Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-03-03
ECLI:NL:GHAMS:2026:1220
Strafrecht
Hoger beroep
3,932 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1220 text/xml public 2026-05-15T14:31:59 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-03-03 23-001948-23 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2023:5700, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1220 text/html public 2026-05-15T14:27:22 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1220 Gerechtshof Amsterdam , 03-03-2026 / 23-001948-23 Bevestiging vonnis. Veroordeling voor het medeplegen van het witwassen van een grote hoeveelheid Iphones, afkomstig van misdrijf. Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-001948-23 Datum uitspraak: 3 maart 2026 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 juni 2023 in de strafzaak onder de parketnummers 15-310790-20 en 22-001306-18 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1963, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof, naar aanleiding van het standpunt van de raadsvrouw in het licht van een in hoger beroep afgelegde getuigenverklaring, als volgt de overwegingen van de rechtbank zal aanvullen. In hoger beroep zijn op verzoek van de verdediging op 14 november 2024 [getuige 1] en [getuige 2] , beide zelfstandig vrachtwagenchauffeur op Schiphol, als getuige door de raadsheer-commissaris gehoord. De stelling van de raadsvrouw, voor zover inhoudende dat de verdachte er op mocht vertrouwen dat hij als vrachtwagenchauffeur een reguliere opdracht uitvoerde, vindt geen steun in de verklaring van de getuige [getuige 1] . [getuige 1] verklaarde dat hij nog nooit benaderd is door mensen die hij helemaal niet kent. Hij is nooit door onbekende mensen gebeld en is ook nooit zomaar op straat aangesproken voor een opdracht. Het hof acht diens verklaring over de gebruikelijke gang van zaken in de transportbranche op Schiphol aannemelijk en concludeert dat deze op belangrijke onderdelen afwijkt van de door de verdachte geschetste bijzondere omstandigheden waaronder hij de opdracht voor de vracht zoals tenlastegelegd heeft aangenomen en uitgevoerd. Ook in de verklaring van [getuige 2] , de schoonzoon van de verdachte, ziet het hof geen aanleiding aan te nemen dat de gehele gang van zaken, zoals die door de verdachte is geschetst, gebruikelijk was. Oplegging van straffen De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. De raadsvrouw heeft in hoger beroep het hof verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de volgende omstandigheden. De verdachte werkt full time als vrachtwagenchauffeur en heeft een behoorlijke schuld opgebouwd. Hij heeft als chauffeur hooguit een uitvoerende rol vervuld en had geen invloed op de samenstelling en/of de waarde van de lading (die daarom niet strafverzwarend mag werken). De redelijke termijn is overschreden en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is van toepassing. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft op Schiphol een hoeveelheid van 18.090 Apple iPhones geladen, vervoerd en gelost, terwijl hij wist dat deze lading, die een (verkoop)waarde vertegenwoordigt van ongeveer 19 miljoen US Dollar, van misdrijf afkomstig was. Hij heeft daarbij samengewerkt met anderen en heeft, als beroepschauffeur, misbruik gemaakt van de pas die hij ter beschikking had om beveiligd gebied in te komen. De verdachte was een zelfstandig werkende, ervaren chauffeur, die misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat in hem als professional kan worden gesteld. Hij heeft de eigenaar van de goederen en de beoogd vervoerder financieel nadeel en overlast bezorgd en hij heeft met zijn handelen het vertrouwen ondermijnd dat doorgaans kan worden gesteld in de integriteit en de beveiliging van de op Schiphol opererende bedrijven. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en houdt andere vormen van criminaliteit in stand. Het hof rekent de verdachte dit alles aan en is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf in beginsel recht doet aan de aard en de ernst van het feit zoals bewezenverklaard. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is het hof van oordeel dat in dit geval acht kan worden geslagen op de oriëntatiepunten van de LOVS inzake fraude in samenhang met het benadelingsbedrag. De verdachte heeft immers een lading vervoerd en gelost waarvan hij wist dat deze uit twee luchtvrachtplaten bestond en dus hoe dan ook een aanzienlijke waarde vertegenwoordigde voor de eigenaar en de beoogd vervoerder. De omstandigheid dat hij mogelijk niet precies wist wat de waarde was, doet daar niet aan af. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 februari 2026 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld en ten tijde van het bewezenverklaarde feit liep hij in een proeftijd. Nog onlangs, op 17 januari 2025, is de verdachte inmiddels onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf, als gevolg waarvan artikel 63 Sr van toepassing is. In straf verlagende zin houdt het hof rekening met de uitvoerende rol die de verdachte heeft vervuld. Het hof ziet in hetgeen de raadsvrouw overigens in het kader van de straf(maat) heeft aangevoerd geen aanleiding tot matiging van de straf. Wel is de omstandigheid dat de verdachte nog steeds werkzaam is als vrachtwagenchauffeur, zoals blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg en uit het reclasseringsadvies van 16 januari 2026, in samenhang met zijn hoge schuldenlast en de recente veroordeling in een andere strafzaak, aanleiding voor het hof om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen, met daaraan verbonden een proeftijd. Anders dan de opsteller van het reclasseringsadvies ziet het hof gevaar voor recidive. Het hof heeft ook acht geslagen op de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden. De verdachte is op 8 december 2020 in verzekering gesteld en het vonnis van de rechtbank dateert van 21 juni 2023. Op 3 juli 2023 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 3 maart 2026. Het voorgaande betekent dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met ruim zes maanden en in hoger beroep met acht maanden. Het hof ziet in deze overschrijding aanleiding om, alles afwegende, in plaats van een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren op te leggen.