Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-05-12
ECLI:NL:GHAMS:2026:1247
Civiel recht
Hoger beroep
12,119 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1247 text/xml public 2026-05-15T12:00:30 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-05-12 200.360.079/01 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1247 text/html public 2026-05-08T12:28:53 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1247 Gerechtshof Amsterdam , 12-05-2026 / 200.360.079/01 Bewaarder wordt na flirterig gedrag met bewoonster op staande voet ontslagen door DJI. Anders dan kantonrechter oordeelt het hof dat er geen dringende reden was GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1 zaaknummer: 200.360.079/01 zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 11686786 \ AO VERZ 25-65 beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026 inzake [appellant] , wonende te [plaats] , appellant, advocaat: mr. M. Voogt te Rotterdam, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie en Veiligheid, DIENST JUSTITIËLE INRICHTINGEN, gevestigd te ’s-Gravenhage, geïntimeerde, advocaat: mr. A.J. Verhagen te ’s-Gravenhage. Partijen worden hierna [appellant] en DJI genoemd. 1 De zaak in het kort Op basis van camerabeelden waaruit wederzijdse aanrakingen van [appellant] en een bewoonster van de afdeling IND bleken, heeft DJI [appellant] op staande voet ontslagen op de grondslag dat hij met haar een niet-professionele relatie onderhield, hetgeen in strijd is met de DJI Gedragscode. Anders dan de kantonrechter oordeelt het hof dat een dringende reden voor ontslag op staande voet ontbrak. 2 Het geding in hoger beroep [appellant] is bij beroepschrift, met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 9 oktober 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem), hierna: de kantonrechter, op 9 juli 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking, die is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBNHO:2025:7296). Op 5 maart 2026 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep (met producties) van DJI ingekomen. Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 27 maart 2026 laten toelichten door hun advocaten aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Uitspraak is bepaald op heden. [appellant] heeft geconcludeerd (naar het hof begrijpt) dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog DJI zal veroordelen tot betaling van: primair: een billijke vergoeding van € 20.000,- bruto; de transitievergoeding van € 6.941,48 bruto en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 8.202,49 bruto; subsidiair: - de transitievergoeding van € 6.941,48 bruto primair en subsidiair: - de wettelijke rente over deze bedragen, alsmede dat het hof zal bepalen dat DJI voor de uit te keren bruto bedragen een bruto/netto specificatie zal verstrekken, met veroordeling van DJI in de kosten van het geding in beide instanties. DJI heeft geconcludeerd tot afwijzing van alle verzoeken, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep inclusief rente. Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden. 3 Feiten De kantonrechter heeft in 2.1 tot en met 2.7 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. 3.1. [appellant] (geboren op 3 maart 1982) was sinds 1 augustus 2020 krachtens arbeidsovereenkomst werkzaam bij DJI op de locatie Schiphol in de functie van Medior Penitentiair Inrichtingswerker (PIW’er). Zijn salaris was € 3.246,16 bruto per maand exclusief overwerk, vakantiegeld en overige emolumenten. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op 4 maart 2025 door DJI op grond van een (beweerdelijke) dringende reden op staande voet beëindigd. 3.2. DJI te Schiphol bestaat uit een cellencomplex en een aanmeldcentrum van de IND. Asielzoekers die zich melden op Schiphol, worden in afwachting van de asielprocedure op de IND-leefafdeling geplaatst. [appellant] werkte als PI-medewerker zowel op de B-afdeling met gedetineerden als op de C-afdeling met asielzoekers. 3.3. [appellant] was ambtenaar, zodat de Ambtenarenwet 2017 en de bijzondere positie van de ambtenaar die daarin wordt beschreven van toepassing is. Daarnaast is de Gedragscode Integriteit Rijk (111 pagina’s lang) met daarin opgenomen de Gedragscode-DJI (9 pagina’s lang) onderdeel van de arbeidsovereenkomst. De laatste versie van Gedragscode-DJI staat ook in het Personeelsreglement DJI in Bijlage 8 en is tevens voor elke werknemer raadpleegbaar op het intranet. In de Gedragscode-DJI staan de kernwaarden omschreven voor alle PI-medewerkers, te weten respect, betrouwbaarheid, openheid en professionaliteit. 3.4. Op 3 maart 2025 had [appellant] dienst op de B-afdeling met gedetineerden. Hij vierde die dag zijn verjaardag. Rond 21:15 uur is hij naar de C-afdeling gegaan. Daar heeft hij contact gehad met een vrouwelijke bewoonster van de IND-leefafdeling, [naam] . 3.5. In de meldkamer van DJI monitoren twee complexbeveiligers 24 uur per dag live de camerabeelden van DJI Schiphol. DJI ontving van hen een melding over het gedrag van [appellant] en de vrouwelijke bewoonster tijdens het contact op 3 maart 2025. 3.6. Naar aanleiding van de melding heeft DJI de camerabeelden (ruim acht minuten) bekeken, welke beelden zich in het dossier bevinden. Op deze beelden is te zien dat [appellant] en de bewoonster rondwandelend in de open C-afdeling een gesprek voeren, waarbij ze elkaar meermaals aanraken. 