Rechtspraak Gerechtshof Amsterdam 2026-01-27
ECLI:NL:GHAMS:2026:185
GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht zaaknummer : 200.356.861/01 zaaknummer rechtbank : 11517296 \ EA VERZ 25-89 beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026 inzake [appellant] , gevestigd te [plaats 1] , appellante in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. S. Gadellaa te Bilthoven, tegen [geïntimeerde] , wonende te [plaats 2] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellant in incidenteel hoger beroep, advocaat: mr. M.J. Keuss te Amsterdam. Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd. 1 De zaak in het kort Het hof wijst het verzoek van de werkgever om het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op grond van verval van de arbeidsplaats zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 1 jo 3 sub a Burgerlijk Wetboek (BW) af. Voldoende aannemelijk is dat de werkgever niet voldaan heeft aan artikel 6a Wet Melding Collectief Ontslag ( [bedrijf 3] ) en (subsidiair) is niet voldoende aannemelijk geworden dat de functie van werknemer noodzakelijkerwijs is komen te vervallen. Ook het subsidiaire verzoek om het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op grond van een verstoorde arbeidsverhouding ex artikel 7:669 lid 1 jo 3 sub g BW wordt afgewezen omdat de arbeidsverhouding met werknemer niet ernstig en duurzaam is verstoord. 2 Het geding in hoger beroep [appellant] is bij beroepschrift (met producties), ontvangen ter griffie van het hof op 15 juli 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, (hierna: de kantonrechter) op 17 april 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Op 6 oktober 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep, tevens (gedeeltelijk voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep (met producties) van [geïntimeerde] ingekomen. Op 6 november 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep (met producties), van [geïntimeerde] ingekomen. Daarna heeft [appellant] op 17 november 2025 productie 39 ingediend en [geïntimeerde] op 19 november 2025 productie 30. Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 19 november 2025 aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen laten toelichten, [appellant] door mr. Gadellaa voornoemd en mr. D. Ottevanger, advocaat te Bilthoven en [geïntimeerde] door mr. Keuss voornoemd en mr. M.M. Rijnen, advocaat te Amsterdam . Op 21 november 2025 heeft [appellant] een kleurenkopie van bijlage 10 bij de adviesaanvraag Commerce Fit for Purpose II aan het hof gestuurd. Uitspraak is nader bepaald op heden. 3 Feiten De kantonrechter heeft in 2.1 tot en met 2.12 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende. 3.1. [appellant] maakt deel uit van de internationale [appellant] . De onderneming is actief in de verzekeringsbranche en richt zich op de verkoop van levensverzekeringen, pensioenen, hypotheken en beleggingsfondsen. In totaal werken er in Nederland ongeveer 1100 personen bij [appellant] . 3.2. [geïntimeerde] , geboren in [jaar] , is op 1 december 1987 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van [appellant] . Zijn huidige functie is die van Product Markt Manager in functieschaal 11 (hierna: PMM11). Het salaris bedraagt € 6.370,42,-- bruto per maand, voor een arbeidsduur van 32 uur per week. Daarnaast heeft [geïntimeerde] recht op 8% vakantietoeslag en een dertiende maand. De opzegtermijn bedraagt vier maanden. 3.3. Van 2000 tot 2016 heeft [geïntimeerde] gewerkt in diverse sales- en accountmanagementfuncties. In juni 2016 is hem te kennen gegeven dat zijn functie als gevolg van organisatorische wijzigingen was komen te vervallen. Zijn toenmalige werkgever [bedrijf 1] (de rechtsvoorganger [appellant] wilde met haar reorganisatie inspelen op de toenemende digitalisering binnen de pensioenwereld en had een groeistrategie ontwikkeld die moest helpen haar leidende positie op de pensioenmarkt te behouden. Dat vergde volgens [appellant] een organisatorische wijziging. In de adviesaanvraag Commerce-Fit for Purpose II staat dat de functie van [geïntimeerde] in de functieschaal 11 komt te vervallen omdat: de primaire werkzaamheden van deze functie bestonden initieel vooral uit het ontwikkelen van nieuwe proposities en/of dienstverleningsconcepten. Dit werk is de afgelopen jaren geleidelijk al verschoven naar de afdeling Proposition Management. Het afgelopen jaar is deze product marktmanager FS11 voornamelijk betrokken geweest bij de dialoog met externe partijen (bijvoorbeeld branche-vertegenwoordigers) over de [bedrijf 2] . Nu de wet is aangenomen en [appellant] vergevorderd is met de implementatie van de aanpassingen in systemen en processen, komt dit werk te vervallen. Naast de primaire werkzaamheden kent deze functie ook een aantal secundaire werkzaamheden. Deels werkt de product marktmanager FS11 hierin al samen met collega’s. Onderdeel van deze werkzaamheden is de vertegenwoordiging van [appellant] als boardmember voor het samenwerkingsverband voor international pooling. Deze verantwoordelijkheid gaat onderdeel uitmaken van de nieuwe functie Sales Lead, waardoor ook deze secundaire werkzaamheden komen te vervallen voor de Product Marktmanager FS11. 