Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2020-02-12
ECLI:NL:GHARL:2020:1143
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
5,268 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.221.276/01
CJIB-nummer
: 196473427
Uitspraak d.d.
: 12 februari 2020
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 6 juli 2017, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .
Het tussenarrest
Bij tussenarrest van 30 augustus 2019 heeft het hof de griffier van de rechtbank in de gelegenheid gesteld om het proces-verbaal van de zitting van 22 juni 2017 aan de griffier van het hof te verstrekken. De inhoud van dat arrest wordt hier als ingelast beschouwd.
Het verdere verloop van de procedure
Op 5 september 2019 heeft het hof een gewaarmerkt afschrift ontvangen van het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter en aan het dossier toegevoegd. Een afschrift daarvan is verzonden aan de gemachtigde van de betrokkene en de CVOM.
Middels schrijven van 24 september 2019 heeft de griffier van het hof de advocaat-generaal verzocht om nadere informatie in het geding te brengen.
Hierop is op 31 oktober 2019 een reactie van de advocaat-generaal ontvangen, waarvan een afschrift is toegezonden aan de gemachtigde van de betrokkene.
Beoordeling
1. Nu de griffier van de rechtbank een proces-verbaal van de zitting van 22 juni 2017 heeft toegezonden, wordt het verweer van de gemachtigde van de betrokkene dat een proces-verbaal van de zitting ontbreekt verworpen.
2. De gemachtigde heeft in hoger beroep verder opgemerkt dat zich in het dossier weliswaar een verslag van het horen door de officier van justitie bevindt, maar dat dit verslag betrekking heeft op het horen van een andere, voor de gemachtigde onbekende, betrokkene. De gemachtigde verzoekt om toezending van het juiste hoorverslag.
3. Artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt het volgende in:
"Van het horen wordt een verslag gemaakt."
4. Het hof stelt vast dat het dossier een verslag bevat van het horen van betrokkene C.H.M. van de Ven op 23 november 2016. Het hof heeft middels voornoemd schrijven van 24 september 2019 verzocht om toezending van het verslag betrekking hebbend op de betrokkene in deze zaak. Uit de reactie hierop van de advocaat-generaal kan worden afgeleid dat van het horen van de betrokkene destijds een verslag is opgemaakt, maar dat dit verslag thans niet meer kan worden achterhaald.
5. Voorgaande levert de situatie op dat niet kan worden vastgesteld dat van het horen van de betrokkene een verslag is gemaakt, hetgeen strijd oplevert met het bepaalde in artikel 7:7 van de Awb. Dit houdt in dat de beslissing van de officier van justitie geen stand kan houden. De kantonrechter heeft dit niet onderkend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Hetgeen (overigens) tegen deze beslissingen is aangevoerd, behoeft daarmee geen bespreking meer.
6. Bij inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “met een stilstaand voertuig niet de rijbaan gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 maart 2016 om 15:56 uur op de Emile Seipgensstraat in Roermond met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
7. De gemachtigde voert aan recht te hebben op de ‘overige gevraagde stukken’. Bij de opsporingsinstantie zijn deze stukken niet meer te verkrijgen en de Raad van State kwalificeert dergelijke informatieverzoeken als misbruik van recht, omdat die informatie in de onderhavige procedure valt te verkrijgen. De gemachtigde wijst er op dat de jurisprudentie van het hof dit laatste echter vooralsnog niet toelaat en verzoekt het hof om anders te oordelen dan voorheen.
8. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift van 15 april 2016 slechts heeft verzocht om toezending van het zaakoverzicht, alsmede dat hem dit is toegezonden. Dat in administratief beroep om andere stukken is gevraagd, valt op basis van de informatie in het dossier – in aanmerking genomen dat het verslag van het horen ontbreekt – niet vast te stellen. Uit het beroepschrift d.d. 18 december 2016, zoals dat is ingediend tegen de beslissing van de officier van justitie, valt in elk geval op te maken dat de gemachtigde in bezit is gesteld van het op 20 september 2016 opgemaakte aanvullend proces-verbaal met bijlagen dat zich in het dossier bevindt.
9. Andere stukken dan die hiervoor genoemd, behoeven in beginsel geen deel uit te maken van het dossier, tenzij redelijkerwijs twijfel bestaat over de aspecten waarop die informatie betrekking heeft (vergelijk het arrest van het hof van 17 oktober 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:8247). De gemachtigde heeft niet gespecificeerd om welke ‘overige gevraagde stukken’ is verzocht en evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt die niet of onvoldoende kunnen worden weerlegd aan de hand van de stukken die in het dossier aanwezig zijn. Het verzoek van de gemachtigde dient te worden afgewezen.