3.7. Op 4 maart 2025 is door DJI met [appellant] een hoor- en wederhoor gesprek gevoerd. Hiervan is een verslag gemaakt. [appellant] werd na dit gesprek op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van 6 maart 2025 staat als ontslagreden: “ U heeft zich schuldig gemaakt aan (ernstig) verwijtbaar handelen. Het (ernstig) verwijtbaar handelen bestaat uit: het onderhouden van een niet professionele relatie met een bewoonster van de afdeling IND in strijd met de DJI Gedragscode .” Over de gebeurtenissen die tot het ontslag hebben geleid, staat in de ontslagbrief het volgende: “DC Schiphol heeft na de ontvangen melding de camerabeelden bekeken van uw late dienst op maandag 3 maart 2025. U was die dag werkzaam op de B-afdeling. Desalniettemin liep u toen uw dienst op zijn einde liep naar de C-afdeling. U zocht daar bewoonster [naam] . op. Op de camerabeelden is te zien dat er sprake is van een zeer onprofessionele omgang. U houdt de hand van [naam] ., u streelt haar dijbeen en haar buik. [naam] . raakt ook u aan op uw buik en jullie houden meerdere keren elkaars handen vast. Er is sprake is van amicale, flirterige sfeer tussen [naam] . en u. In het hoor-en-wederhoor gesprek heeft u verklaard dat er wat u betreft sprake is van een professionele sfeer en dat u alleen een praatje met haar ging houden. U heeft verklaard dat u haar tot kalmte probeerde te brengen, omdat [naam] . verward en emotioneel zou zijn. Op de camerabeelden is niet te zien dat [naam] . emotioneel dan wel verward zou zijn. Volgens u zijn de aanrakingen over en weer een blijk van vertrouwen in elkaar en dat [naam] . zich goed bij u voelt. U geeft aan dat er geen sprake is van relatie of een seksuele relatie. (…)” Verder is in de ontslagbrief uit de Gedragscode-DJI geciteerd: “ Verboden contacten: Het hebben van een andere dan een werkrelatie met een justitiabele is niet toegestaan. (…) Een liefdesrelaties of een vriendschapsrelatie zijn duidelijke vormen van een relatie, maar ook het helpen van iemand kan een relatie zijn. Mocht een relatie ontstaan dan ben je verplicht dit te melden.(…) Kernwaarde: Professionaliteit Professionaliteit is uw werk bekwaam doen, u houden aan de regels en uw collega's helpen zich ook aan de regels te houden. Professionaliteit is correct gebruik maken van de middelen die de dienst u ter beschikking stelt. Op de juiste manier omgaan met justitiabelen, maar ook met collega’s getuigt eveneens van professionaliteit. Hier spelen vakkennis en inzicht een belangrijke rol.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1247 text/xml public 2026-05-15T12:00:30 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-05-12 200.360.079/01 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1247 text/html public 2026-05-08T12:28:53 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1247 Gerechtshof Amsterdam , 12-05-2026 / 200.360.079/01 Bewaarder wordt na flirterig gedrag met bewoonster op staande voet ontslagen door DJI. Anders dan kantonrechter oordeelt het hof dat er geen dringende reden was GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1 zaaknummer: 200.360.079/01 zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 11686786 \ AO VERZ 25-65 beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026 inzake [appellant] , wonende te [plaats] , appellant, advocaat: mr. M. Voogt te Rotterdam, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie en Veiligheid, DIENST JUSTITIËLE INRICHTINGEN, gevestigd te ’s-Gravenhage, geïntimeerde, advocaat: mr. A.J. Verhagen te ’s-Gravenhage. Partijen worden hierna [appellant] en DJI genoemd. 1 De zaak in het kort Op basis van camerabeelden waaruit wederzijdse aanrakingen van [appellant] en een bewoonster van de afdeling IND bleken, heeft DJI [appellant] op staande voet ontslagen op de grondslag dat hij met haar een niet-professionele relatie onderhield, hetgeen in strijd is met de DJI Gedragscode. Anders dan de kantonrechter oordeelt het hof dat een dringende reden voor ontslag op staande voet ontbrak. 2 Het geding in hoger beroep [appellant] is bij beroepschrift, met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 9 oktober 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem), hierna: de kantonrechter, op 9 juli 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking, die is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBNHO:2025:7296). Op 5 maart 2026 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep (met producties) van DJI ingekomen. Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 27 maart 2026 laten toelichten door hun advocaten aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Uitspraak is bepaald op heden. [appellant] heeft geconcludeerd (naar het hof begrijpt) dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog DJI zal veroordelen tot betaling van: primair: een billijke vergoeding van € 20.000,- bruto; de transitievergoeding van € 6.941,48 bruto en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 8.202,49 bruto; subsidiair: - de transitievergoeding van € 6.941,48 bruto primair en subsidiair: - de wettelijke rente over deze bedragen, alsmede dat het hof zal bepalen dat DJI voor de uit te keren bruto bedragen een bruto/netto specificatie zal verstrekken, met veroordeling van DJI in de kosten van het geding in beide instanties. DJI heeft geconcludeerd tot afwijzing van alle verzoeken, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep inclusief rente. Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden. 3 Feiten De kantonrechter heeft in 2.1 tot en met 2.7 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. 3.1. [appellant] (geboren op 3 maart 1982) was sinds 1 augustus 2020 krachtens arbeidsovereenkomst werkzaam bij DJI op de locatie Schiphol in de functie van Medior Penitentiair Inrichtingswerker (PIW’er). Zijn salaris was € 3.246,16 bruto per maand exclusief overwerk, vakantiegeld en overige emolumenten. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is op 4 maart 2025 door DJI op grond van een (beweerdelijke) dringende reden op staande voet beëindigd. 3.2. DJI te Schiphol bestaat uit een cellencomplex en een aanmeldcentrum van de IND. Asielzoekers die zich melden op Schiphol, worden in afwachting van de asielprocedure op de IND-leefafdeling geplaatst. [appellant] werkte als PI-medewerker zowel op de B-afdeling met gedetineerden als op de C-afdeling met asielzoekers. 