Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-11-14
ECLI:NL:GHARL:2017:9995
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.167.652/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/129416 / HA ZA 13-270) arrest van 14 november 2017 in de zaak van ASR Schadeverzekering N.V., gevestigd te Utrecht, appellante, in eerste aanleg: eiseres in de hoofdzaak, hierna: ASR , advocaat: mr. J.R. Meelker, kantoorhoudend te Amersfoort, tegen Fryske Wâlden Vastgoed 1 B.V., rechtsopvolgster onder algemene titel van HCA B.V., gevestigd te Harkema, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde in de hoofdzaak, hierna: HCA , advocaat: mr. A.J. Welvering, kantoorhoudend te Leek. 1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 15 december 2015 hier over. 1.2 In dit tussenarrest is een comparitie van partijen gelast, die op 10 februari 2016 heeft plaatsgevonden. Van deze comparitie is proces-verbaal opgemaakt. 1.3 Vervolgens is de zaak naar de rol verwezen in verband met schikkingsonderhandelingen. Een schikking is niet bereikt, waarna de stukken zijn overgelegd voor het wijzen van arrest en het hof arrest heeft bepaald. 2 De verdere beoordeling van de grieven en de vordering 2.1 De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.10) van het vonnis van 17 december 2014 de feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht en ook overigens is niet van bezwaren gebleken. Het hof zal dan ook van de door de rechtbank vastgestelde feiten uitgaan, die aangevuld met enkele andere vaststaande feiten op het volgende neerkomen. 2.2 WerkTijd B.V. (hierna te noemen WerkTijd) exploiteert een uitzendbureau. WerkTijd heeft een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW gesloten met de heer A [A] (hierna te noemen [A] ). WerkTijd heeft [A] per 8 januari 2008 ter beschikking gesteld aan HCA op basis van een inleenovereenkomst. Op deze inleenovereenkomst zijn de NBBU-voorwaarden van toepassing. 2.3 De NBBU-voorwaarden bepalen onder meer: “Artikel 6. Aansprakelijkheid 1. Behoudens bepalingen van dwingend recht, alsmede met inachtneming van de algemene normen van redelijkheid en billijkheid, is de uitzendonderneming niet gehouden tot enige vergoeding van schade van welke aard dan ook, direct of indirect, ontstaan aan de uitzendkracht of aan zaken dan wel personen bij of van de inlener of een derde, welke schade is ontstaan als gevolg van: a. a) de terbeschikkingstelling van de uitzendkracht door de uitzendonderneming aan de inlener, ook wanneer mocht blijken dat die uitzendkracht niet blijkt te voldoen aan de door de inlener aan hem gestelde vereisten b. (…..) c) toedoen of nalaten van de uitzendkracht, de inlener zelf of een derde, waaronder begrepen (…..). 4. In ieder geval dient de inlener de uitzendonderneming te vrijwaren tegen eventuele vorderingen van de uitzendkracht of derden, tot vergoeding van schade als bedoeld in lid 1 van dit artikel geleden door die uitzendkracht of derden.(…) Artikel 14. Zorgverplichting inlener en vrijwaring jegens de uitzendonderneming 1. De inlener is ervan op de hoogte dat hij volgens de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 7:658 BW de verplichting heeft om te zorgen voor een veilige werkplek van de uitzendkracht. De inlener verstrekt de uitzendkracht concrete aanwijzingen om te voorkomen dat de uitzendkracht in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Tevens verstrekt de inlener de uitzendkracht persoonlijke beschermingsmiddelen voor zover noodzakelijk. (…..) 