10. Ten aanzien van de inleidende beschikking erkent de betrokkene zijn voertuig op het bewuste moment te hebben geparkeerd in de Emile Seipgensstraat in Roermond met gebruikmaking van een geldige gehandicaptenparkeerkaart en een parkeerschijf achter de voorruit. Aangezien beide officiële gehandicaptenparkeerplaatsen bezet waren en geen andere parkeermogelijkheid aanwezig was, heeft de betrokkene zijn voertuig aan de overzijde van de straat geparkeerd achter een daar reeds geparkeerde groene Jaguar. De gemachtigde stelt zich allereerst op het standpunt dat niet duidelijk is dat het voertuig in een voetgangerszone stond, want vanaf de Oranjerie, de plaats van de verweten gedraging naderend, ziet men het bord met einde voetgangerszone. Daarnaast bevreemdt het de gemachtigde dat volgens het onderbord bij het bord dat de voetgangerszone aanduidt inrijden is toegestaan op bepaalde dagen en uren. Dit duidt er op dat sprake is van een rijbaan – er zijn zelfs parkeerplaatsen beschikbaar - en dit maakt dat de gedraging niet is verricht. Tot slot meent de
gemachtigde dat de door de betrokkene genoemde omstandigheden, het hof begrijpt deze omstandigheden zo dat het voertuig op geen enkele manier het overige verkeer hinderde, dat de betrokkene in bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart en dat de situatie verwarrend is, aanleiding geven tot matiging van het sanctiebedrag.
11. De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht houdt – voor zover relevant - slechts in dat sprake is van overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en dat de gedraging heeft plaatsgevonden binnen de bebouwde kom.
12. Het dossier bevat daarnaast het hiervoor reeds genoemde, op 20 september 2016 op ambtseed opgemaakte, aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Deze verklaring houdt – voor zover relevant – het volgende in:
“Op donderdag 10 maart 2016, omstreeks 15:56 uur, zag ik, betrokken ambtenaar, dat een personenauto merk: FIAT, kleur: grijs, die was voorzien van het Nederlandse kenteken [00-YYY-0] , stond geparkeerd op de voor het openbaar verkeer openstaande weg Emile Seipgensstraat, ter plaatse gelegen binnen de bebouwde kom van en in de gemeente Roermond.
Ik zag dat betrokken voertuig stilstond in het voetgangersgebied. Ik zag dat betrokken voertuig stilstond tussen Theaterhotel de Oranjerie en Tapijtcentrum Roermond. Ik zag achter de voorruit van betrokken voertuig een gehandicaptenkaart en een parkeerschijf liggen.
Het voetgangersgebied is aangeduid door bord G7zb met als onderbord: “inrijden toegestaan ma t/m za 7.00-19.30 h” conform het RVV 1990. Tevens staat op het onderbord: “fietsers altijd toegestaan”. Deze staat duidelijk aangegeven bij de aanvang van het voetgangersgebied. Zie overzicht foto’s van locatie, bijlage 1.”
13. De foto’s laten een bord G7 zien, geplaatst op twee verschillende locaties, met een onderbord waaruit volgt dat inrijden is toegestaan van maandag tot en met zaterdag van 07:00 tot 19:30 uur, alsmede dat fietsers altijd zijn toegestaan en dat voetgangers voorrang hebben. Ook zijn foto’s bijgevoegd van de gedraging waarop het voertuig van de betrokkene is te zien dat staat op een - naar de uiterlijke verschijningsvorm aandoend – trottoir naast de gevel van een gordijnenzaak. Achter de voorruit is een gehandicaptenparkeerkaart en een parkeerschijf zichtbaar.
14. Het verweer van de gemachtigde geeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar inhoudend dat het voertuig van de betrokkene in een voetgangerszone stond. De ambtenaar heeft de specifieke locatie (tussen Theaterhotel de Oranjerie en Tapijtcentrum Roermond) van het voertuig vermeld die overeenkomt met hetgeen op de foto’s is te zien, alsmede dat de bebording duidelijk staat aangegeven bij aanvang van het voetgangersgebied. Dat men komende vanaf een andere straat op enig moment een einde voetgangerszonebord passeert maakt dit, wat hier verder ook van zij, niet anders.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.
