Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-05-12
ECLI:NL:GHAMS:2026:1308
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,051 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1308 text/xml public 2026-05-18T09:54:48 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-05-12 200.360.022/01 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1308 text/html public 2026-05-18T09:54:14 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1308 Gerechtshof Amsterdam , 12-05-2026 / 200.360.022/01 kinderalimentatie. Onvoldoende inzicht in financiële situatie. GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.360.022/01 zaaknummer rechtbank: C/13/744234 / FA RK 23-8591 beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak van [de vader] , wonende te [Plaats A] , verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. K. Walburg te Hoorn (onttrokken), en [de moeder] , wonende te [Plaats A] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. E.M.J. van Nieuwenhuizen te Amsterdam. Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt: - de minderjarige [minderjarige ] , hierna: [minderjarige ] . 1 De zaak in het kort De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige ] (6 jaar). De rechtbank heeft de door de vader te betalen kinderalimentatie bepaald op € 500,- per maand. De vader is het daar niet mee eens en wil een kinderalimentatie van € 25,- per maand betalen. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 De vader is op 7 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 8 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). 2.2 De moeder heeft op 30 december 2025 een verweerschrift ingediend. 2.3 Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen: - een bericht van de zijde van de moeder van 27 februari 2026 met bijlagen. 2.4 De zitting heeft op 12 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. 3 De feiten 3.1 De vader en de moeder zijn de ouders van: - [minderjarige ] , geboren [in] 2019 te [Plaats A] . De ouders zijn met elkaar getrouwd [in] 2015 te [plaats B] , Syrië. Het huwelijk is op 19 maart 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 De ouders hebben de Syrische en Nederlandse nationaliteit. 3.3 [minderjarige ] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. 3.4 Bij beschikking van 6 februari 2024 betreffende voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank de door partijen overeengekomen voorlopige kinderalimentatie bepaald op € 150,- per maand. 4 De omvang van het hoger beroep 4.1 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op dienovereenkomstig verzoek van de moeder, de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige ] (hierna: de kinderalimentatie) met ingang van 8 juli 2025 bepaald op € 500,- per maand. 4.2 De vader verzoekt, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de kinderalimentatie te bepalen op € 25,- per maand met ingang van 8 juli 2025. 4.3 De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5 De motivering van de beslissing Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.1 De zaak heeft een internationaal karakter, omdat de ouders zowel de Syrische als de Nederlandse nationaliteit hebben. Het hof stelt vast dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd is om van het kinderalimentatieverzoek van de moeder kennis te nemen. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen is geen grief gericht, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Ontvankelijkheid 5.2 De moeder stelt dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, omdat iedere onderbouwing van zijn vermeende slechte financiële situatie ontbreekt. In het licht van de twee conclusieregel is deze wijze van procederen in strijd met de eisen van goede procesorde. Er is sprake van een onredelijke bemoeilijking van de verdediging en/of het voeren van verweer, aldus de moeder. 5.3 Het hof overweegt als volgt. Het hoger beroep van de vader ziet op de wijziging van een vastgestelde nevenvoorziening in de echtscheidingsprocedure. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat een partij zowel voor de wederpartij als voor de rechter zijn bezwaren tegen de bestreden beschikking helder inzichtelijk formuleert, zodat duidelijk is waartegen de grieven zich richten en de wederpartij daarmee voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om zich te verweren tegen de standpunten. In het beroepschrift van de vader zijn de grieven voldoende duidelijk opgenomen, zodat de moeder zich hierop voldoende heeft kunnen voorbereiden en naar het oordeel van het hof geen sprake is van strijd met de goede procesorde. Het hof is daarom van oordeel dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek en zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Standpunten partijen 5.4 De vader betoogt dat hij de in de bestreden beschikking vastgestelde kinderalimentatie van € 500,- per maand niet kan voldoen. De financiële situatie van de vader is penibel te noemen. De vader voert aan dat de rechtbank met