3.3. [appellant] was ambtenaar, zodat de Ambtenarenwet 2017 en de bijzondere positie van de ambtenaar die daarin wordt beschreven van toepassing is. Daarnaast is de Gedragscode Integriteit Rijk (111 pagina’s lang) met daarin opgenomen de Gedragscode-DJI (9 pagina’s lang) onderdeel van de arbeidsovereenkomst. De laatste versie van Gedragscode-DJI staat ook in het Personeelsreglement DJI in Bijlage 8 en is tevens voor elke werknemer raadpleegbaar op het intranet. In de Gedragscode-DJI staan de kernwaarden omschreven voor alle PI-medewerkers, te weten respect, betrouwbaarheid, openheid en professionaliteit. 3.4. Op 3 maart 2025 had [appellant] dienst op de B-afdeling met gedetineerden. Hij vierde die dag zijn verjaardag. Rond 21:15 uur is hij naar de C-afdeling gegaan. Daar heeft hij contact gehad met een vrouwelijke bewoonster van de IND-leefafdeling, [naam] . 3.5. In de meldkamer van DJI monitoren twee complexbeveiligers 24 uur per dag live de camerabeelden van DJI Schiphol. DJI ontving van hen een melding over het gedrag van [appellant] en de vrouwelijke bewoonster tijdens het contact op 3 maart 2025. 3.6. Naar aanleiding van de melding heeft DJI de camerabeelden (ruim acht minuten) bekeken, welke beelden zich in het dossier bevinden. Op deze beelden is te zien dat [appellant] en de bewoonster rondwandelend in de open C-afdeling een gesprek voeren, waarbij ze elkaar meermaals aanraken. 3.7. Op 4 maart 2025 is door DJI met [appellant] een hoor- en wederhoor gesprek gevoerd. Hiervan is een verslag gemaakt. [appellant] werd na dit gesprek op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van 6 maart 2025 staat als ontslagreden: “ U heeft zich schuldig gemaakt aan (ernstig) verwijtbaar handelen. Het (ernstig) verwijtbaar handelen bestaat uit: het onderhouden van een niet professionele relatie met een bewoonster van de afdeling IND in strijd met de DJI Gedragscode .” Over de gebeurtenissen die tot het ontslag hebben geleid, staat in de ontslagbrief het volgende: “DC Schiphol heeft na de ontvangen melding de camerabeelden bekeken van uw late dienst op maandag 3 maart 2025. U was die dag werkzaam op de B-afdeling. Desalniettemin liep u toen uw dienst op zijn einde liep naar de C-afdeling. U zocht daar bewoonster [naam] . op. Op de camerabeelden is te zien dat er sprake is van een zeer onprofessionele omgang. U houdt de hand van [naam] ., u streelt haar dijbeen en haar buik. [naam] . raakt ook u aan op uw buik en jullie houden meerdere keren elkaars handen vast. Er is sprake is van amicale, flirterige sfeer tussen [naam] . en u. In het hoor-en-wederhoor gesprek heeft u verklaard dat er wat u betreft sprake is van een professionele sfeer en dat u alleen een praatje met haar ging houden. U heeft verklaard dat u haar tot kalmte probeerde te brengen, omdat [naam] . verward en emotioneel zou zijn. Op de camerabeelden is niet te zien dat [naam] . emotioneel dan wel verward zou zijn. Volgens u zijn de aanrakingen over en weer een blijk van vertrouwen in elkaar en dat [naam] . zich goed bij u voelt. U geeft aan dat er geen sprake is van relatie of een seksuele relatie. (…)” Verder is in de ontslagbrief uit de Gedragscode-DJI geciteerd: “ Verboden contacten: Het hebben van een andere dan een werkrelatie met een justitiabele is niet toegestaan. (…) Een liefdesrelaties of een vriendschapsrelatie zijn duidelijke vormen van een relatie, maar ook het helpen van iemand kan een relatie zijn. Mocht een relatie ontstaan dan ben je verplicht dit te melden.(…) Kernwaarde: Professionaliteit Professionaliteit is uw werk bekwaam doen, u houden aan de regels en uw collega's helpen zich ook aan de regels te houden. Professionaliteit is correct gebruik maken van de middelen die de dienst u ter beschikking stelt. Op de juiste manier omgaan met justitiabelen, maar ook met collega’s getuigt eveneens van professionaliteit. Hier spelen vakkennis en inzicht een belangrijke rol.
Volledig
In contact met justitiabelen zorgt u dat u professionele afstand houdt, maar toch dichtbij hen staat. Professioneel gedrag is onmisbaar bij het vinden van de moeilijke balans en de grens tussen privé en publiek te bewaken. Werken bij DJI en werken bij justitiabelen brengt veel morele dilemma's met zich mee. Professioneel omgaan met deze bijzondere dilemma's, vereist moreel vakmanschap. Dit soort vakmanschap is een ander vakmanschap dan het praktische vakmanschap. Het is om te beginnen erkennen dat er aan veel handelingen en gedragingen bij DJI een ethische kant zit. Vervolgens hier eerlijk over durven te zijn, kwesties zorgvuldig afwegen en daarbij uw eigen motivaties onder de loep durven nemen. Ook dit is professioneel handelen .” Ten aanzien van het ontslag op staande voet is hier in de ontslagbrief aan toegevoegd: “ U heeft de hierin beschreven regels overtreden met uw gedrag met [naam] . Er is geen sprake van een normale werkrelatie noch heeft u zich professioneel gedragen. Uw gedrag kan ik niet tolereren. In de Gedragscode DJI is expliciet benoemd dat het hebben van een andere dan een werkrelatie met een justitiabele niet is toegestaan en wat er van u wordt verwacht in het kader van professioneel gedrag. Gezien uw handelen heb ik u op dinsdag 4 maart 2025 na ons gesprek medegedeeld dat u me onmiddellijke ingang op staande voet wordt ontslagen .” 4 Eerste aanleg 4.1. [appellant] heeft in eerste aanleg aanvankelijk vernietiging van het ontslag op staande voet en doorbetaling van salaris verzocht, maar deze verzoeken ter terechtzitting d.d. 12 juni 2025 ingetrokken met de verklaring te berusten in het einde van de arbeidsovereenkomst per 4 maart 2025. De kantonrechter heeft de resterende verzoeken van [appellant] (verklaring voor recht, veroordeling van DJI tot betaling van een billijke vergoeding, de transitievergoeding en de onregelmatigheidsvergoeding) afgewezen en hem in de kosten van de procedure veroordeeld. 