Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-08-18
ECLI:NL:GHAMS:2026:2283
Inleiding
Bevestiging vonnis m.u.v. gevangenisstraf, beslissing omtrent vordering tenuitvoerlegging en gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen. Veroordeling voor rijden met een rijontzegging rijden met ongeldig verklaard rijbewijs en wederspannigheid met lichamelijk letsel ten gevolge. Oplegging van een taakstraf en een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. De proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf wordt verlengd. Verbetering van de gronden t.a.v. vorderingen van benadeelde partijen. afdeling strafrecht parketnummer: 23-002947-25 datum uitspraak: 18 augustus 2026 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 2 december 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 15-155600-25 en 96-048003-23 (TUL) tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982, adres: [adres] . 1 Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep De verdachte is door de politierechter vrijgesproken van wat hem onder 2 en 4 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarmee ook gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken van de feiten 2 en 4. 2 Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht. 3 Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf, de beslissing over het op te leggen aantal dagen gijzeling dat bij niet nakomen van de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is verbonden en de beslissing ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof: de bewijsmiddelen zal vervangen door de bewijsmiddelen die na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest; de grondslag voor de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen zal aanvullen. 4. Oplegging van straffen 4.1. Inleiding De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 3 en 5 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk. Daarbij zijn de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden gesteld, te weten (kort weergegeven) een meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie ten aanzien van middelengebruik, een ambulante behandelverplichting en de verplichting om mee te werken aan middelencontrole. 4.2. Standpunten van de partijen De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 3 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met dezelfde bijzondere voorwaarden als hiervoor genoemd. De raadsman heeft verzocht om de verdachte een taakstraf op te leggen, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf of een geldboete. Hij heeft verzocht de verdachte hoe dan ook geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daartoe is aangevoerd dat het geleidelijk beter gaat met de verdachte. Hij werkt op zzp-basis als kraanmachinist en heeft een laatste kans gekregen van zijn hoofdopdrachtgever. De oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou een financiële strop opleveren. Tot slot heeft de verdachte inmiddels een bericht gekregen van het CBR dat hij een nieuw rijbewijs mag aanvragen. 4.3. Overwegingen van het hof Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. 4.3.1. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich op één dag schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een personenauto terwijl hem een rijontzegging was opgelegd én zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdachte heeft hiermee getoond zich niets aan te trekken van beslissingen die in het kader van de verkeersveiligheid zijn genomen door daartoe bevoegde instanties. Vanwege meerdere verkeersovertredingen is de verdachte zowel door een rechter als het CBR verboden om achter het stuur plaats te nemen, maar desondanks heeft hij dat toch gedaan. Hiermee heeft niet alleen het gezag van de rechter en het CBR ondermijnd, maar ook andere weggebruikers in gevaar gebracht, nu hij kennelijk niet in staat werd geacht om veilig aan het verkeer deel te nemen. Daarnaast heeft de verdachte zich bij zijn aanhouding zodanig verzet dat drie verbalisanten lichamelijk letsel hebben opgelopen. Hiermee heeft hij (opnieuw) getoond geen respect te hebben voor het bevoegd gezag en heeft hij bovendien een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de verbalisanten, die tijdens het uitvoeren van hun werkzaamheden niet met dergelijk gedrag geconfronteerd zouden moeten worden. 4.3.2. Persoon van de verdachte Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf(fen) acht geslagen op het (lijvige) uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 juli 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte voor de overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994 en andere misdrijven genoemd in de Wegenverkeerswet 1994 vele malen eerder onherroepelijk is veroordeeld. Daarnaast is de verdachte ook voor diverse geweldsmisdrijven meermalen onherroepelijk veroordeeld. Deze recidive weegt het hof in het nadeel van de verdachte mee. Het hof heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies rechtszitting van 14 november 2025. Hierin beschrijft de reclassering dat de belangrijkste risicofactoren van de verdachte liggen bij zijn pro-criminele houding, zijn psychosociaal functioneren en zijn middelengebruik. Geadviseerd wordt een leefstijltraining gericht op zijn middelenproblematiek en de directe relatie daarvan met zijn delictgedrag; reclasseringstoezicht met de bijzondere voorwaarden van ambulante behandeling, gericht op emotie- en agressieregulatie en – indien nodig – op middelengebruik. Tot slot wordt de bijzondere voorwaarde ‘meewerken aan middelencontroles’ geadviseerd om zicht te houden op het gebruik van middelen. 4.3.3. Strafoplegging Gelet op de ernst van de feiten en de grote hoeveelheid recidive acht het hof de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf (zoals door de politierechter is opgelegd dan wel door de advocaat-generaal is gevorderd) alleszins passend. Evenwel ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om hem nu geen overwegend onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer op te leggen. De verdachte lijkt namelijk voorzichtige positieve stappen te zetten in zijn leven en detentie zou die stappen te zeer doorkruisen. Om ook recht te doen aan de ernst van de feiten en de recidive, zal het hof de verdachte een taakstraf van aanzienlijke duur opleggen. Daarnaast zal hem een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (nader uitgeschreven in het dictum), om de verdachte er zo van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Nu het zogeheten taakstrafverbod (genoemd in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht) van toepassing is, zal het hof van deze voorwaardelijke gevangenisstraf 1 dag in onvoorwaardelijke vorm opleggen. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 120 uren in combinatie met een gevangenisstraf voor de duur van 42 dagen, waarvan 41 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de na te noemen bijzondere voorwaarden, passend en geboden. 5 Vordering tenuitvoerlegging Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 juli 2024 onder parketnummer 96-048003-23 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat de proeftijd met 1 jaar verlengd dient te worden. Met de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof redenen aanwezig om de bij het vonnis vastgestelde proeftijd met 1 jaar te verlengen. 6. Aanvulling van de overwegingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen Het hof vult de in het vonnis opgenomen overwegingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen aan met de navolgende passage: Gebleken is dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 5 bewezenverklaarde immateriële schade hebben geleden. Immers hebben de benadeelde partijen als gevolg van het feit lichamelijk letsel opgelopen en zij hebben daarmee op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding. 7 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 181 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994. 8 BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 en 4 tenlastegelegde. Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf, de beslissing over het op te leggen aantal dagen gijzeling dat bij niet nakomen van de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is verbonden en de beslissing ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) dagen . Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 41 (eenenveertig) dagen , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarden: de verdachte meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij GGZ Reclassering Fivoor [plaats] . De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; de verdachte neemt actief deel aan de gedragsinterventie de leefstijltraining of een andere gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider; de verdachte laat zich ambulant behandelen door GGZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling en begeleiding duren de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt; - de verdachte werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd. Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte: meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt. Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis . Opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 1] : Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 2] : Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 juli 2024, parketnummer 96-048003-23, met een termijn van 1 (één) jaar. Bevestigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. L.F. Roseval en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 augustus 2026.
=
=== […]