart dat hij geen direct zicht had op het verkeerslicht. Het hof ziet geen aanleiding om in deze fase van de procedure de ambtenaar nog om nadere informatie te verzoeken.
10. Gelet op het voorgaande wordt beslist als hierna is vermeld.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.252.459/01
CJIB-nummer
: 216583240
Uitspraak d.d.
: 14 februari 2020
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 6 november 2018, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is [B] , wonende te [A] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 mei 2018 om 18:14 uur op de Julianaweg in Volendam met het voertuig met het kenteken [YYY-00-Y] .
2. De gemachtigde, zijnde de feitelijk bestuurder van de snorfiets, stelt dat het niet mogelijk is om vanaf dezelfde plaats het stoplicht voor auto’s en het stoplicht voor fietsers en bromfietsers waar te nemen. De gemachtigde stelt dat zij netjes heeft gewacht tot het verkeerslicht voor (brom)fietsers op groen sprong. Zij weet 100% zeker dat zij niet door rood licht is gereden.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die – onder meer – door deze ambtenaar zelf is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat het ongeveer 15 seconden op rood stond op het moment dat de betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. Plaatsaanduiding verkeerslicht: kruising Julianaweg met de Julianaweg, ter hoogte van BP pompstation. (…) Ik zag dat betrokkene vanaf de Julianaweg, linksaf sloeg, de Julianaweg op. Ik zag dat betrokkene het rode verkeerslicht negeerde. Reden geen staandehouding: ik was belast met een snelheidscontrole, door middel van radar.’’
5. In het dossier bevindt zich een aanvullend proces-verbaal van 14 maart 2019 waarin de ambtenaar, voor zover hier relevant, het volgende verklaart:
“Op 03-05-2018 omstreeks 18:14 uur was ik belast met een snelheidscontrole, door middel van radarapparatuur. Deze controle vond plaats op de Julianaweg te Volendam in de gemeente Volendam-Edam. De controle was ter hoogte van de kruising met de Julianaweg. Dit is een doodlopende straat welke in de richting gaat van voetbalvereniging RKAV Volendam. Omdat de snelheidscontrole plaatsvond in de directe omgeving van de kruising, welke voorzien was van verkeerslichten, heb ik besloten hierop te controleren, aangezien het aanbod van snelheidsovertredingen dit toe liet.
Alvorens ik daadwerkelijk ben begonnen met handhaven, heb ik verbalisant, [C] , de cyclus van de verkeerslichtinstallatie gecontroleerd. Ik verbalisant, [C] , had vanuit de radarauto volledig en onbelemmerd zicht op de kruising. Ik verbalisant, [C] , heb geconstateerd dat wanneer de verkeerslichten voor het doorgaande verkeer, in de richting van de provinciale weg N247, groen licht uitstraalt het verkeerlicht op de Julianaweg vanaf voetbalvereniging RKAV Volendam rood licht uitstraalt. Ik verbalisant, [C] , zag dat het verkeerslicht in de richting van de provinciale weg N247, groen licht uitstraalde. Ik verbalisant, [C] , zag dat nadat dit verkeerslicht 15 seconden groen licht uitstraalde, er vanaf rechts een snorfietser linksaf sloeg in de richting van de Eikenlaan.
Doordat ik voor aanvang van deze controle, de cyclus en de werking van de verkeerslichtinstallatie gecontroleerd heb, ben ik er zeker van dat betrokkene het rode verkeerslicht genegeerd heeft. Ik verbalisant, [C] , had door deze manier van controleren geen direct zicht op het verkeerslicht, komende uit de richting van voetbalvereniging RKAV Volendam. (…)’’
6. Bij het aanvullende proces-verbaal heeft de ambtenaar een plattegrond bijgesloten waarop hij heeft aangeven waar hij met zijn radarauto stond en waar de verkeerslichtinstallatie staat.
7. De gemachtigde ontkent door rood licht te zijn gereden. Onder verwijzing naar wat het hof heeft overwogen in zijn arrest d.d. 13 juni 2016, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:4941, is het hof van oordeel dat in een situatie als de onderhavige, waarin een ambtenaar groen licht waarneemt op het moment dat hij uit een conflicterende rijrichting een voertuig de kruising op ziet rijden, terwijl hij geen zicht heeft op het voor die bestuurder geldende licht, door de ambtenaar zal moeten worden vastgesteld dat het conflicterende licht rood moet zijn geweest alvorens een sanctie voor een roodlichtgedraging kan worden opgelegd.
8. De ambtenaar zal ook moeten vermelden hoe hij dat heeft vastgesteld, bijvoorbeeld door direct na de waarneming ter plaatse te controleren hoe de lichten zijn afgesteld of door te vermelden wat daaromtrent uit de technische gegevens van de betreffende verkeersregelinstallatie blijkt.
9. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof overweegt daartoe als volgt. Uit de hiervoor vermelde verklaringen van de ambtenaar volgt dat zijn taak was gericht op het uitvoeren van een (gerichte) snelheidscontrole. Uit de aard van deze werkzaamheden vloeit niet voort dat het voor hem noodzakelijk was de verkeersregelinstallatie aan een uitvoerige controle te onderwerpen. Deze omstandigheid maakt dat niet per definitie kan worden
aangenomen dat hij de desbetreffende verkeersregelinstallatie uitvoerig heeft gecontroleerd waaronder ook de ontruimingstijd. Niet in de laatste plaats omdat het hof ambtshalve bekend is dat verkeersregelinstallaties tegenwoordig met enige regelmaat zodanig zijn afgesteld dat de ontruimingstijd nul of zelfs negatief kunnen zijn (zie rechtsoverweging 9. van het hiervoor vermeld arrest). Op basis van de verklaringen van ambtenaar kan het hof niet vaststellen hoe goed de ambtenaar de verkeersregelinstallatie heeft onderzocht. Ook constateert het hof dat er inconsistenties zijn in de verklaringen. In zijn eerste verklaring zegt dat ambtenaar dat hij direct zicht had op het verkeerslicht terwijl hij in zijn aanvullend proces-verbaal juist verklaart dat hij geen direct zicht had op het verkeerslicht. Het hof ziet geen aanleiding om in deze fase van de procedure de ambtenaar nog om nadere informatie te verzoeken.
10. Gelet op het voorgaande wordt beslist als hierna is vermeld.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.