4.2. De kantonrechter heeft op basis van de ter zitting getoonde camerabeelden vastgesteld dat “ op 3 maart 2025 sprake was van een niet professionele relatie ” en daarbij overwogen “ Ook zonder een subjectieve invulling is te zien dat geen sprake is van noodzakelijke aanrakingen ter troost of geruststelling of anderszins, zoals door [appellant] tijdens het hoor- en wederhoorgesprek aangegeven .” De kantonrechter overweegt dat bij [appellant] de Gedragscode-DJI en de daarin genoemde kernwaarden bekend waren of hadden moeten zijn. De kantonrechter overweegt dat uit de Gedragscode-DJI duidelijk volgt dat iedere relatie (anders dan een werkrelatie) verboden is en verwijst naar de kernwaarde professionaliteit: “ in contacten met justitiabelen zorgt u dat u professionele afstand houdt .” en stelt vast: “ Dit heeft [appellant] niet gedaan .” De kantonrechter wijst expliciet het verweer van [appellant] af dat met IND-bewoners ‘losser’ mag worden omgegaan en dat dat meebrengt dat zijn gedragingen hem minder kunnen worden aangerekend, temeer omdat hij zo handelde in het bijzijn van collega’s en andere IND-bewoners. Ook het argument van [appellant] dat een minder vergaande sanctie op zijn plaats was geweest, mede gezien de reactie van DJI in andere gevallen, wijst de kantonrechter van de hand. De persoonlijke gevolgen van het ontslag op staande voet heeft de kantonrechter meegewogen in haar beoordeling dat sprake was van een dringende reden, die ook als ernstig verwijtbaar wordt beoordeeld. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld. Op het verzoek van [appellant] gebaseerd op het bepaalde in artikel 7:673 lid 8 BW is niet expliciet beslist. 5 Beoordeling 5.1. [appellant] betwist de aanwezigheid van een dringende reden. [appellant] heeft in hoger beroep zeven genummerde grieven aangevoerd. De grieven 1 (er was geen sprake van een niet professionele relatie tussen [appellant] en [naam] .) en 4 (het gedrag van [appellant] levert geen dringende reden op) lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In zijn eerste grief verzet [appellant] zich tegen de conclusie van de kantonrechter dat uit de beelden blijkt dat hij een niet professionele relatie met [naam] . had. [appellant] betwist niet langer dat uit de beelden blijkt dat hij op 3 maart 2025 onvoldoende professionele afstand tot [naam] . heeft gehouden, noch dat er sprake was van niet noodzakelijke aanrakingen. Maar die feiten en omstandigheden zijn onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat er sprake was van een niet professionele relatie (grief 1), noch dat zij een dringende reden opleveren (grief 4), aldus [appellant] . 5.2. Het hof stelt voorop dat ter zitting voldoende gebleken is dat het tot de taak van de PIW-ers hoort om een professionele vertrouwensrelatie met de bewoners op te bouwen, hun relaas met hen te bespreken en hen in zekere mate gerust te stellen (DJI spreekt hierbij ter zitting over ‘mentorschap’). Het hof heeft op de camerabeelden kunnen zien en met partijen besproken dat ook een andere PIW-er een amicale omgang met andere bewoners heeft (lachen, een boks/‘high-five’, arm op de schouder leggen). De omgang tussen [appellant] en [naam] . steekt daar bij af, omdat deze de normale amicale omgangsvormen te buiten gaat, ‘flirterig’ is en daarmee evident onprofessioneel (aai over de rug, hand vastpakken en strelen, wederzijdse prikjes in de buik, etc.). Voor het hof is daarmee duidelijk dat [appellant] in zijn op de camerabeelden zichtbare gedrag jegens [naam] . onprofessioneel handelt, omdat hij de grens waar ‘amicale omgang’ overgaat in ‘flirterige aanrakingen’ heeft overschreden. Daaraan doet niet af dat dit gedrag op het oog consensueel was en vaak begon bij [naam] . De beelden sluiten enerzijds niet uit dat er meer tussen [appellant] en [naam] . speelde dan wat op de beelden zelf zichtbaar is, maar tonen anderzijds op zichzelf niet reeds aan dat er sprake is van een andere dan een professionele relatie. Ook in een nog steeds professionele relatie kan zich niet-professioneel gedrag (zoals op de beelden te zien is) voordoen. Dat DJI tot een andere conclusie is gekomen, lijkt vooral te zijn gebaseerd op de redenering van DJI dat het op de beelden voor DJI zichtbare onprofessionele gedrag van [appellant] op zichzelf al met zich brengt dat hij ‘een niet professionele relatie’ met [appellant] had: onprofessioneel gedrag jegens een bewoner leidt dan (volgens DJI) automatisch tot een onprofessionele relatie met die bewoner. Het hof volgt DJI niet in deze uitleg. Het vaststaande niet-professionele gedrag van [appellant] wordt door het hof beoordeeld als een vorm van disfunctioneren en/of verwijtbaar handelen. Dat [appellant] de onprofessionaliteit van zijn handelen in het gesprek de dag erna niet meteen heeft erkend, staat weliswaar vast, maar daar staat tegenover dat de beelden hem toen niet zijn voorgehouden. Wat daar verder ook van zij, DJI heeft aan de ontkennende reactie van [appellant] in het hoor-wederhoor-gesprek blijkens de ontslagbrief geen zelfstandige betekenis toegekend. Kortom: bij de beoordeling van uitsluitend de beelden staat voor het hof voldoende vast dat er sprake was van onprofessioneel gedrag van [appellant] , maar blijkt onvoldoende dat hij met [naam] . een niet-professionele relatie had, zoals door DJI aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd. Met het hebben van een relatie wordt in het algemeen toch iets anders bedoeld dan louter het onprofessionele gedrag van [appellant] zoals dat op de beelden te zien is. Met name het (min of meer) duurzame karakter bij ‘het hebben van een relatie’ ontbreekt hier als bewijsmiddel. Door DJI zijn ter onderbouwing van ‘het hebben van een niet professionele relatie’ geen andere feiten en omstandigheden betrekking hebbend op gedragingen of nalaten van [appellant] aan het gegeven ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dan uitsluitend de camerabeelden. 5.3. Wat er overigens ook van de discussie over ‘het hebben van een relatie’ zij, voor het hof levert het op de beelden zichtbare gedrag van [appellant] geen dringende reden in de zin der wet op, mede gelet op de context waarin dit gedrag zich voordeed.
