Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-10-27
ECLI:NL:GHARL:2017:9297
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004692-16 Uitspraak d.d.: 27 oktober 2017 TEGENSPRAAK Promis Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 augustus 2016 met parketnummer 16-706998-15 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , thans verblijvende in [detentieadres] . Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 3 februari 2017 en 13 oktober 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. H. Sytema, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een iets andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat: Feit 1 primair hij in of omstreeks de periode van 31 juli 2015 tot en met 5 augustus 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, (meermalen) (telkens) (met kracht) tegen/op de romp van die [slachtoffer] , althans tegen/op het lichaam, geslagen en/of gestompt en/of (met geschoeide voet(en)) getrapt en/of geschopt, althans één of meer vormen van geweld en/of geweldshandelingen op (de romp van) die [slachtoffer] toegepast/uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; Feit 1 subsidiair hij in of omstreeks de periode van 31 juli 2015 tot en met 5 augustus 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een dubbelzijdige klaplong en/of meerdere ribfracturen en/of perforatie van de borstvliezen en/of perforatie van de rechterleverkwab) heeft toegebracht, door opzettelijk (meermalen) (telkens) (met kracht) tegen/op de romp van die [slachtoffer] , althans tegen/op het lichaam van die [slachtoffer] , te slaan en/of te stompen en/of (met geschoeide voet(en)) te trappen en/of te schoppen, althans één of meer vormen van geweld en/of geweldshandelingen op (de romp van) die [slachtoffer] toe te passen en/of uit te oefenen, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad; Feit 1 meer subsidiair hij in of omstreeks de periode van 31 juli 2015 tot en met 5 augustus 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer] , heeft mishandeld door haar (meermalen) (telkens) (met kracht) tegen/de romp, althans tegen/op het lichaam, te slaan en/of te stompen en/of met geschroeide voet(ten) te trappen en/of te schoppen, althans één of meer vormen van geweld en/of geweldshandelingen op (de romp van) die [slachtoffer] toe te passen en/of uit te oefenen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad. Feit 2 hij in of omstreeks de periode van 31 juli 2015 tot en met 5 augustus 2015 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, het lijk van [slachtoffer] heeft begraven en/of verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, immers heeft hij, verdachte, - het lijk van die [slachtoffer] vervoerd en/of - het lijk van die [slachtoffer] begraven in een grafkuil, althans in een bebost perceel. Indien in de tenlasteleggin De letsels zijn volgens patholoog Maes van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) het gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend geweld op de romp. Maes heeft voorts geconcludeerd dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend en/of comprimerend geweld op de romp. Het overlijden door het oplopen van de letsels kan goed worden verklaard door functieverlies van de longen en door belemmering van de circulatie. Forensisch arts Botter heeft aangegeven dat gezien de leeftijd van [slachtoffer] , de omvang van de onderhuidse bloeduitstorting, het aantal ribbreuken en de omvang van de inwendige schade een krachtige geweldsinwerking zal hebben plaatsgevonden tegen de rechterzijde van de borstkas ter hoogte van de 6e tot en met de 9e rib. De perforaties van borstholte, middenrif en lever zijn veroorzaakt door binnenwaartse verplaatsing van de scherpe breukranden van de gebroken rib(ben). Slaan, stompen, schoppen, vallen of (zich) stoten worden als causaal mechanisme voor de letsels als veel waarschijnlijker