Mr. Arends is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.221.276/01
CJIB-nummer
: 196473427
Uitspraak d.d.
: 12 februari 2020
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 6 juli 2017, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .
Het tussenarrest
Bij tussenarrest van 30 augustus 2019 heeft het hof de griffier van de rechtbank in de gelegenheid gesteld om het proces-verbaal van de zitting van 22 juni 2017 aan de griffier van het hof te verstrekken. De inhoud van dat arrest wordt hier als ingelast beschouwd.
Het verdere verloop van de procedure
Op 5 september 2019 heeft het hof een gewaarmerkt afschrift ontvangen van het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter en aan het dossier toegevoegd. Een afschrift daarvan is verzonden aan de gemachtigde van de betrokkene en de CVOM.
Middels schrijven van 24 september 2019 heeft de griffier van het hof de advocaat-generaal verzocht om nadere informatie in het geding te brengen.
Hierop is op 31 oktober 2019 een reactie van de advocaat-generaal ontvangen, waarvan een afschrift is toegezonden aan de gemachtigde van de betrokkene.
Beoordeling
1. Nu de griffier van de rechtbank een proces-verbaal van de zitting van 22 juni 2017 heeft toegezonden, wordt het verweer van de gemachtigde van de betrokkene dat een proces-verbaal van de zitting ontbreekt verworpen.
2. De gemachtigde heeft in hoger beroep verder opgemerkt dat zich in het dossier weliswaar een verslag van het horen door de officier van justitie bevindt, maar dat dit verslag betrekking heeft op het horen van een andere, voor de gemachtigde onbekende, betrokkene. De gemachtigde verzoekt om toezending van het juiste hoorverslag.
3. Artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt het volgende in:
"Van het horen wordt een verslag gemaakt."
4. Het hof stelt vast dat het dossier een verslag bevat van het horen van betrokkene C.H.M. van de Ven op 23 november 2016. Het hof heeft middels voornoemd schrijven van 24 september 2019 verzocht om toezending van het verslag betrekking hebbend op de betrokkene in deze zaak. Uit de reactie hierop van de advocaat-generaal kan worden afgeleid dat van het horen van de betrokkene destijds een verslag is opgemaakt, maar dat dit verslag thans niet meer kan worden achterhaald.
5. Voorgaande levert de situatie op dat niet kan worden vastgesteld dat van het horen van de betrokkene een verslag is gemaakt, hetgeen strijd oplevert met het bepaalde in artikel 7:7 van de Awb. Dit houdt in dat de beslissing van de officier van justitie geen stand kan houden. De kantonrechter heeft dit niet onderkend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Hetgeen (overigens) tegen deze beslissingen is aangevoerd, behoeft daarmee geen bespreking meer.
6. Bij inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “met een stilstaand voertuig niet de rijbaan gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 maart 2016 om 15:56 uur op de Emile Seipgensstraat in Roermond met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
7. De gemachtigde voert aan recht te hebben op de ‘overige gevraagde stukken’. Bij de opsporingsinstantie zijn deze stukken niet meer te verkrijgen en de Raad van State kwalificeert dergelijke informatieverzoeken als misbruik van recht, omdat die informatie in de onderhavige procedure valt te verkrijgen. De gemachtigde wijst er op dat de jurisprudentie van het hof dit laatste echter vooralsnog niet toelaat en verzoekt het hof om anders te oordelen dan voorheen.
8. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift van 15 april 2016 slechts heeft verzocht om toezending van het zaakoverzicht, alsmede dat hem dit is toegezonden. Dat in administratief beroep om andere stukken is gevraagd, valt op basis van de informatie in het dossier – in aanmerking genomen dat het verslag van het horen ontbreekt – niet vast te stellen. Uit het beroepschrift d.d. 18 december 2016, zoals dat is ingediend tegen de beslissing van de officier van justitie, valt in elk geval op te maken dat de gemachtigde in bezit is gesteld van het op 20 september 2016 opgemaakte aanvullend proces-verbaal met bijlagen dat zich in het dossier bevindt.
9. Andere stukken dan die hiervoor genoemd, behoeven in beginsel geen deel uit te maken van het dossier, tenzij redelijkerwijs twijfel bestaat over de aspecten waarop die informatie betrekking heeft (vergelijk het arrest van het hof van 17 oktober 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:8247). De gemachtigde heeft niet gespecificeerd om welke ‘overige gevraagde stukken’ is verzocht en evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt die niet of onvoldoende kunnen worden weerlegd aan de hand van de stukken die in het dossier aanwezig zijn. Het verzoek van de gemachtigde dient te worden afgewezen.