Volledig
In contact met justitiabelen zorgt u dat u professionele afstand houdt, maar toch dichtbij hen staat. Professioneel gedrag is onmisbaar bij het vinden van de moeilijke balans en de grens tussen privé en publiek te bewaken. Werken bij DJI en werken bij justitiabelen brengt veel morele dilemma's met zich mee. Professioneel omgaan met deze bijzondere dilemma's, vereist moreel vakmanschap. Dit soort vakmanschap is een ander vakmanschap dan het praktische vakmanschap. Het is om te beginnen erkennen dat er aan veel handelingen en gedragingen bij DJI een ethische kant zit. Vervolgens hier eerlijk over durven te zijn, kwesties zorgvuldig afwegen en daarbij uw eigen motivaties onder de loep durven nemen. Ook dit is professioneel handelen .” Ten aanzien van het ontslag op staande voet is hier in de ontslagbrief aan toegevoegd: “ U heeft de hierin beschreven regels overtreden met uw gedrag met [naam] . Er is geen sprake van een normale werkrelatie noch heeft u zich professioneel gedragen. Uw gedrag kan ik niet tolereren. In de Gedragscode DJI is expliciet benoemd dat het hebben van een andere dan een werkrelatie met een justitiabele niet is toegestaan en wat er van u wordt verwacht in het kader van professioneel gedrag. Gezien uw handelen heb ik u op dinsdag 4 maart 2025 na ons gesprek medegedeeld dat u me onmiddellijke ingang op staande voet wordt ontslagen .” 4 Eerste aanleg 4.1. [appellant] heeft in eerste aanleg aanvankelijk vernietiging van het ontslag op staande voet en doorbetaling van salaris verzocht, maar deze verzoeken ter terechtzitting d.d. 12 juni 2025 ingetrokken met de verklaring te berusten in het einde van de arbeidsovereenkomst per 4 maart 2025. De kantonrechter heeft de resterende verzoeken van [appellant] (verklaring voor recht, veroordeling van DJI tot betaling van een billijke vergoeding, de transitievergoeding en de onregelmatigheidsvergoeding) afgewezen en hem in de kosten van de procedure veroordeeld. 4.2. De kantonrechter heeft op basis van de ter zitting getoonde camerabeelden vastgesteld dat “ op 3 maart 2025 sprake was van een niet professionele relatie ” en daarbij overwogen “ Ook zonder een subjectieve invulling is te zien dat geen sprake is van noodzakelijke aanrakingen ter troost of geruststelling of anderszins, zoals door [appellant] tijdens het hoor- en wederhoorgesprek aangegeven .” De kantonrechter overweegt dat bij [appellant] de Gedragscode-DJI en de daarin genoemde kernwaarden bekend waren of hadden moeten zijn. De kantonrechter overweegt dat uit de Gedragscode-DJI duidelijk volgt dat iedere relatie (anders dan een werkrelatie) verboden is en verwijst naar de kernwaarde professionaliteit: “ in contacten met justitiabelen zorgt u dat u professionele afstand houdt .” en stelt vast: “ Dit heeft [appellant] niet gedaan .” De kantonrechter wijst expliciet het verweer van [appellant] af dat met IND-bewoners ‘losser’ mag worden omgegaan en dat dat meebrengt dat zijn gedragingen hem minder kunnen worden aangerekend, temeer omdat hij zo handelde in het bijzijn van collega’s en andere IND-bewoners. Ook het argument van [appellant] dat een minder vergaande sanctie op zijn plaats was geweest, mede gezien de reactie van DJI in andere gevallen, wijst de kantonrechter van de hand. De persoonlijke gevolgen van het ontslag op staande voet heeft de kantonrechter meegewogen in haar beoordeling dat sprake was van een dringende reden, die ook als ernstig verwijtbaar wordt beoordeeld. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld. Op het verzoek van [appellant] gebaseerd op het bepaalde in artikel 7:673 lid 8 BW is niet expliciet beslist. 5 Beoordeling 5.1. [appellant] betwist de aanwezigheid van een dringende reden. [appellant] heeft in hoger beroep zeven genummerde grieven aangevoerd. De grieven 1 (er was geen sprake van een niet professionele relatie tussen [appellant] en [naam] .) en 4 (het gedrag van [appellant] levert geen dringende reden op) lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In zijn eerste grief verzet [appellant] zich tegen de conclusie van de kantonrechter dat uit de beelden blijkt dat hij een niet professionele relatie met [naam] . had. [appellant] betwist niet langer dat uit de beelden blijkt dat hij op 3 maart 2025 onvoldoende professionele afstand tot [naam] . heeft gehouden, noch dat er sprake was van niet noodzakelijke aanrakingen. Maar die feiten en omstandigheden zijn onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat er sprake was van een niet professionele relatie (grief 1), noch dat zij een dringende reden opleveren (grief 4), aldus [appellant] . 5.2. Het hof stelt voorop dat ter zitting voldoende gebleken is dat het tot de taak van de PIW-ers hoort om een professionele vertrouwensrelatie met de bewoners op te bouwen, hun relaas met hen te bespreken en hen in zekere mate gerust te stellen (DJI spreekt hierbij ter zitting over ‘mentorschap’). Het hof heeft op de camerabeelden kunnen zien en met partijen besproken dat ook een andere PIW-er een amicale omgang met andere bewoners heeft (lachen, een boks/‘high-five’, arm op de schouder leggen). De omgang tussen [appellant] en [naam] . steekt daar bij af, omdat deze de normale amicale omgangsvormen te buiten gaat, ‘flirterig’ is en daarmee evident onprofessioneel (aai over de rug, hand vastpakken en strelen, wederzijdse prikjes in de buik, etc.). Voor het hof is daarmee duidelijk dat [appellant] in zijn op de camerabeelden zichtbare gedrag jegens [naam] . onprofessioneel handelt, omdat hij de grens waar ‘amicale omgang’ overgaat in ‘flirterige aanrakingen’ heeft overschreden. Daaraan doet niet af dat dit gedrag op het oog consensueel was en vaak begon bij [naam] . De beelden sluiten enerzijds niet uit dat er meer tussen [appellant] en [naam] . speelde dan wat op de beelden zelf zichtbaar is, maar tonen anderzijds op zichzelf niet reeds aan dat er sprake is van een andere dan een