3.9. In paragraaf 5.2. van de adviesaanvraag Commerce-Fit for Purpose II, getiteld ‘Nieuw, vervallen, licht en of ingrijpend gewijzigde functies’ staat een tabel waarin alle vervallen functies zijn opgenomen die uitkomt op 34. Daaronder staat: ‘In bovenstaande tabel is aangegeven dat er sprake is van de plaatsingsprocedure, conform Sociaal Plan’ . 3.10. In een preadvies van de ondernemingsraad van 30 mei 2024 staat: ‘Gedurende de dialoog bleek enerzijds dat het functiehuis niet op orde is (medewerkers langere tijd (deels) andere werkzaamheden uitoefenen dan hun formele functie behelst) en anderzijds werd in de discussie hinder ondervonden van de generieke functies en de uitwisselbaarheid hiervan: Hoe verhouden de specifieke werkzaamheden zich tot de formele functiebeschrijving. (..) De werkgroep geeft aan dat werkzaamheden en functies in lijn met elkaar moeten worden gebracht’. 3.11. In het Sociaal Plan van [appellant] staat op pagina 7: ‘Indien de reorganisatie tot het verval van je functie leidt, en je niet bent geplaatst in de plaatsingsprocedure, word je boventallig en zal de herplaatsingsprocedure aanvangen. Je functie kan vervallen doordat je functie in zijn geheel niet meer terugkomt in de nieuwe organisatiestructuur van [appellant] of doordat je functie ingrijpend wijzigt, waardoor niet langer van dezelfde functie kan worden gesproken’. Op pagina 10 staat in het geval een boventallige werknemer een nieuwe functie die volgens [appellant] passend is niet aanvaard: ‘Indien je binnen deze termijn de functie niet aanvaardt, dan zal tot ontslag worden overgegaan zonder dat je nog rechten en/of aanspraken kunnen ontlenen aan dit sociaal plan’. 3.12. Op 16 april 2024 heeft de leidinggevende van [geïntimeerde] hem bericht dat, als de ondernemingsraad positief zou adviseren, hij als gevolg van de voorgenomen reorganisatie boventallig zou worden. Op 4 juni 2024 heeft [appellant] formeel het besluit tot reorganisatie genomen. [geïntimeerde] heeft [appellant] met een beroep op een hardheidsclausule in het Sociaal Plan verzocht om met hem een andere vertrekregeling te treffen, met een ruimere vergoeding. Dit omdat het Sociaal Plan volgens [geïntimeerde] sinds de reorganisatie in 2016 sterk was versoberd en de gemaximeerde vergoeding onevenredig nadelig was voor werknemers met een hogere leeftijd en een lang dienstverband, zoals hij. Dat verzoek is afgewezen. 3.13. Er zijn tussen [geïntimeerde] en [appellant] gesprekken gevoerd over een andere functie. Daarbij is volgens [appel [geïntimeerde] heeft (bij tegenverzoek) verzocht [appellant] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 4.374,76,--, de kosten ter vaststelling van de pensioen- en inkomensschade ter hoogte van € 586,85,-- en de volledige proceskosten begroot op € 20.980,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de beschikkingsdatum tot de dag van de algehele voldoening. Bij voorwaardelijk tegenverzoek heeft [geïntimeerde] verzocht om bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst de opzegtermijn van vier maanden in acht te nemen en [appellant] te veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding en een billijke vergoeding. [appellant] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de tegenverzoeken. 4.4. De kantonrechter heeft het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zowel op de a-grond als de g-grond afgewezen, omdat [appellant] naar het oordeel van de kantonrechter samengevat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidsplaats van [geïntimeerde] noodzakelijkerwijs is vervallen als gevolg van de reorganisatie en geen sprake is van een ernstig een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Omdat de ontbindingsverzoeken zijn afgewezen, is de kantonrechter aan de beoordeling van de voorwaardelijke tegenverzoeken niet toegekomen. Het tegenverzoek van [geïntimeerde] tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten heeft de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad toegewezen en de verzoeken tot vergoeding van de kosten ter vaststelling van de pensioen- en inkomstenschade en de (volledige) proceskosten heeft de kantonrechter afgewezen. [appellant] is uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld in de proceskosten, zowel in het verzoek als in het tegenverzoek. 5 Beoordeling 5.1. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] in principaal hoger beroep met vier grieven op. [appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en verzocht op grond van artikel 7:683 lid 5 BW een datum te bepalen waarop de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] alsnog zal eindigen, met uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van de door haar aan [geïntimeerde] reeds betaalde bedragen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. 5.2. [appellant] heeft aan haar verzoek primair ten grondslag gelegd dat de functie van [geïntimeerde] noodzakelijkerwijs is komen te vervallen als gevolg van de reorganisatie (de a-grond, grief 1 ). Van de door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden, zoals weergegeven onder de feiten (3.7), zijn de werkzaamheden in het kader van de [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) met de inwerkingtreding van de wet tot een einde gekomen, de werkzaamheden van [geïntimeerde] als bestuurder van een pensioenfonds of de KPS zijn nevenactiviteiten en zijn geen onderdeel geworden van de bedongen arbeid en de deelname van [geïntimeerde] aan de advisory board van het Swiss Life netwerk en multinationale pooling zijn overgenomen door de nieuw Sales Lead. [geïntimeerde] kan volgens [appellant] niet herplaatst worden binnen haar onderneming. Van een opzegverbod of schending van de [bedrijf 3] is volgens [appellant] geen sprake. Subsidiair heeft [appellant] aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de verhoudingen ernstig en duurzaam zijn verstoord ( grief 2 ). Volgens [appellant] wil [geïntimeerde] niet meer bij [appellant] werken en is hij enkel uit op een hogere beëindigingsvergoeding dan waarop hij recht heeft volgens het Sociaal Plan. Ook de manier waarop hij zich verkiesbaar heeft gesteld als bestuurder van het pensioenfonds, terwijl hij wist dat zijn ontslag aanstaande was heeft bijgedragen aan de verstoorde verhoudingen. Ten slotte is [appellant] opgekomen tegen toewijzing van de buitengerechtelijke kosten ( grief 3 ) en de proceskostenveroordeling ( grief 4 ). 5.3. [geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot verwerping van het beroep van [appell In de Uitvoeringsregels UWV is onder verwijzing naar deze oordelen van het Hof van Justitie opgenomen dat ook vermindering van de arbeidsomvang (deeltijdontslag) en een aanbod tot overplaatsing of herplaatsing onder de dreiging van ontslag kunnen worden beschouwd als beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de zin van de [bedrijf 3] , of daarmee gelijkgesteld kunnen worden. Het moet gaan om twintig of meer beëindigingen in een tijdvak van drie maanden. Dit tijdvak dient bezien te worden per ontslag. 5.10. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat [appellant] haar [bedrijf 3] meldings- en raadplegingsverplichting niet is nagekomen heeft [geïntimeerde] gesteld dat [appellant] het UWV heeft geïnformeerd dat op de peildatum 1 juli 2024 veertien werknemers boventallig waren, 20,17 arbeidsplaatsen (waaronder een aantal lege formatieplaatsen) waren vervallen en twee nieuwe functies zijn gecreëerd. Tevens heeft [geïntimeerde] verwezen naar de adviesaanvraag Fit for Purpose II waaruit blijkt dat 34,18 fte kwamen te vervallen (zie 3.9), waarbij staat vermeld dat een functie kan vervallen door verval van werkzaamheden of ingrijpende wijziging van de functie en waarin wordt verwezen naar de plaatsingsprocedure uit het Sociaal Plan (zie 3.11). Volgens [geïntimeerde] zijn er alleen al in de reorganisatie van Commerce (de afdeling van [geïntimeerde] ) 33 ontslagen in de zin van de [bedrijf 3] , te weten zestien vervallen functies en zeventien ingrijpende wijzigingen, terwijl er bij de reorganisatie van Finance veertien vervallen functies zijn en vier ingrijpende wijzigingen en bij de reorganisatie van HR minimaal twee vervallen functies. Volgens [geïntimeerde] liepen alle drie de trajecten in 2024 gelijktijdig en in het zelfde werkgebied. 5.11. [appellant] heeft de gedetailleerde onderbouwing van [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zij heeft samengevat naar het hof begrijpt naar voren gebracht dat voor haar geen meldingsplicht op grond van de [bedrijf 3] bestond, omdat het aantal van twintig niet werd gehaald omdat er een aantal lege formatieplaatsen was. Dat zou blijken uit een Excel bestand van een personeelslijst (de ist-soll lijst, bijlage 10 bij de adviesaanvraag Commerce Fit for purpose II) waarop staat dat de het verschil tussen het aantal werknemers voor en na de reorganisatie slechts dertien werknemers betreft. [appellant] heeft na de zitting op 21 november 2025 een kleurenkopie van dit Excel bestand naar het hof gestuurd, omdat de kopie van het bestand lastig leesbaar was. Op de zitting is deze lijst besproken. 