10. Ten aanzien van de inleidende beschikking erkent de betrokkene zijn voertuig op het bewuste moment te hebben geparkeerd in de Emile Seipgensstraat in Roermond met gebruikmaking van een geldige gehandicaptenparkeerkaart en een parkeerschijf achter de voorruit. Aangezien beide officiële gehandicaptenparkeerplaatsen bezet waren en geen andere parkeermogelijkheid aanwezig was, heeft de betrokkene zijn voertuig aan de overzijde van de straat geparkeerd achter een daar reeds geparkeerde groene Jaguar. De gemachtigde stelt zich allereerst op het standpunt dat niet duidelijk is dat het voertuig in een voetgangerszone stond, want vanaf de Oranjerie, de plaats van de verweten gedraging naderend, ziet men het bord met einde voetgangerszone. Daarnaast bevreemdt het de gemachtigde dat volgens het onderbord bij het bord dat de voetgangerszone aanduidt inrijden is toegestaan op bepaalde dagen en uren. Dit duidt er op dat sprake is van een rijbaan – er zijn zelfs parkeerplaatsen beschikbaar - en dit maakt dat de gedraging niet is verricht. Tot slot meent de
gemachtigde dat de door de betrokkene genoemde omstandigheden, het hof begrijpt deze omstandigheden zo dat het voertuig op geen enkele manier het overige verkeer hinderde, dat de betrokkene in bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart en dat de situatie verwarrend is, aanleiding geven tot matiging van het sanctiebedrag.
11. De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht houdt – voor zover relevant - slechts in dat sprake is van overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en dat de gedraging heeft plaatsgevonden binnen de bebouwde kom.
12. Het dossier bevat daarnaast het hiervoor reeds genoemde, op 20 september 2016 op ambtseed opgemaakte, aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Deze verklaring houdt – voor zover relevant – het volgende in:
“Op donderdag 10 maart 2016, omstreeks 15:56 uur, zag ik, betrokken ambtenaar, dat een personenauto merk: FIAT, kleur: grijs, die was voorzien van het Nederlandse kenteken [00-YYY-0] , stond geparkeerd op de voor het openbaar verkeer openstaande weg Emile Seipgensstraat, ter plaatse gelegen binnen de bebouwde kom van en in de gemeente Roermond.
Ik zag dat betrokken voertuig stilstond in het voetgangersgebied. Ik zag dat betrokken voertuig stilstond tussen Theaterhotel de Oranjerie en Tapijtcentrum Roermond. Ik zag achter de voorruit van betrokken voertuig een gehandicaptenkaart en een parkeerschijf liggen.
Het voetgangersgebied is aangeduid door bord G7zb met als onderbord: “inrijden toegestaan ma t/m za 7.00-19.30 h” conform het RVV 1990. Tevens staat op het onderbord: “fietsers altijd toegestaan”. Deze staat duidelijk aangegeven bij de aanvang van het voetgangersgebied. Zie overzicht foto’s van locatie, bijlage 1.”
13. De foto’s laten een bord G7 zien, geplaatst op twee verschillende locaties, met een onderbord waaruit volgt dat inrijden is toegestaan van maandag tot en met zaterdag van 07:00 tot 19:30 uur, alsmede dat fietsers altijd zijn toegestaan en dat voetgangers voorrang hebben. Ook zijn foto’s bijgevoegd van de gedraging waarop het voertuig van de betrokkene is te zien dat staat op een - naar de uiterlijke verschijningsvorm aandoend – trottoir naast de gevel van een gordijnenzaak. Achter de voorruit is een gehandicaptenparkeerkaart en een parkeerschijf zichtbaar.
14. Het verweer van de gemachtigde geeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar inhoudend dat het voertuig van de betrokkene in een voetgangerszone stond. De ambtenaar heeft de specifieke locatie (tussen Theaterhotel de Oranjerie en Tapijtcentrum Roermond) van het voertuig vermeld die overeenkomt met hetgeen op de foto’s is te zien, alsmede dat de bebording duidelijk staat aangegeven bij aanvang van het voetgangersgebied. Dat men komende vanaf een andere straat op enig moment een einde voetgangerszonebord passeert maakt dit, wat hier verder ook van zij, niet anders.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.
Mr. Arends is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.