genoemd dan het samendrukken van de borstkas door met gewicht op [slachtoffer] te gaan zitten. Daarbij heeft Botter aangegeven dat schoppen in vergelijking met slaan veel ernstiger letsels kan opleveren vanwege de grotere energieoverdracht. Volgens Maes zijn de sectiebevindingen veel waarschijnlijker onder de hypothese dat de letsels aan de ribben, long(en) en lever zijn ontstaan door één geweldsinwerking dan onder de hypothese dat de letsels aan de ribben, long(en) en lever zijn ontstaan door meer dan één geweldsinwerking. Botter acht in dit verband van betekenis dat de ribbreuken zich op dezelfde plaats in vier naast elkaar gelegen ribben bevinden. De sectiebevindingen zijn volgens Maes voorts waarschijnlijker onder de hypothese dat [slachtoffer] een beperkt aantal minuten na het optreden van de leverperforatie is overleden dan onder de hypothese dat [slachtoffer] na een uur (of meer) na het optreden van de leverperforatie is overleden. Uit het weinige bloed in de vrije buikholte kan worden afgeleid dat [slachtoffer] kort na het oplopen van de leverperforatie is overleden. De geringe hoeveelheid bloed in de buikholte impliceert volgens Botter dat de overlevingsduur na optreden van de leverperforatie kort is geweest, naar schatting een beperkt aantal minuten. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend heftig botsend en/of comprimerend geweld op de romp ten gevolge waarvan onder meer een leverperforatie is ontstaan en dat het moment van overlijden ligt kort na deze leverperforatie. Verzoek horen deskundigen Botter en Maes De raadsman van verdachte heeft bij brief van 25 juli 2017 en ter zitting van het hof van 13 oktober 2017 verzocht de deskundigen Maes en Botter te horen omtrent de doodsoorzaak en het moment van overlijden van [slachtoffer] . Nadat ter terechtzitting van het hof is gebleken dat deskundige Maes onlangs is overleden, heeft de raadsman verzocht om naast deskundige Botter een deskundige met een zelfde achtergrond als Maes te horen. Het hof wijst dit verzoek af. Zowel patholoog Maes als forensisch arts Botter hebben een rapport opgesteld en hebben aanvullende vragen beantwoord omtrent de doodsoorzaak en het moment van overlijden van [slachtoffer] . Er is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. Het hof acht het horen van deskundige Botter en een deskundige met een zelfde achtergrond als patholoog Maes derhalve niet noodzakelijk. Verzoek horen deskundige omtrent aangetroffen GHB De raadsman van verdachte heeft bij brief van 25 juli 2017 en ter zitting van het hof van 13 oktober 2017 voorts verzocht deskundige dr. M.J. Vincenten van Maanen van het Nederlands Forensisch Instituut als deskundige te horen omtrent de aangetroffen hoeveelheid GHB in het bloed van [slachtoffer] . Het hof heeft ter terechtzitting va Achtergelaten bagage met anticonceptiepil [slachtoffer] heeft op 31 juli 2015 voordat zij naar de woning van verdachte is gegaan haar koffer achtergelaten in de woning van [getuige] , bij wie zij zou logeren tijdens haar verblijf in Nederland. Op vrijdagavond 31 juli 2015 was [slachtoffer] om 23.00 uur nog niet in de woning van [getuige] . [getuige] heeft [slachtoffer] toen twee berichtjes gestuurd, maar heeft geen contact meer met haar gehad. De bagage van [slachtoffer] is achtergebleven in de woning van [getuige] . In deze achtergelaten bagage bevond zich een strip met anticonceptiepillen. Alle vakjes waren leeg, met uitzondering van het vakje met de pil van ‘Vr’ (het hof begrijpt: vrijdag). Pizza/maaginhoud Op 31 juli 2015 heeft verdachte om 17.36 uur een bedrag gepind bij pizzeria Domino’s te [plaats] . Bij Domino’s zijn op die datum en op dat tijdstip twee pizza’s besteld en betaald: een pizza Hawaii en een pizza Mixed Grill. Eén van deze pizza’s was volgens verdachte voor zijn dochters, de andere pizza was voor [slachtoffer] . Deze pizza’s bevatten de ingrediënten