Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-03-31
ECLI:NL:GHAMS:2026:854
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,867 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:854 text/xml public 2026-04-07T09:15:43 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-03-31 200.361.972/01 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:854 text/html public 2026-04-07T09:15:05 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:854 Gerechtshof Amsterdam , 31-03-2026 / 200.361.972/01 vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing. GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.361.972/01 zaaknummer rechtbank: C/15/368021 / JU RK 25-1046 beschikking van de meervoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak van [de moeder] , wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] , verzoekster in hoger beroep, hierna: de moeder, advocaat: mr. I.M. Thieme te Zaandam, en de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te [plaats B] , verweerster in hoger beroep, hierna: de GI. Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt: - de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] , - [pleegmoeder] , hierna: de pleegmoeder, en - [pleegvader] , hierna: de pleegvader. In de procedure heeft een adviserende taak: de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem, hierna: de raad. 1 De zaak in het kort 1.1 De zaak gaat over de schriftelijke aanwijzing die de GI aan de moeder heeft gegeven en die een beperking van het contact tussen de moeder en [minderjarige] (7) inhoudt. De moeder heeft verzocht de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en de kinderrechter heeft dat verzoek afgewezen. De moeder is het daar niet mee eens en wil dat het hof haar verzoek alsnog toewijst. De GI is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 De moeder is op 26 november 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter). 2.2 De GI heeft op 16 januari 2026 een verweerschrift ingediend. 2.3 De zitting heeft op 27 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door een begeleider, - twee vertegenwoordigers van de GI, - de pleegmoeder en de pleegvader, en - de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe. 3 De feiten 3.1 Uit de relatie van de moeder en [de vader] (hierna: de vader) is [minderjarige] geboren [in] 2018. De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige] . 3.2 Bij beschikking van de kinderrechter van 18 augustus 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld, nadat zij vanaf 13 mei 2022 voorlopig onder toezicht was gesteld. De maatregel is daarna telkens verlengd. In het kader van de ondertoezichtstelling is [minderjarige] uit huis geplaatst bij de pleegouders, bij wie zij sinds november 2021 al op vrijwillige basis verbleef. De pleegmoeder is de moeder van de vader van [minderjarige] . De pleegmoeder heeft in 2021 een geregistreerd partnerschap gesloten met de pleegvader. 3.3 Bij beschikking van 4 maart 2025 heeft de kinderrechter in het kader van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] het perspectiefbesluit getoetst en geoordeeld dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 24 februari 2026 heeft dit hof de beschikking van 4 maart 2025 bekrachtigd . 3.4 In het kader van een zorgregeling ziet de moeder [minderjarige] (onbegeleid) eens per twee weken gedurende vijf uur op zaterdagmiddag en hebben zij in de andere week op vrijdagmiddag contact via beeldbellen. 3.5 De GI heeft de moeder op 7 juli 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven over het contact met [minderjarige] (na een aankondiging op 19 juni 2025). Hierin is het volgende opgenomen: “De William Schrikker Stichting wil dat de omgang nu voor 6 maanden wordt teruggedraaid naar eenmaal in de 3 weken en dan onder begeleiding om te zien of het [minderjarige] gaat helpen om weer tot ontwikkeling te komen. Er bestaat een kans dat de omgang met moeder een trigger voor [minderjarige] is, dit moet worden uitgezocht. Hierdoor heeft de William Schrikker Groep besloten om de omgang weer onder begeleiding te doen om op deze manier [minderjarige] te kunnen observeren om te zien wat de omgang met [minderjarige] doet. Beslissing: Om de 3 weken op de zaterdag voor 2 uur onder begeleiding van een professional. De regeling geldt voor de duur van 6 maanden. In december 2025 zal de regeling geëvalueerd worden.” 4 De omvang van het hoger beroep 4.1 De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van 7 juli 2025 vervallen te verklaren, afgewezen. 4.2 De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, haar verzoek alsnog toe te wijzen. 