professionele relatie. Ook in een nog steeds professionele relatie kan zich niet-professioneel gedrag (zoals op de beelden te zien is) voordoen. Dat DJI tot een andere conclusie is gekomen, lijkt vooral te zijn gebaseerd op de redenering van DJI dat het op de beelden voor DJI zichtbare onprofessionele gedrag van [appellant] op zichzelf al met zich brengt dat hij ‘een niet professionele relatie’ met [appellant] had: onprofessioneel gedrag jegens een bewoner leidt dan (volgens DJI) automatisch tot een onprofessionele relatie met die bewoner. Het hof volgt DJI niet in deze uitleg. Het vaststaande niet-professionele gedrag van [appellant] wordt door het hof beoordeeld als een vorm van disfunctioneren en/of verwijtbaar handelen. Dat [appellant] de onprofessionaliteit van zijn handelen in het gesprek de dag erna niet meteen heeft erkend, staat weliswaar vast, maar daar staat tegenover dat de beelden hem toen niet zijn voorgehouden. Wat daar verder ook van zij, DJI heeft aan de ontkennende reactie van [appellant] in het hoor-wederhoor-gesprek blijkens de ontslagbrief geen zelfstandige betekenis toegekend. Kortom: bij de beoordeling van uitsluitend de beelden staat voor het hof voldoende vast dat er sprake was van onprofessioneel gedrag van [appellant] , maar blijkt onvoldoende dat hij met [naam] . een niet-professionele relatie had, zoals door DJI aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd. Met het hebben van een relatie wordt in het algemeen toch iets anders bedoeld dan louter het onprofessionele gedrag van [appellant] zoals dat op de beelden te zien is. Met name het (min of meer) duurzame karakter bij ‘het hebben van een relatie’ ontbreekt hier als bewijsmiddel. Door DJI zijn ter onderbouwing van ‘het hebben van een niet professionele relatie’ geen andere feiten en omstandigheden betrekking hebbend op gedragingen of nalaten van [appellant] aan het gegeven ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dan uitsluitend de camerabeelden. 5.3. Wat er overigens ook van de discussie over ‘het hebben van een relatie’ zij, voor het hof levert het op de beelden zichtbare gedrag van [appellant] geen dringende reden in de zin der wet op, mede gelet op de context waarin dit gedrag zich voordeed.
Volledig
Het hof betrekt in die beoordeling dat het de taak van [appellant] was om met de bewoners een vertrouwensrelatie (‘mentorschap’) op te bouwen. Daarbij mocht van hem als professional verwacht worden dat hij de professionele grenzen in acht blijft nemen, ook als er een wederzijdse ‘klik’ met een bewoner is. Dat DJI deze wijze van functioneren onaanvaardbaar acht kan het hof volgen, maar kan het door DJI gekozen ‘ultimum remedium’ in onvoldoende mate dragen. Het hof betrekt in die beoordeling ook het tussen partijen vaststaande feit dat [appellant] niet eerder op al te amicale gedragingen of ander wangedrag is aangesproken, terwijl ‘amicaal gedrag’ kennelijk wel tot de geaccepteerde bedrijfscultuur op de IND-leefafdeling behoort, zoals het hof op basis van de beelden en de toelichting van partijen ter zitting heeft kunnen vaststellen. Ook is niet voldoende komen vast te staan dat [appellant] trainingen heeft moeten of kunnen volgen waarin het bewaken van de grenzen van amicale omgang aan de orde zijn gekomen. Het bij zijn vak horende risico dat ‘amicaal gedrag’ een keer doorslaat in onprofessioneel gedrag – DJI noemt het in haar Gedragscode een ‘moeilijke balans’- is blijkens de onder 3.7 opgenomen citaten ook door DJI onderkend en brengt met zich mee dat dit gedrag van [appellant] hier eerder in het licht van onvoldoende functioneren dient te worden gezien dan van op zichzelf staand wangedrag in de zin van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW. 5.4. Gelet op vorenstaande beoordeling van de tussen partijen vaststaande feiten kunnen deze het ontslag op staande voet niet dragen. Door DJI zijn geen andere feiten gesteld en/of te bewijzen aangeboden die, indien deze zouden komen vaststaan, tot een andere beoordeling van de camerabeelden of het gedrag van [appellant] zouden kunnen leiden. Het hof komt daarom niet toe aan nadere bewijslevering en concludeert dat er geen dringende reden voor ontslag op staande voet was. De grieven 1 en 4 slagen. 5.5. Bij die stand van zaken heeft [appellant] geen belang bij beoordeling van grief 2 (de betekenis van de Gedragscode DJI) en grief 3 (het ontslagbeleid van DJI in al dan niet vergelijkbare gevallen). 5.6. Ook grief 6 slaagt, omdat vorenstaande beoordeling van de gedragingen van [appellant] met zich brengt dat er geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen. De wettelijke transitievergoeding is daarom door DJI verschuldigd. DJI heeft tegen de berekening van de hoogte van de transitievergoeding geen verweer gevoerd, zodat het bedrag als verzocht zal worden toegewezen nu de berekening juist voorkomt. Dit geldt eveneens voor de onregelmatigheidsvergoeding, die verschuldigd is omdat DJI zonder inachtneming van de opzegtermijn de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, terwijl daarvoor geen dringende reden aanwezig was. 5.7. Grief 5 richt zich mede tegen de afwijzing van de door [appellant] verzochte billijke vergoeding. Voor zover de afwijzing gebaseerd is op de rechtsgeldigheid van het gegeven ontslag op staande voet, kan deze, gelet op vorenstaande beoordeling door het hof, de beslissing tot afwijzing niet (meer) dragen. Met het ontbreken van de voor een geldig ontslag op staande voet vereiste dringende reden staat de verschuldigdheid door DJI van een billijke vergoeding vast. Het hof dient bij de vaststelling van de hoogte van die billijke vergoeding rekening te houden met alle omstandigheden van het geval en met het partijdebat daarover. Door [appellant] is in het beroepschrift berekend dat zijn loonschade tot 17 april 2025, per welke datum hij een (zij het tijdelijke) arbeidsovereenkomst elders heeft, in totaal iets meer dan € 