tomatensaus, mozzarella, ham, ananas en extra kaas (‘pizza Hawaii’) en BBQ saus, mozzarella, rode ui, paprika, gehakt, bacon, ham en gegrilde kip ‘(pizza BBQ mixed grill’). De maaginhoud van [slachtoffer] is onderzocht. Daarbij is door het NFI aangegeven dat onder normale omstandigheden 90% van het vaste voedsel de maag in vier uur doorloopt. In de maaginhoud van [slachtoffer] werden fragmenten rode en gele paprika of Spaanse peper, ui en varkensvlees aangetroffen. Het NFI heeft op grond hiervan geconcludeerd dat de laatste maaltijd van [slachtoffer] heeft bestaan uit rode en gele paprika of Spaanse peper, ui en varkensvlees. Contact met [dochter] heeft voor het laatst contact gehad met haar moeder, die op dat moment in de woning van verdachte was, op 31 juli 2015 om 19.24 uur. [dochter] hoorde haar tweeling halfzusjes op de achtergrond. Na die vrijdag heeft [dochter] niets meer van haar vernomen, terwijl zij anders dagelijks contact hadden via de telefoon of via WhatsApp. Toen [dochter] op 31 juli 2015 om 21.55 uur en om 23.59 uur volgens afspraak belde naar [slachtoffer] om te zeggen dat zij in [plaats 2] was aangekomen, kreeg [dochter] telkens de voicemail. Verdachte Verdachte heeft verklaard dat hij zijn woning heeft verlaten nadat [slachtoffer] daar op vrijdag 31 juli 2015 was gearriveerd. Even na 21.00 uur is verdachte teruggekeerd naar zijn woning waar [slachtoffer] op dat moment was met hun kinderen. Volgens verdachte hebben hij en [slachtoffer] in de woning een discussie gehad die ongeveer tien minuten heeft geduurd waarbij met stemverheffing is gesproken. Verklaring [dochter 2] , dochter van [slachtoffer] en verdachte, heeft haar moeder voor het laatst gezien toen [slachtoffer] bij verdachte in huis was. [dochter 2] heeft verklaard dat papa zijn werkbroek en werkschoenen aandeed. Mama kwam thuis met het vliegtuig en papa had twee rozen gekocht. Mama kwam niet. Zij gingen toen weer met de auto rijden en papa heeft de rozen weer in de auto neergelegd. Daarna zijn zij naar huis gereden en hebben zij nog televisie gekeken. Toen zijn zij naar bed gegaan. Mama is thuisgekomen en papa ging naar zijn werk. Mama ging goed op hen passen. Papa kwam weer thuis: ‘ [dochter 2] : (…) toen ging papa ruzie maken met mama. En eh, toen ging mama weer, toen was er geen herrie meer. En toen was er herrie weer. (…) Verbalisant: Oké, want wat hoorde jij dan? Dat het ruzie was? [dochter 2] : Omdat mama ging gillen. Verbalisant: Omdat mama ging gillen. Wat hoorde jij dan gillen? [dochter 2] : Eh, ahhhh. Verbalisant: Oké, en zei papa toen iets? Toen mama aan het gillen was? [dochter 2] : Eh, nee (…) Alleen mama. Alles ging papa aan mama toen mama aan het gillen was toen zegt papa, zei mama alles over papa dat papa toen eh, mama aan het gillen was. (…) Verbalisant: (…) Waar gilde mama?[dochter 2] : Binnen (…) En toen weer de tweede keer. Verbalisant: Wie hoorde jij gillen?[doch Verdachte was de enige gebruiker van een Nokia Lumia 630 met [IMEI-nummer 2] .Verdachte was voorts de gebruiker van de simkaart met telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Deze simkaart is gevonden in de Nokia Lumia 630 van verdachte. In de Nokia Lumia 630 is ook een simkaart met telefoonnummer [telefoonnummer 2] gebruikt. Voor de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] zijn op 31 juli 205 om 12.00 uur beltegoeden van elk € 10,- gekocht bij Albert Heijn aan [adres 4] in [plaats] . Van de bankrekening van verdachte is op 31 juli 2015 om 12.00 uur een bedrag van € 20,- afgeschreven op [adres 4] in [plaats] . De aangekochte beltegoeden hebben unieke serienummers: [serienummer 1] en [serienummer 2] . De simkaart met telefoonnummer [telefoonnummer 2] is op 4 augustus 2015 om 20.29 uur voor het eerst in gebruik genomen door opwaardering van het beltegoed met nummer [serienummer 2] . De simkaart wordt op dat moment gebruikt in de Nokia