een veel te hoog netto besteedbaar inkomen rekening heeft gehouden. De btw-aangiften laten de kosten van de vader niet zien en laten ook niet zien in welke financiële situatie de vader precies zit. De omzet van € 217.000,- brengt, gelet op de aard van de onderneming, aanzienlijke bedrijfskosten met zich mee. Door de hoge structurele kosten van inkoop en de vaste lasten, zoals huur, gas, water, elektriciteit, blijft er onderaan de streep nauwelijks tot geen winst over. De bruto omzet geeft dan ook geen reëel beeld van zijn draagkracht. Op dit moment is de draagkracht van de vader nihil, aldus de vader. De rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met zijn schulden. De vader heeft in de afgelopen periode noodgedwongen schulden opgebouwd, mede als gevolg van de beperkte winstgevendheid van zijn onderneming en de economische gevolgen van zijn persoonlijke omstandigheden. De vader kampt met een huurachterstand voor het bedrijfspand, waarvoor hij recentelijk is gedagvaard en zich bij de rechtbank heeft moeten verantwoorden. Door de omstandigheden waarin hij zich bevindt, waaronder de aanhoudende situatie in Syrië en de daaruit voortvloeiende persoonlijke en administratieve problemen, is hij momenteel niet in staat om de benodigde bewijsstukken over zijn financiële situatie te overleggen. Hij is zich bewust van zijn verplichtingen en zal stappen ondernemen om samen met zijn boekhouder zijn financiële situatie te structureren en te verbeteren. De vader heeft in het beroepschrift gesteld dat hij de financiële gegevens en een overzicht van de schulden zal indienen zodra deze gereed zijn. 5.5 De moeder betoogt dat de vader volstrekt onvoldoende financiële gegevens heeft overgelegd. Hij heeft geen jaarrekeningen van de eenmanszaak overgelegd, geen fiscale jaaraangifte IB 2023, geen eventuele voorlopige jaarcijfers 2024 en geen btw-aangifte van het vierde kwartaal 2023 en geen derde en vierde kwartaal 2024. De vader heeft nagelaten om enig inzicht te verschaffen in de kosten van zijn bedrijf, in de behaalde winst over 2023 en in de hoogte van zijn inkomen over 2023. Ook heeft hij nagelaten om, tegenover de nadrukkelijke betwisting door de moeder, aan te tonen welke niet verwijtbare en niet vermijdbare schulden hij heeft, sedert wanneer deze schulden zijn aangegaan en wat hij daarop maandelijks aflost. De rechtbank is terecht uitgegaan van minimaal een bruto winst uit onderneming van € 100.000,- over 2023 en heeft daarom terecht een kinderalimentatie van € 500,- per maand bepaald, aldus de moeder.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1308 text/xml public 2026-05-18T09:54:48 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-05-12 200.360.022/01 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1308 text/html public 2026-05-18T09:54:14 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1308 Gerechtshof Amsterdam , 12-05-2026 / 200.360.022/01 kinderalimentatie. Onvoldoende inzicht in financiële situatie. GERECHTSHOF AMSTERDAM Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht) zaaknummer: 200.360.022/01 zaaknummer rechtbank: C/13/744234 / FA RK 23-8591 beschikking van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak van [de vader] , wonende te [Plaats A] , verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. K. Walburg te Hoorn (onttrokken), en [de moeder] , wonende te [Plaats A] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. E.M.J. van Nieuwenhuizen te Amsterdam. Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt: - de minderjarige [minderjarige ] , hierna: [minderjarige ] . 1 De zaak in het kort De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige ] (6 jaar). De rechtbank heeft de door de vader te betalen kinderalimentatie bepaald op € 500,- per maand. De vader is het daar niet mee eens en wil een kinderalimentatie van € 25,- per maand betalen. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking. 2 De procedure in hoger beroep 2.1 De vader is op 7 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 8 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). 2.2 De moeder heeft op 30 december 2025 een verweerschrift ingediend. 2.3 Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen: - een bericht van de zijde van de moeder van 27 februari 2026 met bijlagen. 2.4 De zitting heeft op 12 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. 3 De feiten 3.1 De vader en de moeder zijn de ouders van: - [minderjarige ] , geboren [in] 2019 te [Plaats A] . De ouders zijn met elkaar getrouwd [in] 2015 te [plaats B] , Syrië. Het huwelijk is op 19 maart 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 De ouders hebben de Syrische en Nederlandse nationaliteit. 3.3 [minderjarige ] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. 3.4 Bij beschikking van 6 februari 2024 betreffende voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank de door partijen overeengekomen voorlopige kinderalimentatie bepaald op € 150,- per maand. 