4.3 De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5 De motivering van de beslissing Het wettelijk kader 5.1 Artikel 1:265f lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, de gecertificeerde instelling voor de duur daarvan de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige kan beperken. Die beslissing geldt op grond van het tweede lid als een schriftelijke aanwijzing. Op grond van artikel 1:264 BW kan de kinderrechter onder andere op verzoek van de met het gezag belaste ouder de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. In dat geval kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265f lid 2 BW een zodanige regeling vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 5.2 Een schriftelijke aanwijzing dient op grond van de wet te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet Bestuursrecht. Door de rechter dient dus eerst te worden getoetst of de GI dit besluit in redelijkheid heeft kunnen nemen, dat wil zeggen of het zorgvuldig tot stand is gekomen en toereikend is gemotiveerd. Vervolgens dient te worden beoordeeld of het in het belang van de minderjarige is om de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Dit betreft een ex-nunc-beoordeling waarbij de rechter rekening kan houden met gewijzigde omstandigheden. Totstandkoming schriftelijke aanwijzing 5.3 Het hof is met de rechtbank eens dat niet is gebleken dat de schriftelijke aanwijzing onzorgvuldig tot stand is gekomen. De beperking van het contact tussen [minderjarige] en de moeder is door de GI besproken met de moeder en de schriftelijke aanwijzing is van tevoren aan de moeder aangekondigd. Uit de aanwijzing en de bijlagen blijkt voorts waarom de GI deze maatregel wil treffen. Vervolgens zal het hof beoordelen of het in het belang van [minderjarige] is om de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Motivering schriftelijke aanwijzing 5.4 De GI heeft, gezien de motivering en de toelichting in hoger beroep, de schriftelijke aanwijzing gegeven omdat [minderjarige] ernstige gedragsproblemen laat zien waarvan de oorzaak niet duidelijk is, maar die veel zorgen baren. Zowel in het pleeggezin als op school laat [minderjarige] die gedragsproblemen zien. Zij stoot de pleegouders en leerkrachten af om vervolgens weer toenadering te zoeken. Bij frustratie doet [minderjarige] de pleegmoeder of de leerkracht maar ook kinderen op school fysiek pijn. [minderjarige] kreeg tot voor kort op school een aangepast programma omdat zij vijf dagen achtereen school niet volhield; zij moet bijvoorbeeld uit de klas worden gehaald omdat zij overprikkeld raakt. Daarbij komt dat [minderjarige] voor en na de omgang met de moeder moeilijk te begeleiden is. School en de pleegouders zien dan stresssignalen bij [minderjarige] . Na de omgang moet [minderjarige] een paar dagen ‘bijkomen’.
Volledig
Met de voorgestelde tijdelijke beperking van de omgang denkt de GI de prikkels voor [minderjarige] te kunnen verminderen en haar structuur en duidelijkheid te geven doordat de omgang wordt voor- en nabesproken. Het maakt bovendien dat de pleegouders ontlast worden. Het is nog onduidelijk waar het gedrag van [minderjarige] vandaan komt en aannemelijk is dat het om een combinatie van factoren gaat. Omdat er signalen van ontregeling bij [minderjarige] worden gezien rond de omgang wil de GI graag dat de omgang wordt begeleid en dat onder andere de hechting van [minderjarige] aan de moeder wordt beoordeeld. De beperking is noodzakelijk en proportioneel: het gaat om een tijdelijke periode van zes maanden, een beperkte omvang van eens per drie weken twee uur, steeds onder begeleiding, met tussentijdse evaluatie en een helder herstelperspectief richting verruiming zodra observaties en diagnostiek dat toelaten. Standpunt moeder 5.5 De moeder erkent dat [minderjarige] gedragsproblemen heeft, maar zij wijst erop dat dat al jaren het geval is. Dat neemt niet weg dat de moeder ook bezorgd is over het gedrag van [minderjarige] en dat zij mee wil werken aan noodzakelijke onderzoeken. De moeder meent echter dat eerst het (reeds geplande) persoonlijkheidsonderzoek van [minderjarige] moet plaatsvinden voordat wordt besloten of de zorgregeling moet worden beperkt. Nu is immers niet zonder meer duidelijk dat er een verband is tussen het contact van [minderjarige] met de moeder en het gedrag van [minderjarige] . De moeder ziet zich gesteund in haar standpunt in een recente schriftelijke update van school waaruit bleek dat [minderjarige] de gedragsproblemen ook liet zien na een weekend waarin de omgang geen doorgang had gevonden (wegens ziekte van de moeder). Zeker gezien de kwetsbaarheid van [minderjarige] moet niet het risico worden genomen dat [minderjarige] nog meer problemen gaat ervaren doordat de voorspelbaarheid en de regelmaat van het contact wordt doorbroken terwijl het contact met de moeder wellicht niet de bron van de gedragsproblemen is. De moeder ziet niet in waarom de observaties niet gedurende de lopende zorgregeling kunnen worden gedaan. Zij betoogt dat de schriftelijke aanwijzing prematuur genomen is en dat de beperking van het contact niet proportioneel is. Standpunt pleegmoeder 5.6 De pleegmoeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij de spanning bij [minderjarige] ziet toenemen in aanloop naar de omgang en dat die spanning tot twee à drie dagen na het contact aanhoudt. Het is voor haar niet duidelijk waarop die spanning gebaseerd is; de pleegmoeder ziet ook dat [minderjarige] altijd blij is als zij de moeder ziet. Advies raad 5.7 De raad heeft ter zitting in hoger beroep zijn zorg geuit over de gedragsproblemen die bij [minderjarige] al langere tijd worden gezien; daardoor heeft [minderjarige] moeite om aan haar ontwikkeling toe te komen. Doordat zij op school ook probleemgedrag laat zien, kan zij ook in sociaal opzicht last ondervinden. Vanaf 2024 is het zorgelijke gedrag van [minderjarige] toegenomen rondom de omgang met de moeder. Het is dan ook van belang dat bevestigd dan wel uitgesloten wordt dat het gedrag te maken heeft met dat contact. Mogelijk kan de moeder handvatten krijgen om het contact nog prettiger te laten verlopen. Door meer interventies te plegen, kan de hechtingsband tussen de moeder en [minderjarige] sterker worden. De raad begrijpt dat de GI de frequentie van het contact omlaag wil brengen om [minderjarige] (en de pleegouders) meer hersteltijd te geven. Dat komt ook de hechting van [minderjarige] aan de pleegouders ten goede: als de pleegouders minder tijd hoeven te besteden aan de-escaleren, kunnen zij meer ontspannen tijd samen doorbrengen. Dat geldt ook voor school; er komt meer ruimte om aan leren toe te komen. De raad betreurt het dat het contact wordt verminderd in uren nu de moeder en [minderjarige] elkaar graag zien en de moeder hard heeft gewerkt om stappen in de goede richting te zetten. Desalniettemin adviseert de raad om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het is van groot belang dat er handvatten komen om de gedragsproblemen van [minderjarige] het hoofd te bieden en het gaat om een tijdelijke situatie van zes maanden. Beoordeling hof 5.8 Ter zitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de schriftelijke aanwijzing (nog) niet wordt uitgevoerd en dat [minderjarige] en de moeder elkaar nog steeds eens per twee weken gedurende vijf uur zien, zonder begeleiding. Aanvankelijk was de reden voor het nog niet uitvoeren van de beperking dat er geen gezinsvoogd beschikbaar was. Per januari 2026 is die er wel. Inmiddels is ook geregeld dat Nicare de zorgregeling kan begeleiden en dat de [X] de diagnostiek en behandeling van [minderjarige] op zich zal nemen, met een verwachte duur van drie à vier maanden. De gezinsvoogd heeft ter zitting in hoger beroep uitgelegd dat de GI zich bereid heeft verklaard om, op verzoek van de moeder, de zitting in deze zaak af te wachten voordat zij de schriftelijke aanwijzing uitvoert. 5.9 Zoals hiervoor onder 5.2 is overwogen, beantwoordt het hof de vraag of het in het belang van [minderjarige] is om de aanwijzing (geheel of gedeeltelijk) vervallen te verklaren op grond van de actuele situatie. De huidige stand van zaken is, dat om uiteenlopende redenen sinds 7 juli 2025 (in ieder geval tot 27 februari 2026, de datum van de mondelinge behandeling in hoger beroep) geen uitvoering is gegeven aan de schriftelijke aanwijzing, inhoudende een beperking van het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Het hof is er daarom niet van overtuigd dat er op dit moment een urgentie is om het contact te beperken. De zorgregeling kan blijven worden uitgevoerd en als de [X] , school of een andere betrokkene op enig moment toch overwegende bezwaren ziet, kan door de GI een nieuwe schriftelijke aanwijzing worden overwogen. Gelet op de gang van zaken tot nu toe is het hof niet gebleken dat er een noodzaak is om, voordat er uit onderzoek meer duidelijkheid is verkregen, het contact in duur te beperken. Weliswaar wordt toenemende spanning gezien bij [minderjarige] rond het contact, maar ook wordt gezien dat zij ervan geniet en dat de moeder over vaardigheden beschikt om met [minderjarige] om te gaan. Het hof ziet het nut van begeleiding in, niet alleen om (opnieuw, na eerdere observaties) te observeren hoe het contact tussen [minderjarige] en de moeder verloopt, maar ook om ondersteuning voor en na het contact te bieden. De moeder heeft verklaard haar medewerking te willen verlenen aan begeleiding door Nicare van de lopende zorgregeling en het hof ziet dan ook niet zonder meer in waarom niet voor die vorm (van gedeeltelijke begeleiding) wordt gekozen. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het inleidend verzoek van de moeder tot vervallenverklaring alsnog toewijzen, hetgeen meebrengt dat de huidige zorgregeling blijft doorlopen. 5.10 Dit leidt tot de volgende beslissing. 6 De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende: verklaart de schriftelijke aanwijzing van 7 juli 2025 vervallen. Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 31 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.