7.000,- bruto bedraagt. DJI heeft dit niet of niet voldoende concreet betwist, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. De door [appellant] ter onderbouwing van de hoogte van de billijke vergoeding gestelde reputatieschade is door DJI betwist en door [appellant] onvoldoende toegelicht, zodat daaraan in dit verband geen betekenis toekomt omdat deze niet is komen vast te staan. De door [appellant] tot slot gestelde grondslag, dat de hoogte van de billijke vergoeding DJI in de toekomst moet afhouden van het zoals in casu te lichtvaardig geven van ontslag op staande voet, is, wat daar verder ook van zij, onvoldoende komen vast te staan, omdat niet is gesteld of gebleken dat financiële factoren ook maar in enige mate het beleid van DJI hebben beïnvloed of in de toekomst zullen beïnvloeden. In dit geval is er daarom geen grond om met deze door [appellant] gestelde grondslag rekening te houden. Ambtshalve overweegt het hof nog als volgt. De toekenning van de gefixeerde schadevergoeding is dat evenmin, omdat de verschuldigdheid daarvan los staat van de daadwerkelijke schade. De transitievergoeding tenslotte was door DJI ook verschuldigd geworden als zij voor de juiste ontslagroute had gekozen, zodat het hof ook daarmee geen rekening zal houden. Aldus komt het hof, afgerond, tot een billijke vergoeding van € 7.000,- bruto. Tot betaling van dit bedrag zal DJI veroordeeld worden. Er is geen wettelijke grondslag om DJI in de gelegenheid te stellen enig verzoek in te trekken. 5.8. Het verzoek DJI te veroordelen om bruto-/netto-specificaties af te geven wordt afgewezen nu redelijkerwijs te verwachten is dat DJI dat bij betaling ‘automatisch’ zal doen. [appellant] heeft daarom bij deze veroordeling onvoldoende belang. 5.9. Het verzoek om over de toegewezen bedragen de wettelijke rente toe te wijzen is niet specifiek betwist en zal daarom worden toegewezen als volgt: - over de transitievergoeding: met ingang van 4 april 2025; - over de gefixeerde schadevergoeding: met ingang van 4 maart 2025; - over de billijke vergoeding: met inachtneming van een redelijke betaaltermijn, zijnde 14 dagen na deze uitspraak, dus met ingang van 30 mei 2026. 5.10. Grief 7 richt zich tegen de kostenveroordeling in eerste aanleg en slaagt ook, aangezien DJI als de (in beide instanties) in het ongelijk gestelde partij dient te worden beschouwd. DJI zal daarom ook in de kosten van de procedure in hoger beroep worden veroordeeld. 5.11. De bestreden beschikking zal worden vernietigd, behoudens ten aanzien van de beslissing dat aan de voorwaardelijke tegenverzoeken van DJI niet wordt toegekomen, omdat de daaraan door DJI verbonden voorwaarde (vernietiging van het ontslag op staande voet) niet is vervuld. 5.12. Door partijen zijn geen feiten te bewijzen aangeboden die, indien zij zouden komen vast te staan, tot een andere dan vorenstaande beslissingen kunnen leiden. Het verzoek de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is niet betwist, zodat dit verzoek zal worden toegewezen. 6 Beslissing Het hof: vernietigt de bestreden beschikking, behoudens de beslissing ten aanzien van de voorwaardelijke tegenverzoeken; en opnieuw rechtdoende: veroordeelt DJI tot betaling aan [appellant] van: € 7.000,- bruto wegens billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden; € 6.941,48 bruto wegens de wettelijke transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2025; € 8.202,49 bruto wegens de vergoeding voor onregelmatige opzegging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2025; veroordeelt DJI in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op: - € 1.042,- voor de eerste aanleg, bestaande uit € 93,- wegens griffierecht en € 949,- wegens salaris gemachtigde; - € 3.702,- voor het hoger beroep, bestaande uit € 362,- wegens griffierecht en € 3.340,- wegens salaris advocaat; - € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt; verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. H.T. van der Meer, R.L. de Graaff en F.J. Bloem-Timmermans en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
Volledig
Het hof betrekt in die beoordeling dat het de taak van [appellant] was om met de bewoners een vertrouwensrelatie (‘mentorschap’) op te bouwen. Daarbij mocht van hem als professional verwacht worden dat hij de professionele grenzen in acht blijft nemen, ook als er een wederzijdse ‘klik’ met een bewoner is. Dat DJI deze wijze van functioneren onaanvaardbaar acht kan het hof volgen, maar kan het door DJI gekozen ‘ultimum remedium’ in onvoldoende mate dragen. Het hof betrekt in die beoordeling ook het tussen partijen vaststaande feit dat [appellant] niet eerder op al te amicale gedragingen of ander wangedrag is aangesproken, terwijl ‘amicaal gedrag’ kennelijk wel tot de geaccepteerde bedrijfscultuur op de IND-leefafdeling behoort, zoals het hof op basis van de beelden en de toelichting van partijen ter zitting heeft kunnen vaststellen. Ook is niet voldoende komen vast te staan dat [appellant] trainingen heeft moeten of kunnen volgen waarin het bewaken van de grenzen van amicale omgang aan de orde zijn gekomen. Het bij zijn vak horende risico dat ‘amicaal gedrag’ een keer doorslaat in onprofessioneel gedrag – DJI noemt het in haar Gedragscode een ‘moeilijke balans’- is blijkens de onder 3.7 opgenomen citaten ook door DJI onderkend en brengt met zich mee dat dit gedrag van [appellant] hier eerder in het licht van onvoldoende functioneren dient te worden gezien dan van op zichzelf staand wangedrag in de zin van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW. 5.4. Gelet op vorenstaande beoordeling van de tussen partijen vaststaande feiten kunnen deze het ontslag op staande voet niet dragen. Door DJI zijn geen andere feiten gesteld en/of te bewijzen aangeboden die, indien deze zouden komen vaststaan, tot een andere beoordeling van de camerabeelden of het gedrag van [appellant] zouden kunnen leiden. Het hof komt daarom niet toe aan nadere bewijslevering en concludeert dat er geen dringende reden voor ontslag op staande voet was. De grieven 1 en 4 slagen. 