4 De omvang van het hoger beroep 4.1 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op dienovereenkomstig verzoek van de moeder, de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige ] (hierna: de kinderalimentatie) met ingang van 8 juli 2025 bepaald op € 500,- per maand. 4.2 De vader verzoekt, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de kinderalimentatie te bepalen op € 25,- per maand met ingang van 8 juli 2025. 4.3 De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5 De motivering van de beslissing Rechtsmacht en toepasselijk recht 5.1 De zaak heeft een internationaal karakter, omdat de ouders zowel de Syrische als de Nederlandse nationaliteit hebben. Het hof stelt vast dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd is om van het kinderalimentatieverzoek van de moeder kennis te nemen. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen is geen grief gericht, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Ontvankelijkheid 5.2 De moeder stelt dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep, omdat iedere onderbouwing van zijn vermeende slechte financiële situatie ontbreekt. In het licht van de twee conclusieregel is deze wijze van procederen in strijd met de eisen van goede procesorde. Er is sprake van een onredelijke bemoeilijking van de verdediging en/of het voeren van verweer, aldus de moeder. 5.3 Het hof overweegt als volgt. Het hoger beroep van de vader ziet op de wijziging van een vastgestelde nevenvoorziening in de echtscheidingsprocedure. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat een partij zowel voor de wederpartij als voor de rechter zijn bezwaren tegen de bestreden beschikking helder inzichtelijk formuleert, zodat duidelijk is waartegen de grieven zich richten en de wederpartij daarmee voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om zich te verweren tegen de standpunten. In het beroepschrift van de vader zijn de grieven voldoende duidelijk opgenomen, zodat de moeder zich hierop voldoende heeft kunnen voorbereiden en naar het oordeel van het hof geen sprake is van strijd met de goede procesorde. Het hof is daarom van oordeel dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek en zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Standpunten partijen 5.4 De vader betoogt dat hij de in de bestreden beschikking vastgestelde kinderalimentatie van € 500,- per maand niet kan voldoen. De financiële situatie van de vader is penibel te noemen. De vader voert aan dat de rechtbank met een veel te hoog netto besteedbaar inkomen rekening heeft gehouden. De btw-aangiften laten de kosten van de vader niet zien en laten ook niet zien in welke financiële situatie de vader precies zit. De omzet van € 217.000,- brengt, gelet op de aard van de onderneming, aanzienlijke bedrijfskosten met zich mee. Door de hoge structurele kosten van inkoop en de vaste lasten, zoals huur, gas, water, elektriciteit, blijft er onderaan de streep nauwelijks tot geen winst over. De bruto omzet geeft dan ook geen reëel beeld van zijn draagkracht. Op dit moment is de draagkracht van de vader nihil, aldus de vader. De rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met zijn schulden. De vader heeft in de afgelopen periode noodgedwongen schulden opgebouwd, mede als gevolg van de beperkte winstgevendheid van zijn onderneming en de economische gevolgen van zijn persoonlijke omstandigheden. De vader kampt met een huurachterstand voor het bedrijfspand, waarvoor hij recentelijk is gedagvaard en zich bij de rechtbank heeft moeten verantwoorden. Door de omstandigheden waarin hij zich bevindt, waaronder de aanhoudende situatie in Syrië en de daaruit voortvloeiende persoonlijke en administratieve problemen, is hij momenteel niet in staat om de benodigde bewijsstukken over zijn financiële situatie te overleggen. Hij is zich bewust van zijn verplichtingen en zal stappen ondernemen om samen met zijn boekhouder zijn financiële situatie te structureren en te verbeteren. De vader heeft in het beroepschrift gesteld dat hij de financiële gegevens en een overzicht van de schulden zal indienen zodra deze gereed zijn. 5.5 De moeder betoogt dat de vader volstrekt onvoldoende financiële gegevens heeft overgelegd. Hij heeft geen jaarrekeningen van de eenmanszaak overgelegd, geen fiscale jaaraangifte IB 2023, geen eventuele voorlopige jaarcijfers 2024 en geen btw-aangifte van het vierde kwartaal 2023 en geen derde en vierde kwartaal 2024. De vader heeft nagelaten om enig inzicht te verschaffen in de kosten van zijn bedrijf, in de behaalde winst over 2023 en in de hoogte van zijn inkomen over 2023. Ook heeft hij nagelaten om, tegenover de nadrukkelijke betwisting door de moeder, aan te tonen welke niet verwijtbare en niet vermijdbare schulden hij heeft, sedert wanneer deze schulden zijn aangegaan en wat hij daarop maandelijks aflost. De rechtbank is terecht uitgegaan van minimaal een bruto winst uit onderneming van € 100.000,- over 2023 en heeft daarom terecht een kinderalimentatie van € 500,- per maand bepaald, aldus de moeder.