Rechtspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2017-12-01
ECLI:NL:GHARL:2017:10539
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.205.706 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn 5158122) beschikking van 1 december 2017 inzake 1 [verzoekster 1] , wonende te [plaatsnaam] ,hierna: [verzoekster 1] , 2. [verzoekster 2] , wonende te [plaatsnaam] ,hierna: [verzoekster 2] , 3. [verzoekster 3] , wonende te [plaatsnaam] ,hierna: [verzoekster 3] , verzoeksters in hoger beroep, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vérian Care & Clean B.V. , hierna: Vérian, beide gevestigd te Apeldoorn,verweersters in hoger beroep, advocaat: mr. P. Van den Berg. Verzoeksters in hoger beroep worden gezamenlijk aangeduid als [verzoeksters] 1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de tussenbeschikking van 10 mei 2017 (hierna: de tussenbeschikking) hier over. 1.2 Het verloop van de procedure na de tussenbeschikking is als volgt:- een schriftelijke uitlating van Vérian van 24 mei 2017;- een schriftelijke uitlating van [verzoeksters] van 24 mei 2017. 1.3 Het hof heeft vervolgens beschikking nader bepaald op heden. 2 De verdere beoordeling in hoger beroep 2.1 Uit het schriftelijk bericht van Vérian blijkt dat zij de uitleg van het hof van het incorporatiebeding in rechtsoverweging 5.14 onderschrijft. [verzoeksters] hebben zich in hun schriftelijk bericht niet specifiek uitgelaten met betrekking tot de door het hof gegeven uitleg van het incorporatiebeding. Zij hebben onder meer aangegeven dat een werknemer niet zomaar gebonden kan worden aan een nieuwe cao die na het einde van het dienstverband tot stand komt, maar dat een werknemer eventuele verbintenissen uit de nieuwe cao expliciet zal moeten aanvaarden. Dit kan er volgens [verzoeksters] toe leiden dat een werknemer “betere” rechten uit een nieuwe cao kan aanvaarden en een verslechtering kan afwijzen. Hetgeen [verzoeksters] hebben aangevoerd, is voor het hof geen grond om van een andere uitleg van het incorporatiebeding uit te gaan dan in rechtsoverweging 5.14 van de tussenbeschikking vermeld. 2.2 Uit de schriftelijke berichten van partijen blijkt dat zij het erover eens zijn dat FNV Zorg en Welzijn geen partij was bij de CAO VVT 2016-2018, dat over die cao op 14 oktober 2017 een (onderhandelings)akkoord werd bereikt en dat deze cao een looptijd had van 1 april 2016 tot en met 31 maart 2018. Vérian heeft, voor zover het deze cao betreft, aangegeven de juistheid van de vaststellingen van het hof in rechtsoverweging 5.12 onder b en c van de tussenbeschikking te onderschrijven. [verzoeksters] hebben zich in hun schriftelijk bericht op dit punt niet uitgelaten. Het hof gaat in het hierna volgende uit van hetgeen in rechtsoverweging 5.12 onder b en c is vastgesteld. 2.3 Vérian heeft in haar schriftelijk bericht aangegeven dat de CAO transitievergoeding VVT een looptijd had van 1 juli 2016 tot en met 31 december 2016 en dat hetgeen het hof heeft vastgesteld in rechtsoverweging 5.12 onder e juist is. [verzoeksters] hebben in hun schriftelijk bericht aangegeven dat de CAO transitievergoeding VVT op 11 mei 2016 nog niet was afgesloten. Zij zijn niet specifiek ingegaan op de looptijd van deze cao, maar het hof leidt uit hun stellingen af dat ook zij zich op het standpunt stellen dat het hier gaat om een cao die in een periode na de beëindiging van het dienstverband van [verzoeksters] is gaan gelden. Ook [verzoeksters] onderschrijven de vaststelling van het hof in rechtsoverweging 5.12 onder e van de tussenbeschikking. 2.4 Het hof heeft in rechtsoverweging 5.16 van de tussenbeschikking overwogen dat wanneer komt vast te staat dat FNV Zorg en Welzijn geen partij was bij de CAO VVT 2016-2018, [verzoeksters] niet gebonden zijn aan deze cao, ook al zijn zij lid van FNV Zorg en Welzijn. Op grond van de schriftelijke berichten van partijen staat vast dat FNV Zorg en Welzijn geen partij was bij de de CAO VVT 2016-2018, zodat [verzoeksters] niet op g