5.5. Bij die stand van zaken heeft [appellant] geen belang bij beoordeling van grief 2 (de betekenis van de Gedragscode DJI) en grief 3 (het ontslagbeleid van DJI in al dan niet vergelijkbare gevallen). 5.6. Ook grief 6 slaagt, omdat vorenstaande beoordeling van de gedragingen van [appellant] met zich brengt dat er geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen. De wettelijke transitievergoeding is daarom door DJI verschuldigd. DJI heeft tegen de berekening van de hoogte van de transitievergoeding geen verweer gevoerd, zodat het bedrag als verzocht zal worden toegewezen nu de berekening juist voorkomt. Dit geldt eveneens voor de onregelmatigheidsvergoeding, die verschuldigd is omdat DJI zonder inachtneming van de opzegtermijn de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, terwijl daarvoor geen dringende reden aanwezig was. 5.7. Grief 5 richt zich mede tegen de afwijzing van de door [appellant] verzochte billijke vergoeding. Voor zover de afwijzing gebaseerd is op de rechtsgeldigheid van het gegeven ontslag op staande voet, kan deze, gelet op vorenstaande beoordeling door het hof, de beslissing tot afwijzing niet (meer) dragen. Met het ontbreken van de voor een geldig ontslag op staande voet vereiste dringende reden staat de verschuldigdheid door DJI van een billijke vergoeding vast. Het hof dient bij de vaststelling van de hoogte van die billijke vergoeding rekening te houden met alle omstandigheden van het geval en met het partijdebat daarover. Door [appellant] is in het beroepschrift berekend dat zijn loonschade tot 17 april 2025, per welke datum hij een (zij het tijdelijke) arbeidsovereenkomst elders heeft, in totaal iets meer dan € 7.000,- bruto bedraagt. DJI heeft dit niet of niet voldoende concreet betwist, zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat. De door [appellant] ter onderbouwing van de hoogte van de billijke vergoeding gestelde reputatieschade is door DJI betwist en door [appellant] onvoldoende toegelicht, zodat daaraan in dit verband geen betekenis toekomt omdat deze niet is komen vast te staan. De door [appellant] tot slot gestelde grondslag, dat de hoogte van de billijke vergoeding DJI in de toekomst moet afhouden van het zoals in casu te lichtvaardig geven van ontslag op staande voet, is, wat daar verder ook van zij, onvoldoende komen vast te staan, omdat niet is gesteld of gebleken dat financiële factoren ook maar in enige mate het beleid van DJI hebben beïnvloed of in de toekomst zullen beïnvloeden. In dit geval is er daarom geen grond om met deze door [appellant] gestelde grondslag rekening te houden. Ambtshalve overweegt het hof nog als volgt. De toekenning van de gefixeerde schadevergoeding is dat evenmin, omdat de verschuldigdheid daarvan los staat van de daadwerkelijke schade. De transitievergoeding tenslotte was door DJI ook verschuldigd geworden als zij voor de juiste ontslagroute had gekozen, zodat het hof ook daarmee geen rekening zal houden. Aldus komt het hof, afgerond, tot een billijke vergoeding van € 7.000,- bruto. Tot betaling van dit bedrag zal DJI veroordeeld worden. Er is geen wettelijke grondslag om DJI in de gelegenheid te stellen enig verzoek in te trekken. 5.8. Het verzoek DJI te veroordelen om bruto-/netto-specificaties af te geven wordt afgewezen nu redelijkerwijs te verwachten is dat DJI dat bij betaling ‘automatisch’ zal doen. [appellant] heeft daarom bij deze veroordeling onvoldoende belang. 5.9. Het verzoek om over de toegewezen bedragen de wettelijke rente toe te wijzen is niet specifiek betwist en zal daarom worden toegewezen als volgt: - over de transitievergoeding: met ingang van 4 april 2025; - over de gefixeerde schadevergoeding: met ingang van 4 maart 2025; - over de billijke vergoeding: met inachtneming van een redelijke betaaltermijn, zijnde 14 dagen na deze uitspraak, dus met ingang van 30 mei 2026. 5.10. Grief 7 richt zich tegen de kostenveroordeling in eerste aanleg en slaagt ook, aangezien DJI als de (in beide instanties) in het ongelijk gestelde partij dient te worden beschouwd. DJI zal daarom ook in de kosten van de procedure in hoger beroep worden veroordeeld. 5.11. De bestreden beschikking zal worden vernietigd, behoudens ten aanzien van de beslissing dat aan de voorwaardelijke tegenverzoeken van DJI niet wordt toegekomen, omdat de daaraan door DJI verbonden voorwaarde (vernietiging van het ontslag op staande voet) niet is vervuld. 5.12. Door partijen zijn geen feiten te bewijzen aangeboden die, indien zij zouden komen vast te staan, tot een andere dan vorenstaande beslissingen kunnen leiden. Het verzoek de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is niet betwist, zodat dit verzoek zal worden toegewezen. 6 Beslissing Het hof: vernietigt de bestreden beschikking, behoudens de beslissing ten aanzien van de voorwaardelijke tegenverzoeken; en opnieuw rechtdoende: veroordeelt DJI tot betaling aan [appellant] van: € 7.000,- bruto wegens billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden; € 6.941,48 bruto wegens de wettelijke transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2025; € 8.202,49 bruto wegens de vergoeding voor onregelmatige opzegging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2025; veroordeelt DJI in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op: - € 1.042,- voor de eerste aanleg, bestaande uit € 93,- wegens griffierecht en € 949,- wegens salaris gemachtigde; - € 3.702,- voor het hoger beroep, bestaande uit € 362,- wegens griffierecht en € 3.340,- wegens salaris advocaat; - € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt; verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. H.T. van der Meer, R.L. de Graaff en F.J. Bloem-Timmermans en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.