Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-03-24
ECLI:NL:GHAMS:2026:1204
Strafrecht
Hoger beroep
12,160 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1204 text/xml public 2026-05-11T15:35:46 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-03-24 23-000486-18 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:571, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1204 text/html public 2026-05-11T15:24:08 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1204 Gerechtshof Amsterdam , 24-03-2026 / 23-000486-18 Schuldwitwassen bewezen afdeling strafrecht parketnummer: 23-000486-18 datum uitspraak: 24 maart 2026 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-659019-17 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1990, adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht. Omvang van het hoger beroep De verdachte is bij voormeld vonnis partieel vrijgesproken van het tenlastegelegde voor zover het betreft het eerste gedachtestreepje (een geldbedrag van (ongeveer) € 71.757,00) en het derde gedachtestreepje (een armband (met een waarde van ongeveer € 15.000,00)). Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en dus ook gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissingen tot (partiële) vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: ‘Sv’) staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open en zij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep. Het hoger beroep van het openbaar ministerie is eveneens onbeperkt ingesteld. De advocaat-generaal heeft op de zitting van 8 maart 2023 aangegeven het hoger beroep te willen intrekken. Intrekking van het hoger beroep was echter niet mogelijk, omdat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep reeds op een eerdere zitting was aangevangen. Tijdens de inhoudelijke behandeling op 10 maart 2026 heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld voor het witwassen van de armband, de horloges en de Volvo. Ten aanzien van het contante geldbedrag heeft zij geen vrijspraak bepleit, maar zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Gelet hierop zijn er nog steeds grieven, zodat het openbaar ministerie nog altijd belang heeft bij het door haar ingestelde beroep. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op grond van artikel 416, derde lid, Sv is daarmee niet aan de orde. Het voorgaande brengt mee dat alle ten laste gelegde feiten aan de orde zijn in hoger beroep. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primair zij op of omstreeks 30 januari 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een of meerdere voorwerp(en), te weten - een geldbedrag van (ongeveer) 71.757 euro en/of - zes, althans een of meerdere, horloge(s), te weten vier horloges van het merk Rolex en/of een horloge van het merk Audemars Piquet Off Shore en/of een horloge van het merk Eberhard en/of - een armband (met een waarde van ongeveer 15.000 euro) en/of - een auto (van het merk Volvo), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een of meerdere voorwerp(en), te weten - een geldbedrag van (ongeveer) 71.757 euro en/of - zes, althans een of meerdere, horloge(s), te weten vier horloges van het merk Rolex en/of een horloge van het merk Audemars Piquet Off Shore en/of een horloge van het merk Eberhard en/of - een armband (met een waarde van ongeveer 15.000 euro) en/of - een auto (van het merk Volvo), voorhanden heeft gehad, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; subsidiair zij op of omstreeks 30 januari 2017, te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een of meerdere voorwerp(en), te weten - een geldbedrag van (ongeveer) 71.757 euro en/of - zes, althans een of meerdere, horloge(s), te weten vier horloges van het merk Rolex en/of een horloge van het merk Audemars Piquet Off Shore en/of een horloge van het merk Eberhard en/of - een armband (met een waarde van ongeveer 15.000 euro) en/of - een auto (van het merk Volvo), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een of meerdere onbekend gebleven perso(o)n(en) was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een of meerdere voorwerp(en), te weten - een geldbedrag van (ongeveer) 71.757 euro en/of - zes, althans een of meerdere, horloge(s), te weten vier horloges van het merk Rolex en/of een horloge van het merk Audemars Piquet Off Shore en/of een horloge van het merk Eberhard en/of - een armband (met een waarde van ongeveer 15.000 euro) en/of - een auto (van het merk Volvo), voorhanden had, terwijl zij en/of haar mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank. Bewijsoverweging Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld voor het witwassen van de tenlastegelegde horloges, armband en Volvo. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] met betrekking tot de herkomst van deze voorwerpen niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Verder heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het witwassen van het tenlastegelegde geldbedrag voor zover dat ziet op bedragen van € 5.750,00 en € 5.825,00. Met betrekking tot het overige geldbedrag van € 60.000,00 heeft de advocaat-generaal zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat ten aanzien van de armband niet bewezen kan worden dat zij deze voorhanden heeft gehad. Ten aanzien van het bedrag van € 5.750,00 is door de verdediging aangevoerd dat er geen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Wat betreft de overige voorwerpen kan niet worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren. De familie van [medeverdachte] was kennelijk vermogend genoeg om leningen ter hoogte van € 148.000,00 te verstrekken. De verdachte hoefde bij het zien van de Rolex horloges en de auto dus niet te vermoeden, laat staan te weten, dat deze goederen uit misdrijf afkomstig waren. Beoordeling van het hof Evenals de rechtbank gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden. Feiten en omstandigheden Op 30 januari 2017 vindt een doorzoeking plaats in de woning van de verdachte op het adres [adres] .