5.12. Het hof kan niet uit het Excel bestand afleiden dat met inachtneming van het ruime ontslagbegrip zoals hierboven geformuleerd van slechts dertien werknemers de functie is komen te vervallen. Het lijkt erop dat naast de vervallen functies de functies van een aantal (zestien) werknemers sterk is gewijzigd. Daarbij is het onduidelijk gebleven of behalve de functiewijziging ook essentiële elementen van de arbeidsovereenkomst zijn gewijzigd of niet, terwijl het Hof van Justitie EU (HvJ 21 september 2017, C-149/16) zulks als voorwaarde stelt wil sprake zijn van een ontslag dat meetelt voor het getalscriterium. Dat volgt niet uit de lijst en [appellant] heeft ook niet onderbouwd of daarvan al dan niet sprake is geweest. Dat had, gelet op de onderbouwde stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] voor wat betreft het getalscriterium uitsluitend de daadwerkelijke beëindigingen in aanmerking heeft genomen en niet degenen van wie de functie ingrijpend is gewijzigd en voor wie de plaatsingsprocedure uit het Sociaal Plan gold, wel van haar verwacht mogen worden. 5.13. Gelet op het voorgaande houdt het hof het er dan ook voor dat [appellant] niet aan haar verplichting op grond van de [bedrijf 3] heeft voldaan door de betrokken vakbonden niet te raadplegen. In dat geval kan het hof de arbeidsovereenkomst alleen beëindigen als sprake is van bijzondere omstandigheden. Die zijn niet gesteld of gebleken. Evenmin kan [appe [geïntimeerde] heeft de stelling van [appellant] , dat hij rondom zijn herverkiezing als bestuurder van het bedrijfstakpensioenfonds het bestuur en het verantwoordingsorgaan niet op de hoogte heeft gesteld van zijn boventallig verklaring, gemotiveerd betwist. Maar ook als hij hen inderdaad niet op de hoogte had gesteld, valt op basis van hetgeen [appellant] heeft gesteld niet in te zien waarom dat zou leiden tot een onherstelbare vertrouwensbreuk. Eveneens heeft [geïntimeerde] gemotiveerd weersproken dat hij ‘op eigen houtje’ als pensioenfondsbestuurder is gaan re-integreren. Hij heeft [appellant] onweersproken om toestemming gevraagd om in het kader van zijn re-integratie taken als pensioenfondsbestuurder te hervatten. Het voorgaande betekent dat ook grief 2 faalt, zodat het verzoek van [appellant] om het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen op de g-grond eveneens wordt afgewezen. Of het opzegverbod van artikel 108 lid 5 Pensioenwet al dan niet van toepassing is en of [appellant] (en [geïntimeerde] van zijn kant) voldoende herplaatsingsinspanningen hebben verricht behoeft daarom geen bespreking meer. De buitengerechtelijke kosten 5.19. Met grief 3 betoogt [appellant] dat de kantonrechter de buitengerechtelijke kosten ten onrechte heeft toegewezen. Ook deze grief faalt. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. [geïntimeerde] heeft na de UWV-procedure juridische kosten moeten maken in het kader van de onderhandelingen die hebben plaatsgevonden voordat [appellant] het ontbindingsverzoek indiende. Gelet op de omvang van het dossier en het grote (financiële) belang acht het hof de omvang van de kosten eveneens redelijk. Het incidenteel hoger beroep 5.20. Nu het verzoek om het einde van de arbeidsovereenkomst te bepalen zal worden afgewezen, wordt aan de beoordeling van het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep en de voorwaardelijke tegenverzoeken niet toegekomen en zullen deze onbesproken blijven. De werkelijke proceskosten 5.21. Het verzoek van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen in de werkelijke proceskosten zal worden afgewezen. Een volledige vergoedingsplicht voor proceskosten is denkbaar, maar alleen in buitengewone omstandigheden, bij misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de belangen van [geïntimeerde] achterwege had behoren te blijven. Er is in de voorliggende zaak, anders dan [geïntimeerde] heeft betoogd, geen sprake van een situatie waarin [appellant] haar vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de evidente onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Dat [appellant] wellicht niet geheel volledig is geweest in het presenteren van de feiten of een juridisch standpunt heeft ingenomen dat is verworpen maakt niet dat sprake is van buitengewone omstandigheden in voornoemde zin. Grief 1 in incidenteel appel slaagt niet. De kosten voor het vaststellen van pensioen- en inkomensschade 5.22. De kosten voor het vaststellen van de omvang van de pensioen- en inkomensschade zullen worden toegewezen. [geïntimeerde] heeft deze kosten moeten maken om verweer te voeren in de door [appellant] geïnitieerde procedure waarin het niet ondenkbaar was dat het verzoek van [appellant] zou zijn toegewezen. Dat dat verzoek niet is toegewezen en [geïntimeerde] ervoor heeft gekozen om een extern (onafhankelijk) deskundige in te schakelen terwijl hij zelf ook als deskundige kan worden beschouwd, maakt niet dat de kosten prematuur of niet in redelijkheid zijn gemaakt. Grief 2 in incidenteel hoger beroep slaa