Lumia van verdachte. De simkaart met telefoonnummer [telefoonnummer 1] is op 4 augustus 2015 om 22.47 uur voor het eerst in gebruik genomen door opwaardering van het beltegoed met nummer [serienummer 1] . De simkaart wordt op dat moment gebruikt in de Nokia Lumia van verdachte. Het gebruik van deze simkaart in de Nokia Lumia van verdachte duurt tot 23.46 uur op 4 augustus 2015. Op 5 augustus is simkaart [telefoonnummer 2] na 00.23 uur gebruikt in de Samsung Galaxy Trend [IMEI-nummer 1] van [slachtoffer] . De Samsung Galaxy Trend [IMEI-nummer 1] is daarvoor, op 31 juli 2015, om 19.47 uur voor het laatst gebruikt. Op 5 augustus 2015 om 00.56 uur heeft de Samsung Galaxy Trend [IMEI-nummer 1] voor het laatst verbinding met een Nederlands mobiel netwerk gemaakt. Op 5 augustus 2015 is simkaart [telefoonnummer 1] tussen 03.42 en 06.46 uur gebruikt in de Nokia Lumia van verdachte. Met de Nokia Lumia is op 5 augustus 2015 drie keer gebeld naar [getuige 2] om 03.46 uur, om 06.48 uur en om 17.41 uur. Op de Samsung Galaxy Trend [IMEI-nummer 1] stond het WhatsApp-account van [slachtoffer] dat hoorde bij haar telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Met dit WhatsApp-account zijn op 5 augustus 2015 tussen 00.41 en 00.43 uur berichten verstuurd naar [getuige 2] . De inhoud van deze berichten is: ‘Bien’, ‘Y tu cabron’en ‘Coma mierda maldito idiota’. De Nederlands vertaling van deze berichten luidt: ‘Goed’, ‘En jij klootzak’ en ‘Eet shit vervloekte idioot’. [getuige 2] heeft verklaard dat hij WhatsApp-berichten ontving van de account van [slachtoffer] die grammaticaal onjuist waren. Hij begreep dat het niet [slachtoffer] was die met hem communiceerde. [getuige 2] heeft in een telefoongesprek op 5 augustus 2015 om 17.41 uur gesproken met een man die zich voorstelde als de vader van de Nederlandse dochters van [slachtoffer] . Een man zei dat [slachtoffer] weer bij hem ging wonen en dat zij tot overeenstemming waren gekomen. Volgens [getuige 2] is [slachtoffer] op 31 juli 2015 naar Nederland gevlogen. Hij kreeg geen reactie op berichtjes die hij haar via WhatsApp had gestuurd tot de WhatsApp-berichten die hij op 5 augustus 2015 heeft ontvangen. Het is mogelijk om een telefoon met een geactiveerd WhatsApp-account te voorzien van een andere simkaart met een ander telefoonnummer. Het WhatsApp-account dat is gekoppeld aan het oude nummer blijft actief en kan gebruikt worden. Wegvoeren/begraven van het lijk Het hof acht, zoals hieronder nader wordt uitgelegd, voorts bewezen dat verdachte [slachtoffer] na haar overlijden heeft weggevoerd en vervolgens heeft begraven. Conclusie Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden leidt het hof het volgende af: - [slachtoffer] is op 31 juli 2017 naar de woning van verdachte gegaan; - Verdachte en [slachtoffer] hebben in de avond van 31 juli 2015 een discussie/ruzie gehad in de woning van verdachte, waarbij [slachtoffer] heeft gegild en gehoest/gespuugd; - In de woonkamer van verdachte is een bloedspoor van [slachtoffer] gevonden; - De voedselresten uit de maaginhoud van [sl Zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend Het geweld dat op de romp van [slachtoffer] is uitgeoefend, heeft niet alleen geleid tot gebroken ribben, maar ook tot perforatie van de borstvliezen, het middenrif en de lever. Uit de aard en de ernst van dit letsel leidt het hof af dat het uitgeoefende geweld op de romp van [slachtoffer] met een grote kracht gepaard moet zijn gegaan. Gelet op de hierboven aangehaalde bevindingen van patholoog Maes en forensisch arts Botter, is het hof van oordeel dat verdachte met kracht tegen de romp van [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt. Deze schop/trap heeft de dood van [slachtoffer] tot gevolg gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat in de romp verschillende kwetsbare en vitale organen zijn gelegen. De kans dat [slachtoffer] als