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1204 text/xml public 2026-05-11T15:35:46 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-03-24 23-000486-18 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:571, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1204 text/html public 2026-05-11T15:24:08 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1204 Gerechtshof Amsterdam , 24-03-2026 / 23-000486-18 Schuldwitwassen bewezen afdeling strafrecht parketnummer: 23-000486-18 datum uitspraak: 24 maart 2026 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-659019-17 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1990, adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht. Omvang van het hoger beroep De verdachte is bij voormeld vonnis partieel vrijgesproken van het tenlastegelegde voor zover het betreft het eerste gedachtestreepje (een geldbedrag van (ongeveer) € 71.757,00) en het derde gedachtestreepje (een armband (met een waarde van ongeveer € 15.000,00)). Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en dus ook gericht tegen deze in eerste aanleg gegeven beslissingen tot (partiële) vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: ‘Sv’) staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open en zij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep. Het hoger beroep van het openbaar ministerie is eveneens onbeperkt ingesteld. De advocaat-generaal heeft op de zitting van 8 maart 2023 aangegeven het hoger beroep te willen intrekken. Intrekking van het hoger beroep was echter niet mogelijk, omdat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep reeds op een eerdere zitting was aangevangen. Tijdens de inhoudelijke behandeling op 10 maart 2026 heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld voor het witwassen van de armband, de horloges en de Volvo. Ten aanzien van het contante geldbedrag heeft zij geen vrijspraak bepleit, maar zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Gelet hierop zijn er nog steeds grieven, zodat het openbaar ministerie nog altijd belang heeft bij het door haar ingestelde beroep. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op grond van artikel 416, derde lid, Sv is daarmee niet aan de orde. Het voorgaande brengt mee dat alle ten laste gelegde feiten aan de orde zijn in hoger beroep. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: primair zij op of omstreeks 30 januari 2017 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een of meerdere voorwerp(en), te weten - een geldbedrag van (ongeveer) 71.757 euro en/of - zes, althans een of meerdere, horloge(s), te weten vier horloges van het merk Rolex en/of een horloge van het merk Audemars Piquet Off Shore en/of een horloge van het merk Eberhard en/of - een armband (met een waarde van ongeveer 15.000 euro) en/of - een auto (van het merk Volvo), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een of meerdere voorwerp(en), te weten - een geldbedrag van (ongeveer) 71.757 euro en/of - zes, althans een of meerdere, horloge(s), te weten vier horloges van het merk Rolex en/of een horloge van het merk Audemars Piquet Off Shore en/of een horloge van het merk Eberhard en/of - een armband (met een waarde van ongeveer 15.000 euro) en/of - een auto (van het merk Volvo), voorhanden heeft gehad, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; subsidiair zij op of omstreeks 30 januari 2017, te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een of meerdere voorwerp(en), te weten - een geldbedrag van (ongeveer) 71.757 euro en/of - zes, althans een of meerdere, horloge(s), te weten vier horloges van het merk Rolex en/of een horloge van het merk Audemars Piquet Off Shore en/of een horloge van het merk Eberhard en/of - een armband (met een waarde van ongeveer 15.000 euro) en/of - een auto (van het merk Volvo), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een of meerdere onbekend gebleven perso(o)n(en) was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een of meerdere voorwerp(en), te weten - een geldbedrag van (ongeveer) 71.757 euro en/of - zes, althans een of meerdere, horloge(s), te weten vier horloges van het merk Rolex en/of een horloge van het merk Audemars Piquet Off Shore en/of een horloge van het merk Eberhard en/of - een armband (met een waarde van ongeveer 15.000 euro) en/of - een auto (van het merk Volvo), voorhanden had, terwijl zij en/of haar mededader(s) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank. Bewijsoverweging Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld voor het witwassen van de tenlastegelegde horloges, armband en Volvo. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] met betrekking tot de herkomst van deze voorwerpen niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Verder heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het witwassen van het tenlastegelegde geldbedrag voor zover dat ziet op bedragen van € 5.750,00 en € 5.825,00. Met betrekking tot het overige geldbedrag van € 60.000,00 heeft de advocaat-generaal zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat ten aanzien van de armband niet bewezen kan worden dat zij deze voorhanden heeft gehad. Ten aanzien van het bedrag van € 5.750,00 is door de verdediging aangevoerd dat er geen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Wat betreft de overige voorwerpen kan niet worden bewezen dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren. De familie van [medeverdachte] was kennelijk vermogend genoeg om leningen ter hoogte van € 148.000,00 te verstrekken. De verdachte hoefde bij het zien van de Rolex horloges en de auto dus niet te vermoeden, laat staan te weten, dat deze goederen uit misdrijf afkomstig waren. Beoordeling van het hof Evenals de rechtbank gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden. Feiten en omstandigheden Op 30 januari 2017 vindt een doorzoeking plaats in de woning van de verdachte op het adres [adres] .