3. De inlener is tegenover de uitzendkracht en de uitzendonderneming aansprakelijk voor en dientengevolge gehouden tot vergoeding van de schade die de uitzendkracht in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de uitzendkracht, alles met inachtneming van het bepaalde in artikel 6. (…..)5. De inlener zal de uitzendonderneming te allen tijde vrijwaren tegen aanspraken, jegens de uitzendonderneming ingesteld wegen 2.7 WerkTijd heeft haar bedrijfsaansprakelijkheid verzekerd bij ASR. ASR heeft Cordaet, naar de omschrijving van Cordaet van de opdracht in haar hierna te noemen rapport, opdracht gegeven een “toedrachtsonderzoek en sans prejudice letselschade-inventarisatie” te verrichten. Cordaet heeft op 26 april 2010 gerapporteerd. In dat rapport is vermeld dat de medewerker van Cordaet heeft gesproken met kraanmachinist J [F] , voorman [B] , directeur [C] en P&O functionaris mevrouw [G] van Jan de Roos. Onder het kopje “visie verzekerde” is in het rapport het volgende vermeld:“Van zowel de heer [F] als de heer [B] vernam ik dat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens het plaatsen van een spant tussen 2 staanders. Op de staanders/pilaren was een dubbele lip aangebracht met vermoedelijk 4 schroefgaten. Het was de bedoeling dat de balk van het spant tussen de dubbele lip werd geplaatst en dat de aangebrachte gaten in de balk van het spant ter hoogte kwamen van de gaten die in de lippen waren aangebracht. Zodra de gaten op gelijke hoogte waren aangebracht kon de monteur met behulp van een metalen pin die spits toeloopt deze in een van de gaten steken, zodat de balk van het spant in positie bleef hangen. Daarna kunnen de schroeven en bouten worden geplaatst.Het plaatsen van een spant tussen een dubbele lip geschiedde met behulp van een kraanwagen. De machinist van de kraanwagen zat in de cabine en kon op aanwijzing van de monteur het spant manoeuvreren. Dit geschiedde met gebarentaal. Het spant werd geplaatst door 2 personen die allebei in een hoogwerker stonden opgesteld. De beide monteurs stonden ieder aan een uiteinde van het spant. Een zijde, vermoedelijk de linkerzijde, was al door de andere monteur, de zzp-er vastgezet aan de staander dus tussen bovengenoemde beide lippen. Ten tijde van het ongeval was wederpartij doende om de andere zijde van het spant tussen de beide lippen te laten manoeuvreren zodat hij deze kon vastzetten. Wederpartij gaf zodoende zelf aanwijzingen aan de kraanmachinist om het spant voorzichtig te laten zakken. De gebaren die dan worden verstrekt zijn zodanig dat de kraanmachinist precies weet op welke wijze hij het spant dient te laten zakken. Door de duim en wijsvinger met de uiteinden op elkaar te plaatsen is dit voor de kraanmachinist het signaal dat hij het spant zeer geleidelijk en langzaam dient te laten zakken. Met de andere hand geeft de monteur aan of er gehesen moet worden of dat de kraanmachinist de lading dient te laten zakken. Vanuit de positie waarin de kraanmachinist zit kan hij niet beoordelen in welke mate de last moet worden gehesen dan wel moet laten zakken. Wat dat betreft vaart hij geheel op de aanwijzingen die hij krijgt van de monteur die in de hoogwerker staat opgesteld. Van de kraanmachinist vernam ik dat de wederpartij het teken had gegeven om de last iets te laten zakken en op dat moment zag de kraanmachinist dat wederpartij zijn hand wegtrok. Hij had toen gelijk in de gaten dat er wat gebeurd was en zette toen zijn hijsinstallatie stil. De kraanmachinist vermoedt dat wederpartij bekneld is komen te zitten maar hij weet niet wat daarvan de reden is geweest. Het is bij de kraanmachinist dan ook niet bekend of wederpartij gewond raakte op het moment dat hij de metalen pen in een van de ogen wilde steken of dat hij met zijn hand tussen de balk en aangebrachte lippen bekneld is geraakt. De kraanmachinist houdt rekening met de mogelijkheid dat wederpartij een handeling wilde verrichten maar dat hij toen vergat de kraanmachinist de opdracht te geven te stoppen met het laten zakken.Volgens mijn gesprekspartners kan wederpartij als een zeer ervaren medewerker worden aangemerkt. Bij mijn gesprekspartners is bekend dat wederpartij regelmatig werd ingehuurd door HCA Harkema, een constructiebedrijf, en dat hij via dit constructiebedrijf meerdere malen belast is geweest met het monteren van een bedrijfshal. Ook heeft de heer [A] regelmatig voor montagebedrijf Jan de Roos werkzaamheden verricht. De er Volgens wederpartij heeft hij moeite met handelingen