Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-03-04
ECLI:NL:GHAMS:2026:819
Strafrecht
Raadkamer
1,461 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHAMS:2026:819 text/xml public 2026-03-30T16:56:23 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-03-04 15-221363-25 Uitspraak Raadkamer NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:819 text/html public 2026-03-30T16:55:04 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:819 Gerechtshof Amsterdam , 04-03-2026 / 15-221363-25 Hoger beroep bevel gevangenhouding en bevel gevangenneming GERECHTSHOF AMSTERDAM, RAADKAMER BESCHIKKING in raadkamer op het hoger beroep in de zaak van [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, adres: [adres] , thans verblijvende in het [detentieadres] , tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 2 februari 2026, voor zover houdende afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte en tegen het bevel tot gevangenneming. De feiten en de rechtsgang Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 4 februari 2026, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen voormelde beslissing van die rechtbank. Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de verdachte, bijgestaan door diens raadsman mr. S.C. van der Leer. Bij de behandeling in raadkamer heeft de raadsman namens de verdachte een mondeling schorsingsverzoek gedaan. De beoordeling Het hof constateert dat ter terechtzitting van 2 februari 2026 een vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is gedaan en is toegewezen. De nadere omschrijving betreft alleen de wijziging van de kwalificatie van hetzelfde feitencomplex als waarvoor eerder de gevangenhouding is bevolen. Het hof begrijpt een en ander aldus dat het de bedoeling is geweest van de officier van justitie en van de rechtbank dat het feit waarvoor de verdachte in voorlopige hechtenis zit primair een poging tot zware mishandeling en subsidiair mishandeling betreft. De eerdere kwalificatie van het feitencomplex als poging tot doodslag is daarmee komen te vervallen. Wat niet is komen te vervallen is de voorlopige hechtenis op grond van het eerder gegeven bevel tot gevangenhouding. De officier van justitie heeft gemeend dat voor ditzelfde feitencomplex met een andere kwalificatie afzonderlijk een bevel tot gevangenneming moest worden afgegeven en heeft dit gevorderd. Naar het oordeel van het hof is dit niet nodig en niet mogelijk geweest, nu er geen sprake is van de tenlastelegging van een nieuw feit in de zin van een nieuw feitencomplex. De rechtbank heeft desalniettemin de gevorderde gevangenneming gelast. Het hof leest deze beslissing aldus dat de voorlopige hechtenis op basis van de nieuwe kwalificatie is voortgezet op basis van het oude bevel gevangenhouding. Kortom, de gevangenhouding duurt voort en een bevel gevangenneming is niet nodig. De raadsman heeft beroep ingesteld tegen ‘het bevel tot gevangenneming’. Gelet op het voorgaande zal dit beroep worden toegewezen. De raadsman heeft ter terechtzitting van 2 februari 2026 de opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht. Dit verzoek is afgewezen. Hiertegen is door de raadsman afzonderlijk beroep ingesteld. Het hof acht ernstige bezwaren voor de poging tot zware mishandeling dan wel de mishandeling aanwezig. Het hof acht ook de recidivegrond aanwezig. Het feit waarvan de verdachte wordt verdacht lijkt samen te hangen met psychische problematiek bij de verdachte. Inmiddels is over de verdachte een dubbelrapportage uitgebracht. Daarin is door de deskundigen opgenomen dat de kans op een nieuwe psychotische ontregeling, die een recidive tot gevolg kan hebben, onverminderd aanwezig is als er geen passende behandeling wordt geboden. Daarop grondt het hof de aanwezigheid van gevaar voor recidive. De twaalfjaarsgrond is met de gewijzigde kwalificatie komen te vervallen. Gelet op de aard en ernst van de feiten waarvoor de verdachte nu in voorlopige hechtenis zit, in combinatie met zijn justitiële documentatie, doet een situatie als bedoeld in artikel 67a derde lid Sv zich naar het oordeel van het hof nu niet voor. Daarnaast is door de deskundigen oplegging van tbs met voorwaarden geadviseerd. Het vorenstaande leidt ertoe dat het beroep van de verdachte tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis moet worden afgewezen. Met betrekking tot het door de verdachte mondeling gedane verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis geldt dat dit verzoek moet worden afgewezen, omdat het belang dat de verdachte heeft bij zijn invrijheidstelling niet opweegt tegen de gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid die in het bevel tot zijn gevangenhouding zijn aangewezen, welke ook thans nog grond geven tot voortduring van zijn vrijheidsbeneming. Het recidivegevaar staat aan de schorsing in de weg en op dit moment is er (nog) geen behandelplan dat dit recidivegevaar op verantwoorde wijze zou kunnen inperken. De beslissing Het hof: WIJST AF het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte en met inachtneming van het vorenstaande ( vervallen van de twaalfjaarsgrond) . WIJST TOE het beroep tegen het bevel tot gevangenneming. VERNIETIGT het bevel tot gevangenneming. WIJST AF het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beschikking is gegeven op 4 maart 2026 in raadkamer van dit hof door mr. J.L. Bruinsma, voorzitter, mrs. P.J. van Eekeren en J.F.C. Schnitzler, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Hanna als griffier. De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte. Amsterdam, 4 maart 2026, de advocaat-generaal