Volledig
Op het moment dat de politie zich bekendmaakt en naar binnen wil, wordt de voordeur niet direct opengedaan. In de tussentijd wordt gezien dat een persoon aan de achterzijde van de woning spullen vanaf het balkon naar beneden gooit. Deze persoon wordt later herkend als de medeverdachte [medeverdachte] (hierna aangeduid als [medeverdachte] of de medeverdachte). Bij deze doorzoeking worden onder meer de volgende goederen aangetroffen: een geldbedrag van € 60.000,00 onder een matras: een geldbedrag van € 5.825,00 in een toilettas in een kast in de woonkamer; een gelbedrag van € 5.750,00 in een nachtkastje; vier horloges van het merk Rolex; een horloge van het merk Audemars Piguet; een horloge van het merk Eberhard; een autosleutel van het merk Volvo, die blijkt te horen bij de auto van de medeverdachte, te weten een Volvo V40 met het kenteken [kenteken] . Daarnaast zijn dertien mobiele telefoons, acht simkaarten, negen sleutelbossen, zeven autosleutels en een geldtelmachine aangetroffen. Het aangetroffen geld bestaat uit verschillende coupures, waaronder biljetten van 500 euro en 100 euro en één vals biljet van 100 euro. De horloges blijken origineel te zijn en de totale waarde wordt geschat op € 110.000,00 tot € 115.000,00. De Volvo blijkt een nieuwwaarde te hebben van € 28.495,00 en de dagwaarde op 23 mei 2017 bedraagt € 16.350,00. De auto dateert van 27 november 2013 en de medeverdachte is de eerste geregistreerde eigenaar van de auto. Ten slotte is gebleken dat het inkomen van de medeverdachte in 2016 € 14.397,00 bedroeg en dat de pizzeria, die het echtpaar enkele maanden voor de doorzoeking voor € 80.000,00 had gekocht, in 2016 een negatief bedrijfsresultaat had behaald van € 5.075,00. Het hof beschikt niet over gegevens ten aanzien van het inkomen van de verdachte, maar neemt aan dat het niet hoger zal zijn geweest dan het inkomen van de medeverdachte. Zij werkten immers allebei in de tuinbouw en verdachte heeft op enig moment niet meer gewerkt omdat zij zwanger was. Gerechtvaardigd vermoeden Het hof heeft bij de beoordeling van de vraag of onder deze omstandigheden sprake is van een witwasvermoeden het volgende laten meewegen: de hoge waarde van de aangetroffen voorwerpen; de waarde en samenstelling van de contante geldbedragen; de locaties waar de geldbedragen werden aangetroffen; het aanmerkelijk lagere vastgestelde inkomen van verdachte en de medeverdachte; de overige aangetroffen goederen in de woning, zoals de vele mobiele telefoons, simkaarten, autosleutels en een geldtelmachine; het feit dat de politie niet direct de woning werd binnengelaten en de medeverdachte op dat moment spullen van het balkon gooide, waaronder mobiele telefoons en een autosleutel van een Peugeot waarin een verborgen ruimte werd aangetroffen. Op grond van al deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat ten aanzien van alle ten laste gelegde goederen zonder meer sprake is van een witwasvermoeden. Van de verdachte mag dan ook een verklaring worden verlangd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Herkomst van de geldbedragen/goederen Ten aanzien van de contante geldbedragen van € 60.000,00, € 5.825,00 en € 5.750,00 (tezamen € 71.757,00) Ten aanzien van het bedrag van € 60.000,00 heeft de verdachte bij de politie en op de terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de medeverdachte dit geld van zijn familie in Albanië heeft geleend. Hij wilde namelijk het restaurant dat zij onlangs hadden gekocht gaan verbouwen. Hiervoor heeft de medeverdachte € 10.000,00 euro van zijn vader [medeverdachte] , € 10.000,00 van zijn oom [getuige 1] en € 40.000,00 van zijn oom [getuige 2] geleend. In het dossier bevinden zich drie leenovereenkomsten die de verklaring van de verdachte ondersteunen. Ook zijn de desbetreffende familieleden in Albanië gehoord. Zij bevestigen de verklaring van de verdachte. Met betrekking tot het bedrag van € 5.825,00 heeft de verdachte verklaard dat dit geld de contante opbrengst is geweest van de pizzeria van de maanden december 2016 en januari 2017. Ook de medeverdachte heeft dit verklaard. Het hof is van oordeel dat de verdachte over de herkomst van de bedragen van € 60.000,00 en € 5.825,00 een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven. Het lag derhalve op de weg van het openbaar ministerie om daar nader onderzoek naar te doen. Nu het openbaar ministerie dit niet heeft gedaan, kan niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat dit deel van het tenlastegelegde geldbedrag een legale herkomst heeft. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het witwassen van geldbedragen van € 60.000,00 en € 5.825,00. Ten aanzien van het geldbedrag van € 5.750,00 heeft de verdachte, anders dan de medeverdachte, verklaard dat zij niet wist dat het geldbedrag in het nachtkastje lag. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte wist dat het geld daar lag. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat zij het bedrag van € 5.750,00 voorhanden heeft gehad, zodat zij ook van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Het voorgaande brengt met zich dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het witwassen van het tenlastegelegde geldbedrag van in totaal € 71.757,00. Ten aanzien van de horloges De verdachte heeft ten aanzien van de vier Rolex horloges als volgt verklaard. Eén van de horloges was van haar, de andere drie waren van de medeverdachte, die de vier horloges heeft gekocht bij een Italiaanse vriend van hem. De medeverdachte heeft verklaard dat hij de horloges voor een bedrag van € 20.000,00 heeft gekocht van een Italiaanse vriend. Om de horloges te betalen heeft hij geld geleend en dat daarna ook terugbetaald, aldus de medeverdachte. De getuige [getuige 3] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij in september 2016 vier Rolex horloges heeft verkocht aan de medeverdachte voor een (contant) bedrag van € 20.000,00. Uit het dossier blijkt dat de medeverdachte in 2016, het jaar dat hij de horloges gekocht zou hebben, een bruto jaarloon heeft ontvangen van € 14.397,00. De onderneming van de medeverdachte heeft in dat jaar een negatief bedrijfsresultaat behaald van € 5.075,00. Het hof overweegt dat, wat er ook zij van de verklaring van de medeverdachte over de herkomst van de Rolex horloges, hij geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het bedrag van € 20.000,00 waarmee hij die horloges zou hebben gekocht. De bij de Belastingdienst bekende inkomsten van de medeverdachte in 2016 kunnen de herkomst van dit (volgens de medeverdachte geleende en weer terugbetaalde) bedrag niet verklaren. Ook is de verklaring dat de medeverdachte dit bedrag heeft geleend op geen enkele wijze onderbouwd. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de medeverdachte de horloges zou hebben gekocht van een vriend voor slechts € 20.000,00, wat een veel lager bedrag is dan de geschatte werkelijke waarde van de horloges. Het hof is bij deze stand van zaken van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de horloges van misdrijf afkomstig zijn. Ten aanzien van de vier Rolex horloges acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zowel haar eigen horloge als de drie Rolex horloges van de medeverdachte voorhanden heeft gehad. Deze horloges lagen in de woning van de verdachte en de medeverdachte als investeringsobjecten en de verdachte wist daarvan. Gelet hierop had de verdachte feitelijke zeggenschap over de horloges. Vanwege de grote discrepantie tussen het inkomen van haar partner en de grote waarde van de vier Rolex horloges, had de verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze horloges van misdrijf afkomstig zijn. De omstandigheid dat de medeverdachte aanzienlijke geldbedragen van zijn familie had geleend voor de aankoop en verbouwing van het restaurant maakt dat niet anders. Die omstandigheden brengt immers niet zonder meer met zich dat de medeverdachte ook geld kon lenen voor de aanschaf van vier Rolex horloges, hetgeen ook niet is gesteld of gebleken.