met betrekking tot de fijne motoriek.” Onder het kopje “arbeidsongeschiktheid” is in het rapport het volgende vermeld:“Wederpartij is na het ongeval voor een periode van 1,5 jaar arbeidsongeschikt geweest. In december 2009 heeft wederpartij nog gewerkt bij HCA te Harkema. Het was de bedoeling dat wederpartij een leidinggevende functie zou krijgen, maar in de praktijk kwam het erop neer dat hij toch regelmatig mee moest werken. Dit werd door wederpartij als te belastend ervaren.Per 1 april 2010 is wederpartij in dienst getreden bij Pakketservice Dienst Fryske te Berghem. Samen met 20 personen is wederpartij als vennoot werkzaam bij bovengenoemd bedrijf. Wederpartij krijgt per maand een voorschot salaris uitgekeerd uitkomend op € 1.300,-- per maand. Na 3 maanden vindt er een verrekening plaats op basis van het aantal bezorgde pakketten. Dan wordt er een bruto vergoeding verstrekt. (…)”Aan het slot van het kopje “visie ten aanzien van de aansprakelijkheid” is het volgende vermeld:“In mijn vorige rapportage heb ik u al kenbaar gemaakt dat het voor mij niet duidelijk was welk verwijt de inlenende werkgever kan worden gemaakt dan wel welke norm is overtreden.Tijdens mijn bezoek aan wederpartij heb ik de belangenbehartiger nog uitgenodigd kenbaar te maken welke norm er zou zijn geschonden. In reactie hierop liet de belangenbehartiger mij weten hiertoe geen aanleiding te zien. Het feit dat het ongeval tijdens uitoefening van beroepsmatige werkzaamheden heeft plaatsgevonden, is voor hem al voldoende aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat er sprake is van aansprakelijkheid aan de zijde van de werkgever.Tijdens het onderhoud met de wederpartij heb ik opnieuw kunnen constateren dat klaarblijkelijk de gehanteerde werkwijze niet verkeerd is geweest. De door wederpartij gehanteerde werkwijze komt veelvuldig voor bij het bouwen van staalconstructies. Van wederpartij kreeg ik dan ook de indruk dat het ongeval niet is ontstaan door het feit dat de wederpartij onvoldoende instructies zou hebben verkregen dan wel dat hierop onvoldoende toezicht werd gehouden en ook niet op grond van het feit dat er ten tijde van het ongeval sprake was van een gevaarlijke werksituatie. De werkgever kan mijns inziens alleen aansprakelijk worden geacht wanneer aangetoond kan worden dat de betreffende kraanmachinist onjuist zou hebben gehandeld en dat deze tegen de verkregen instructies in het spant heeft laten zakken waardoor het ongeval kon plaatsvinden. Een bevestiging hiervoor is niet verkregen. Uitgaande van de lezing van de kraanmachinist kan het vermoeden worden geuit dat wederpartij kennelijk vergeten is om het stopteken aan de kraanmachinist te geven waardoor er te veel spanning kwam te staan op de lepel, de metalen pin, waardoor deze wegschoot. Kennelijk is de wederpartij toen bekneld geraakt. De mogelijkheid bestaat natuurlijk ook dat wederpartij zijn hand ergens tussen heeft gekregen en dat vervolgens bij het wegtrekken van zijn hand de lepel wegsprong. Kortom op basis van de thans aanwezige gegevens valt niet te achterhalen op welke wijze het ongeval heeft plaatsgevonden. Ook valt niet te bewijzen dat de kraanmachinist onrechtmatig zou hebben gehandeld. Op grond hiervan zal het voor wederpartij lastig zijn om de aansprakelijkheid aan de zijde van de kraanmachinist aan te tonen. Zolang de verwijtbaarheid van de kraanmachinist niet vaststaat, behoeft de aansprakelijkheid aan de zijde van de werkgever niet te worden aangenomen.” 