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1220 text/xml public 2026-05-15T14:31:59 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-03-03 23-001948-23 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2023:5700, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1220 text/html public 2026-05-15T14:27:22 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1220 Gerechtshof Amsterdam , 03-03-2026 / 23-001948-23 Bevestiging vonnis. Veroordeling voor het medeplegen van het witwassen van een grote hoeveelheid Iphones, afkomstig van misdrijf. Afdeling strafrecht Parketnummer: 23-001948-23 Datum uitspraak: 3 maart 2026 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 juni 2023 in de strafzaak onder de parketnummers 15-310790-20 en 22-001306-18 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1963, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof, naar aanleiding van het standpunt van de raadsvrouw in het licht van een in hoger beroep afgelegde getuigenverklaring, als volgt de overwegingen van de rechtbank zal aanvullen. In hoger beroep zijn op verzoek van de verdediging op 14 november 2024 [getuige 1] en [getuige 2] , beide zelfstandig vrachtwagenchauffeur op Schiphol, als getuige door de raadsheer-commissaris gehoord. De stelling van de raadsvrouw, voor zover inhoudende dat de verdachte er op mocht vertrouwen dat hij als vrachtwagenchauffeur een reguliere opdracht uitvoerde, vindt geen steun in de verklaring van de getuige [getuige 1] . [getuige 1] verklaarde dat hij nog nooit benaderd is door mensen die hij helemaal niet kent. Hij is nooit door onbekende mensen gebeld en is ook nooit zomaar op straat aangesproken voor een opdracht. Het hof acht diens verklaring over de gebruikelijke gang van zaken in de transportbranche op Schiphol aannemelijk en concludeert dat deze op belangrijke onderdelen afwijkt van de door de verdachte geschetste bijzondere omstandigheden waaronder hij de opdracht voor de vracht zoals tenlastegelegd heeft aangenomen en uitgevoerd. Ook in de verklaring van [getuige 2] , de schoonzoon van de verdachte, ziet het hof geen aanleiding aan te nemen dat de gehele gang van zaken, zoals die door de verdachte is geschetst, gebruikelijk was. Oplegging van straffen De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest. De raadsvrouw heeft in hoger beroep het hof verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de volgende omstandigheden. De verdachte werkt full time als vrachtwagenchauffeur en heeft een behoorlijke schuld opgebouwd. Hij heeft als chauffeur hooguit een uitvoerende rol vervuld en had geen invloed op de samenstelling en/of de waarde van de lading (die daarom niet strafverzwarend mag werken). De redelijke termijn is overschreden en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is van toepassing. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft op Schiphol een hoeveelheid van 18.090 Apple iPhones geladen, vervoerd en gelost, terwijl hij wist dat deze lading, die een (verkoop)waarde vertegenwoordigt van ongeveer 19 miljoen US Dollar, van misdrijf afkomstig was. Hij heeft daarbij samengewerkt met anderen en heeft, als beroepschauffeur, misbruik gemaakt van de pas die hij ter beschikking had om beveiligd gebied in te komen. De verdachte was een zelfstandig werkende, ervaren chauffeur, die misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat in hem als professional kan worden gesteld. Hij heeft de eigenaar van de goederen en de beoogd vervoerder financieel nadeel en overlast bezorgd en hij heeft met zijn handelen het vertrouwen ondermijnd dat doorgaans kan worden gesteld in de integriteit en de beveiliging van de op Schiphol opererende bedrijven. Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en houdt andere vormen van criminaliteit in stand. Het hof rekent de verdachte dit alles aan en is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf in beginsel recht doet aan de aard en de ernst van het feit zoals bewezenverklaard. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is het hof van oordeel dat in dit geval acht kan worden geslagen op de oriëntatiepunten van de LOVS inzake fraude in samenhang met het benadelingsbedrag. De verdachte heeft immers een lading vervoerd en gelost waarvan hij wist dat deze uit twee luchtvrachtplaten bestond en dus hoe dan ook een aanzienlijke waarde vertegenwoordigde voor de eigenaar en de beoogd vervoerder. De omstandigheid dat hij mogelijk niet precies wist wat de waarde was, doet daar niet aan af. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 februari 2026 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld en ten tijde van het bewezenverklaarde feit liep hij in een proeftijd. Nog onlangs, op 17 januari 2025, is de verdachte inmiddels onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf, als gevolg waarvan artikel 63 Sr van toepassing is. In straf verlagende zin houdt het hof rekening met de uitvoerende rol die de verdachte heeft vervuld. Het hof ziet in hetgeen de raadsvrouw overigens in het kader van de straf(maat) heeft aangevoerd geen aanleiding tot matiging van de straf. Wel is de omstandigheid dat de verdachte nog steeds werkzaam is als vrachtwagenchauffeur, zoals blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg en uit het reclasseringsadvies van 16 januari 2026, in samenhang met zijn hoge schuldenlast en de recente veroordeling in een andere strafzaak, aanleiding voor het hof om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen, met daaraan verbonden een proeftijd. Anders dan de opsteller van het reclasseringsadvies ziet het hof gevaar voor recidive. Het hof heeft ook acht geslagen op de omstandigheid dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden. De verdachte is op 8 december 2020 in verzekering gesteld en het vonnis van de rechtbank dateert van 21 juni 2023. Op 3 juli 2023 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 3 maart 2026. Het voorgaande betekent dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden met ruim zes maanden en in hoger beroep met acht maanden. Het hof ziet in deze overschrijding aanleiding om, alles afwegende, in plaats van een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk, een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren op te leggen.