Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-08-13
ECLI:NL:GHAMS:2026:2252
afdeling strafrecht parketnummer: 23-002629-24 datum uitspraak: 13 augustus 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 november 2024 in de strafzaak onder de parketnummers 13-253513-24 en 13-117714-24 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987, thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 10 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland een rugzak (met inhoud), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming; 2.hij op of omstreeks 4 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland een regenjas (ter waarde van €179,99), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3.hij op of omstreeks 4 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland een koptelefoon (merk: Shokz), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; 4.hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland een computertas (met o.a. airpods, macbook air, ipad pro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op 10 mei 2024 te Amsterdam een rugzak (met inhoud), die aan [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] of [slachtoffer 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; 2.hij op 4 juli 2024 te Amsterdam een regenjas (ter waarde van €179,99), die aan [slachtoffer 4] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen; 3.hij op 4 juli 2024 te Amsterdam een koptelefoon (merk: Shokz), die aan [slachtoffer 5] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen; 4.hij op 11 juli 2024 te Amsterdam een computertas (met o.a. airpods, macbook air, ipad pro), die aan [benadeelde partij 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen. Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken. Bewijsmiddelen Nu de verdachte de ten laste gelegde feiten ter zitting van het hof heeft bekend en door of namens hem ge De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaren. De raadsvrouw heeft verzocht een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, en daaraan bijzondere voorwaarden, zoals opgenomen in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2026 op naam van de verdachte, te koppelen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met braak en drie diefstallen, waarbij hij een rugzak (met inhoud), een regenjas, een koptelefoon en een computertas met daarin onder andere AirPods, een MacBook Air en een iPad Pro heeft weggenomen. Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Bovendien heeft de verdachte schade en overlast bezorgd aan de slachtoffers. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 juli 2026 is hij eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. Uit de door de verdediging overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat de verdachte is aangemeld voor een afkickkliniek om daar een behandeltraject te starten voor zijn drugsverslaving. De verdachte staat momenteel op een wachtlijst voor een opname in de kliniek en is zeer gemotiveerd om met het traject te beginnen. De oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf kan ertoe leiden dat de behandeling een latere aanvangsdatum heeft, of dat de verdachte zijn plaats op de wachtlijst verliest. Het hof acht het, in het bijzonder gelet op de (recente) informatie in het reclasseringsrapport van 14 juli 2026, van groot belang dat de verdachte na zijn huidige detentie zo spoedig mogelijk kan starten met het behandeltraject in de afkickkliniek. Een eventuele stillegging of doorkruising van de ingezette positieve ontwikkeling die de verdachte doormaakt (door de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf) is, ook maatschappelijk, onwenselijk. Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Anders dan de advocaat-generaal acht het hof de oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de Verslavingsreclassering GGZ Inforsa in het rapport van 14 juli 2026, van belang. Het hof realiseert zich dat deze voorwaarden in een andere strafzaak door de politierechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 17 juli 2026 aan de verdachte zijn opgelegd. Gelet op de zeer recente uitspraakdatum is echter onduidelijk wanneer de beslissingen onherroepelijk zullen worden. Ook is nog onzeker of de opgelegde voorwaarden in geval van hoger beroep in stand zullen blijven. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.579,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 465,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Materiële schade Uit het onderzoek ter terechtzitting en de stukken in het dossier is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, doordat goederen die aan de benadeelde partij toebehoorden zijn weggenomen. De goederen komen in aanmerking voor ver Uit het onderzoek ter terechtzitting en de stukken in het dossier is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, doordat goederen die aan de benadeelde partij toebehoorden zijn weggenomen. De goederen komen in aanmerking voor vergoeding van de dagwaarde. De verdachte is tot vergoeding van die schade, € 744,00, gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Vordering tenuitvoerlegging Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het verzoek van de verdediging, afwijzen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken . Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte: - zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak; - zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk vindt, laat opnemen in en behandelen door Novadic Kentron of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang noodzakelij