2.9 ASR heeft bij brief van 7 september 2010 aan mr. Speksnijder bericht (voor zover hier van belang): “Wij hebben overleg met de expert gehad. In verband met de verhaalsrechtelijke aspecten erkennen wij geen aansprakelijkheid. Desalniettemin vergoeden wij de schade van de heer [A] als ware WerkTijd BV aansprakelijk voor zijn schade.”Na deze brief heeft ASR een schaderegelingstraject opgestart. In het kader van dat traject is onder meer een arbeidsdeskundig onderzoe 3.3 De rechtbank heeft in de hoofdzaak de vordering van ASR afgewezen, met veroordeling van ASR in de proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het vrijwaringsbeding pas succesvol door ASR kan worden ingeroepen als WerkTijd zelf tot betaling verplicht zou zijn geweest. Uit het zelf door ASR ingenomen en gehandhaafde standpunt, volgt dat ASR van mening was dat WerkTijd niet aansprakelijk was voor de door [A] geleden schade, omdat geen sprake was van een schending van de zorgplicht van artikel 7:658 lid 1 BW. ASR heeft dus onverplicht aan [A] betaald. Ook de subsidiaire grondslag kan volgens de rechtbank de vordering niet dragen, nu het causaal verband ontbreekt tussen de gestelde tekortkoming en de door ASR gestelde schade. 4 Bespreking van de grieven 4.1 Het hof stelt voorop dat in appel nog slechts de primaire grondslag van de vordering van ASR aan de orde is. Die grondslag komt erop neer dat HCA WerkTijd, in wier rechten ASR is gesubrogeerd, dient te vrijwaren voor de vordering van [A] . 4.2 Met grief II komt ASR onder meer op tegen het oordeel van de rechtbank dat ASR onverplicht heeft betaald aan [A] en dat dit onder meer volgt uit de eigen stellingen van ASR, die erop neerkomen dat WerkTijd heeft voldaan aan haar zorgplicht jegens [A] en uit het feit dat ASR de aansprakelijkheid van WerkTijd van de hand heeft gewezen. 4.3 ASR heeft er terecht op gewezen dat het enkele feit dat zij in het geschil met [A] het (officiële) standpunt heeft ingenomen dat WerkTijd haar zorgplicht niet heeft geschonden en dus niet aansprakelijk is voor de door [A] geleden schade, er niet aan in de weg staat dat WerkTijd toch aansprakelijk is jegens [A] . ASR heeft in de discussie met [A] buiten rechte een standpunt ingenomen, maar daaraan is zij in de procedure met HCA niet gebonden. ASR heeft er bovendien op gewezen dat in de in rechtsoverweging 2.9 aangehaalde brief van ASR aan de raadsman van [A] van 7 september 2010 uitdrukkelijk is aangegeven dat ASR om een formele reden geen aansprakelijkheid erkent, maar de vordering van [A] wel zal afhandelen alsof sprake is van aansprakelijkheid. Van een stellige ontkenning van aansprakelijkheid was in de buitengerechtelijke discussie met [A] dan ook geen sprake. Het door ASR ingeschakelde onderzoeksbureau Cordaet heeft weliswaar geconcludeerd dat onvoldoende grond bestaat voor aansprakelijkheid van WerkTijd, maar ASR is niet aan het standpunt van Cordaet gebonden. Cordaet is door ASR ingeschakeld om onderzoek te verrichten naar de toedracht van het ongeval en naar de omvang van de schade. Aan een advies van Cordaet over de aansprakelijkheid van WerkTijd is ASR niet gebonden. Het staat ASR vrij om ondanks het advies van ASR de claim van [A] te honoreren op basis van haar eigen inschatting van de kansen van [A] in een eventuele procedure jegens WerkTijd. 4.4 Uit het voorgaande volgt dat de conclusie van de rechtbank dat ASR onverplicht aan [A] heeft betaald onvoldoende basis heeft. Grief II is in zoverre terecht voorgesteld. Of dat ASR kan baten, zal hierna blijken. Het hof zal in dat verband onderzoeken of ASR inderdaad onverplicht heeft betaald. Daartoe zal het nagaan of indien [A] WerkTijd in rechte zou hebben betrokken zijn vordering toewijsbaar zou zijn geweest, zoals ASR zowel in eerste aanleg als in appel (in grief II en in de toelichting op grief I) gemotiveerd heeft gesteld, maar HCA heeft bestreden. Het hof zal in het midden laten of de overeenkomst tussen HCA en WerkTijd behelst dat HCA gehouden is om WerkTijd te vrijwaren voor iedere (in of buiten rechte ingediende) aanspraak van een door WerkTijd aan HCA uitgeleende werknemer, ongeacht de validiteit van de aanspraak en zal, bij wijze van veronderstelling, het standpunt van HCA volgen dat de verplichting tot vrijwaring alleen betrekking heeft op toewijsbare vorderingen van uitgeleende werknemers. 