gevolg van de heftige geweldsinwerking zwaar lichamelijk letsel zou oplopen is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Verdachte moet dit hebben beseft. Zoals hierboven overwogen, kan echter op grond van de voorhanden bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat verdachtes opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, was gericht op de dood van het slachtoffer. Gelet op het voorgaande acht het hof het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Wegvoeren/begraven van het lijk Het hof acht voorts bewezen dat verdachte [slachtoffer] na haar overlijden heeft weggevoerd en vervolgens heeft begraven. Daarbij heeft het hof acht geslagen op het volgende. Aantreffen lijk Het begraven lichaam van [slachtoffer] is op 16 augustus 2015 gevonden in de bosschages aan [adres 2] in [plaats] . Deze locatie bevindt zich op een afstand van 200 meter van de woning van verdachte. Bloedsporen Suzuki Wagon Verdachte is de gebruiker van een Suzuki Wagon met kenteken [kenteken] . Op verschillende plaatsen in de bagageruimte van deze auto zijn bloedsporen aangetroffen: op de vergrendeling van het rechterdeel van de rugleuning van de achterbank, op de linker bovenzijde van de hoedenplank, aan de rechterzijde van de vloer van de bagageruimte, in het midden en op de rechterhelft onder de hoedenplank en op het aluminiumfolie dat dient ter voorkoming van bevriezing van de voorruit dat in de bagageruimte van de Suzuki Wagon lag. Deze bloedsporen zijn veiliggesteld.Eén van de bloedsporen op de vloer (bodemplaat) van de Suzuki Wagon is veiliggesteld onder SIN AAIO5306NL. De bemonstering van AAIO5306NL#01 van het bloedspoor aan de rechterzijde van de vloer van de bagageruimte bevat een DNA-mengprofiel van drie personen. [slachtoffer] , verdachte en een onbekende persoon kunnen donor zijn van dit mengprofiel. De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn 10.000 tot een miljoen keer waarschijnlijker als de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer] , verdachte en een willekeurige onbekende persoon dan wanneer de bemonstering DNA bevat van verdachte en twee willekeurige personen. Eén van de bloedsporen op de onderplaat van de bagageruimte van de Suzuki Wagon is veiliggesteld onder SIN AAIE1813NL. De bemonstering AAIE1813NL#01 van dit bloedspoor heeft een DNA-mengprofiel van twee personen opgeleverd. Het DNA-hoofdprofiel dat hieruit kon worden afgeleid komt overeen met het DNA-profiel van [slachtoffer] met een matchkans kleiner dan één op één miljard. Het hof acht niet aannemelijk dat de bloedvlekken bij een andere gelegenheid zijn veroorzaakt. Verzoek horen deskundige dr. B. Kokshoorn De raadsman van verdachte heeft bij brief van 25 juli 2017 en ter zitting van het hof van 13 oktober 2017 verzocht dr. B. Kokshoorn als deskundige te horen omtrent zijn bevindingen en onderzoeksresultaten met betrekking tot de aangetroffen bloedsporen van [slachtoffer] in de Suzuki Wagon van verdachte. Het hof wijst dit verzoek af, nu gelet op de onderbouwing van het verzoek en de omstandigheid dat de bevindingen van deze deskundige niet door de verdediging zijn betwist, de noodzaak van het horen van deskundige Kokshoorn niet is gebleken. Bats en spade Uit de berging bij de Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: Feit 1 subsidiair hij op of omstreeks 31 juli 2015 te [plaats] , aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een dubbelzijdige klaplong en meerdere ribfracturen en perforatie van de borstvliezen en perforatie van de rechterleverkwab heeft toegebracht, door opzettelijk met kracht tegen de romp van die [slachtoffer] , te trappen en/of te schoppen, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad; Feit 2 hij op of omstreeks 31 juli 2015 te [plaats] , het lijk van [slachtoffer] heeft begraven en weggevoerd , met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen, immers heeft hij, verdachte, - het lijk van die [slachtoffer] vervoerd en /of - het lijk van die [slachtoffer] begraven in een grafkuil . Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op: Zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft. Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: De voortgezette handeling van een lijk wegvoeren en begraven met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - de navolgende omstandigheden. Verdachte heeft zijn ex-echtgenote [slachtoffer] zwaar mishandeld door met kracht tegen haar romp te trappen en/of te schoppen. Als gevolg daarvan is zij overleden. Verdachte heeft zich vervolgens ontdaan van het lichaam van [slachtoffer] door haar te begraven in een kuil tussen de struiken. De bewezen verklaarde zware mishandeling met de dood als gevolg is een ernstig feit. Niet alleen is daardoor een 45-jarige vrouw om het leven gekomen maar ook is aan haar (jonge) kinderen, dochter en andere familieleden hun moeder en familielid ontnomen. Nadat verdachte [slachtoffer] zwaar had mishandeld heeft hij haar stoffelijk overschot in het geheim begraven. Zij is ruim twee weken vermist geweest. Familie en vrienden van [slachtoffer] hebben deze periode in angst en onzekerheid doorgebracht. Zij hebben ook niet op een normale wijze afscheid van haar kunnen nemen. Het hof is bij de strafbepaling uitgegaan van de omstandigheid dat sprake is geweest van één forse geweldsinwerking, een schop of trap tegen de romp, waarbij niet is vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het overlijden van [slachtoffer] , Verdachte heeft op geen enkel moment verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Gelet op de ernst en het karakter van hetgeen verdachte heeft aangericht, is oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur de enige passende reactie. Omtrent (de persoon van) verdachte is een aantal rapportages uitgebracht. Het hof heeft van alle kennisgenomen. Verdachte heeft bij elk onderzoek tel Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 6.331,02, te weten de kosten van de uitvaartceremonie op Schiphol en het transport van het lichaam van [slachtoffer] naar de Dominicaanse Republiek. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor wat betreft de wettelijke rente wordt opgemerkt dat de nota’s dateren van 8 september 2015, 17 september 2015 en 24 november 2015. Het hof zal daarom het schadebedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf - de in het midden liggende datum - 16 oktober 2015. Voor het overige, te weten de gevorderde shockschade, is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Voor wat betreft de kosten van rechtsbijstand zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 392,-. Dit betreft het bedrag van de eigen bijdrage aan de toevoeging verleend door de Raad van de Rechtsbijstand, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 56, 57, 151 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Wijst af de verzoeken van de verdediging. Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Gelast de teruggave aan de nabestaanden van [slachtoffer] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: - telefoontoestel Samung Grand Neo (zwart) (289955). Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - oranje veiligheidshesje (283380); - schoenen (vier stuks) (283376); - groene plastic tas (283384); - blauwe werkjas (2 stuks) (283377); - werkhandschoenen (vier paar) (283378); - werkbroeken met reflectiestrepen (2 stuks) (283375); - veiligheidsbrillen (3 stuks) (283382); - brief van Vodafone (283305); - telefoontoestel Nokia Lumia (zwart) (289113); - telefoontoestel Nokia (wit) (289099); - telefoontoestel Nokia X3 (zwart) (283306); - telefoontoestel Samsung S5 mini (zwart) (289082); - telefoontoestel Nokia Xpressmusic (zwart) (283373); - stofzuiger (1508488). Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van