4.5 Indien, zoals in dit geval, vaststaat dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden waarvan hij op HCA zou er dan ook groot belang bij hebben gehad die informatie te verstrekken, omdat indien WerkTijd aansprakelijk zou worden gehouden WerkTijd haar, HCA, ook in de visie van HCA op grond van de overeenkomst tussen partijen met succes in vrijwaring zou kunnen roepen. Indien [A] niet (alleen) WerkTijd maar (ook) HCA in rechte zou hebben aangesproken (met een beroep op artikel 7:648 lid 4 BW), zou HCA hebben moeten stellen (en zo nodig moeten bewijzen) dat zij (en Jan [C] ) alle maatregelen heeft (hebben) getroffen die redelijkerwijs van haar (hen) gevergd konden worden om dit ongeval te voorkomen. Tussen [A] en WerkTijd is echter niet geprocedeerd. Het is daarentegen wel gekomen tot een procedure tussen ASR (gesubrogeerd in de rechten van WerkTijd) en HCA. Van HCA mag, in het licht van hetgeen hiervoor is vermeld over haar positie in de situatie dat [A] WerkTijd en/of HCA in rechte zou hebben betrokken, verwacht worden dat zij haar verweer tegen de stellingen van ASR in die zin grondig onderbouwt dat zij in elk geval gemotiveerd stelt dat en waarom zij en Montage hebben gedaan wat redelijkerwijs van hen kon worden gevergd om het ongeval te voorkomen. 4.9 Ofschoon de precieze toedracht van het ongeval ook na de uitgebrachte rapporten onduidelijk is, is wel duidelijk dat het ongeval plaatsvond toen [A] bezig was met een werk op hoogte waarbij hij in direct contact kwam met zware staalelementen die met elkaar verbonden moesten worden. [A] moest zijn handen gebruiken om de verbinding tot stand te brengen. Een van beide elementen werd daarbij niet door hemzelf, maar door een ander, de kraanmachinist, gemanoeuvreerd. Die kraanmachinist kon vanuit zijn positie niet zelf vaststellen hoever hij het element precies moest laten zakken of hijsen, maar was daarvoor afhankelijk van aanwijzingen die [A] hem gaf. Die aanwijzingen werden met handgebaren gegeven. Naar het oordeel van het hof kleeft aan dit werkproces het risico dat een hand bekneld raakt tussen beide elementen. Het betreft immers ‘handwerk’ in de onmiddellijke omgeving van zware elementen waarvan er een in beweging is. Het bewegende element wordt bovendien gemanoeuvreerd door een derde, die zelf geen rechtstreeks zicht heeft op de plek waar beide elementen bij elkaar komen (en waar een hand bekneld kan raken), maar die zijn manoeuvres moet afstemmen op aanwijzingen door middel van handgebaren. De veiligheidsverplichtingen van de werkgever moeten erop gericht zijn om te voorkomen dat het risico dat een hand of een ander lichaamsdeel van de betrokken werknemer bekneld raakt, zoals daadwerkelijk is gebeurd. 4.10 Het hof stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat ten aanzien van dit risico specifieke maatregelen zijn getroffen of instructies zijn gegeven. In dit verband is van belang dat uit het rapport van Cordaet van 26 april 2010 volgt dat het risico in de RIE van Montage niet is beschreven. Dat er specifieke maatregelen zijn getroffen of instructies zijn verstrekt, ligt dan ook niet voor de hand. Volgens HCA is het gevolgde werkproces het in de staalbouw gebruikelijke proces. Dat betekent, anders dan HCA meent, niet dat van de werkgever geen specifieke maatregelen gevergd kunnen worden. Dat overeenkomstig het gebruikelijke werkproces is gehandeld, betekent nog niet dat de werkgever de maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om het ongeval te voorkomen. In dit geval is, volgt uit de omschrijving van het werkproces, cruciaal dat de kraanmachinist geen direct zicht had op de plaats waar de beide elementen door [A] met de hand aan elkaar bevestigd moesten worden, en derhalve op de plaats waar het risico bestond dat de hand van [A] , bij het manoeuvreren van een van de elementen bekneld kon raken. De machinist was voor zijn ‘zicht’ op deze plek afhankelijk van handgebaren van [A] . HCA heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat het technisch of financieel, bijvoorbeeld door middel van het aanbrengen van een camerasysteem op de kraan, redelijkerwij Bij de memorie van grieven heeft ASR diverse rapporten in het geding gebracht, onder meer van een ingeschakelde arbeidsdeskundige, die duidelijkheid geven over de ontwikkeling van de klachten en beperkingen van [A] en over het (gecompliceerde) re-integratieproces. Daarmee heeft zij naar het oordeel van het hof de omvang van het aan [A] uitbetaalde schadebedrag voldoende onderbouwd. HCA heeft de omvang van dit bedrag in hoger beroep ook niet meer (gemotiveerd) betwist. Dat betekent dat de vordering van ASR in elk geval toewijsbaar is tot een bedrag van € 97.500,-. 4.16 Hiervoor heeft het hof overwogen dat de grondslag van de vordering van ASR is dat zij is gesubrogeerd in de rechten die WerkTijd jegens HCA kan ontlenen aan de overeenkomst tussen WerkTijd en HCA. Op grond van deze overeenkomst dient HCA WerkTijd te vrijwaren tegen de vordering van [A] . Die vordering bedraagt, zoals hiervoor is overwogen, € 97.500,-. De overeenkomst tussen WerkTijd en HCA voorziet er niet in dat WerkTijd, in wier rechten ASR is getreden, ook jegens HCA aanspraak kan maken op vergoeding van de door werktijd zelf of haar aansprakelijkheidsverzekeraar gemaakte kosten die verband houden met de afwikkeling van de vordering van [A] . De subrogatie van ASR in de rechten van WerkTijd uit de overeenkomst met HCA biedt dan ook geen toereikende grondslag voor deze vordering van ASR. Een andere grondslag heeft ASR niet gesteld. De slotsom is dat de vordering van ASR op HCA toewijsbaar is tot een hoofdsom van € 97.500,-. Het hof zal over dit bedrag de wettelijke rente toewijzen vanaf 15 maart 2013, de datum waarop - naar uit de overgelegde stukken volgt - de slotbetaling van € 80.000,- aan [A] heeft plaatsgevonden. Het hof heeft uit de stukken niet kunnen opmaken wanneer de voorschotten zijn betaald en ASR heeft ook geen overzicht van betalingsdata verstrekt. Het hof merkt in dit verband op dat niet de datum waarop ASR HCA aansprakelijk heeft gesteld, maar de datum waarop zij de vordering van [A] heeft betaald, bepalend is voor de ingangsdatum van de wettelijke rente. 4.17 ASR heeft ook aanspraak gemaakt op de vergoeding van buitengerechtelijke kosten in verband met, zo begrijpt het hof, de incasso van haar vordering op HCA. Vaststaat dat van de zijde van ASR voorafgaand aan het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in elk geval een drietal brieven is verstuurd aan HCA, waarin HCA aansprakelijk is gesteld en waarin betaling is gevorderd van de op dat moment verschenen schade. Daarmee staat vast dat werkzaamheden zijn verricht ter verkrijging van voldoening buiten rechte. In een situatie als deze - er zijn buitengerechtelijke werkzaamheden verricht ter voldoening van een uit een handelsovereenkomst voortvloeiende geldvordering - ligt het voor de hand voor de omvang van de buitengerechtelijke kosten aansluiting te zoeken bij het BIK (vgl. artikel 6:96 lid 5 BW).Uitgaande van een vordering van € 97.500,- bedragen deze kosten dan € 1.750,-. Het hof zal de vordering van ASR tot dat bedrag toewijzen. 4.18 Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de vordering van ASR grotendeels toewijsbaar is. ASR heeft dan ook te gelden als de overwegend in het gelijk te stellen partij. Dat betekent dat zij in eerste aanleg ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld. Ook in zoverre slaagt grief III. 4.19 De slotsom is dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven en zal worden vernietigd. De vordering van ASR toewijsbaar is tot een bedrag van € 99.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 97.500,- vanaf 15 maart 2013. HCA zal als de overwegend in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de proceskosten in eerste aanleg (geliquideerd salaris van de advocaat: 3 punten, tarief V) en in hoger beroep(geliquideerd salaris van de advocaat: 2 punten, tarief V), te vermeerderen met nasalaris. De vordering van ASR tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van het te vernietigen vonnis heeft voldaan, is eveneens toewijsbaar. 4.20 Bij deze stand van zake