Volledig
Op het moment dat de politie zich bekendmaakt en naar binnen wil, wordt de voordeur niet direct opengedaan. In de tussentijd wordt gezien dat een persoon aan de achterzijde van de woning spullen vanaf het balkon naar beneden gooit. Deze persoon wordt later herkend als de medeverdachte [medeverdachte] (hierna aangeduid als [medeverdachte] of de medeverdachte). Bij deze doorzoeking worden onder meer de volgende goederen aangetroffen: een geldbedrag van € 60.000,00 onder een matras: een geldbedrag van € 5.825,00 in een toilettas in een kast in de woonkamer; een gelbedrag van € 5.750,00 in een nachtkastje; vier horloges van het merk Rolex; een horloge van het merk Audemars Piguet; een horloge van het merk Eberhard; een autosleutel van het merk Volvo, die blijkt te horen bij de auto van de medeverdachte, te weten een Volvo V40 met het kenteken [kenteken] . Daarnaast zijn dertien mobiele telefoons, acht simkaarten, negen sleutelbossen, zeven autosleutels en een geldtelmachine aangetroffen. Het aangetroffen geld bestaat uit verschillende coupures, waaronder biljetten van 500 euro en 100 euro en één vals biljet van 100 euro. De horloges blijken origineel te zijn en de totale waarde wordt geschat op € 110.000,00 tot € 115.000,00. De Volvo blijkt een nieuwwaarde te hebben van € 28.495,00 en de dagwaarde op 23 mei 2017 bedraagt € 16.350,00. De auto dateert van 27 november 2013 en de medeverdachte is de eerste geregistreerde eigenaar van de auto. Ten slotte is gebleken dat het inkomen van de medeverdachte in 2016 € 14.397,00 bedroeg en dat de pizzeria, die het echtpaar enkele maanden voor de doorzoeking voor € 80.000,00 had gekocht, in 2016 een negatief bedrijfsresultaat had behaald van € 5.075,00. Het hof beschikt niet over gegevens ten aanzien van het inkomen van de verdachte, maar neemt aan dat het niet hoger zal zijn geweest dan het inkomen van de medeverdachte. Zij werkten immers allebei in de tuinbouw en verdachte heeft op enig moment niet meer gewerkt omdat zij zwanger was. Gerechtvaardigd vermoeden Het hof heeft bij de beoordeling van de vraag of onder deze omstandigheden sprake is van een witwasvermoeden het volgende laten meewegen: de hoge waarde van de aangetroffen voorwerpen; de waarde en samenstelling van de contante geldbedragen; de locaties waar de geldbedragen werden aangetroffen; het aanmerkelijk lagere vastgestelde inkomen van verdachte en de medeverdachte; de overige aangetroffen goederen in de woning, zoals de vele mobiele telefoons, simkaarten, autosleutels en een geldtelmachine; het feit dat de politie niet direct de woning werd binnengelaten en de medeverdachte op dat moment spullen van het balkon gooide, waaronder mobiele telefoons en een autosleutel van een Peugeot waarin een verborgen ruimte werd aangetroffen. Op grond van al deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat ten aanzien van alle ten laste gelegde goederen zonder meer sprake is van een witwasvermoeden. Van de verdachte mag dan ook een verklaring worden verlangd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Herkomst van de geldbedragen/goederen Ten aanzien van de contante geldbedragen van € 60.000,00, € 5.825,00 en € 5.750,00 (tezamen € 71.757,00) Ten aanzien van het bedrag van € 60.000,00 heeft de verdachte bij de politie en op de terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de medeverdachte dit geld van zijn familie in Albanië heeft geleend. Hij wilde namelijk het restaurant dat zij onlangs hadden gekocht gaan verbouwen. Hiervoor heeft de medeverdachte € 10.000,00 euro van zijn vader [medeverdachte] , € 10.000,00 van zijn oom [getuige 1] en € 40.000,00 van zijn oom [getuige 2] geleend. In het dossier bevinden zich drie leenovereenkomsten die de verklaring van de verdachte ondersteunen. Ook zijn de desbetreffende familieleden in Albanië gehoord. Zij bevestigen de verklaring van de verdachte. Met betrekking tot het bedrag van € 5.825,00 heeft de verdachte verklaard dat dit geld de contante opbrengst is geweest van de pizzeria van de maanden december 2016 en januari 2017. Ook de medeverdachte heeft dit verklaard. Het hof is van oordeel dat de verdachte over de herkomst van de bedragen van € 60.000,00 en € 5.825,00 een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven. Het lag derhalve op de weg van het openbaar ministerie om daar nader onderzoek naar te doen. Nu het openbaar ministerie dit niet heeft gedaan, kan niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat dit deel van het tenlastegelegde geldbedrag een legale herkomst heeft. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het witwassen van geldbedragen van € 60.000,00 en € 5.825,00. Ten aanzien van het geldbedrag van € 5.750,00 heeft de verdachte, anders dan de medeverdachte, verklaard dat zij niet wist dat het geldbedrag in het nachtkastje lag. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte wist dat het geld daar lag. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat zij het bedrag van € 5.750,00 voorhanden heeft gehad, zodat zij ook van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Het voorgaande brengt met zich dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het witwassen van het tenlastegelegde geldbedrag van in totaal € 71.757,00. Ten aanzien van de horloges De verdachte heeft ten aanzien van de vier Rolex horloges als volgt verklaard. Eén van de horloges was van haar, de andere drie waren van de medeverdachte, die de vier horloges heeft gekocht bij een Italiaanse vriend van hem. De medeverdachte heeft verklaard dat hij de horloges voor een bedrag van € 20.000,00 heeft gekocht van een Italiaanse vriend. Om de horloges te betalen heeft hij geld geleend en dat daarna ook terugbetaald, aldus de medeverdachte. De getuige [getuige 3] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij in september 2016 vier Rolex horloges heeft verkocht aan de medeverdachte voor een (contant) bedrag van € 20.000,00. Uit het dossier blijkt dat de medeverdachte in 2016, het jaar dat hij de horloges gekocht zou hebben, een bruto jaarloon heeft ontvangen van € 14.397,00. De onderneming van de medeverdachte heeft in dat jaar een negatief bedrijfsresultaat behaald van € 5.075,00. Het hof overweegt dat, wat er ook zij van de verklaring van de medeverdachte over de herkomst van de Rolex horloges, hij geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het bedrag van € 20.000,00 waarmee hij die horloges zou hebben gekocht. De bij de Belastingdienst bekende inkomsten van de medeverdachte in 2016 kunnen de herkomst van dit (volgens de medeverdachte geleende en weer terugbetaalde) bedrag niet verklaren. Ook is de verklaring dat de medeverdachte dit bedrag heeft geleend op geen enkele wijze onderbouwd. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de medeverdachte de horloges zou hebben gekocht van een vriend voor slechts € 20.000,00, wat een veel lager bedrag is dan de geschatte werkelijke waarde van de horloges. Het hof is bij deze stand van zaken van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de horloges van misdrijf afkomstig zijn. Ten aanzien van de vier Rolex horloges acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zowel haar eigen horloge als de drie Rolex horloges van de medeverdachte voorhanden heeft gehad. Deze horloges lagen in de woning van de verdachte en de medeverdachte als investeringsobjecten en de verdachte wist daarvan. Gelet hierop had de verdachte feitelijke zeggenschap over de horloges. Vanwege de grote discrepantie tussen het inkomen van haar partner en de grote waarde van de vier Rolex horloges, had de verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze horloges van misdrijf afkomstig zijn. De omstandigheid dat de medeverdachte aanzienlijke geldbedragen van zijn familie had geleend voor de aankoop en verbouwing van het restaurant maakt dat niet anders. Die omstandigheden brengt immers niet zonder meer met zich dat de medeverdachte ook geld kon lenen voor de aanschaf van vier Rolex horloges, hetgeen ook niet is gesteld of gebleken.
Volledig
Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat de verdachte wist dat de vier Rolex horloges afkomstig waren uit misdrijf. Ten aanzien van de horloges van Audemars Piguet en Eberhard overweegt het hof dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat ook de verdachte deze horloges voorhanden heeft gehad. De verdachte heeft op de terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij deze horloges niet kende. Uit het dossier blijkt niet waar in de woning de horloges zijn aangetroffen. Nu ook overigens niet blijkt dat de verdachte deze horloges voorhanden heeft gehad of op andere wijze heeft witgewassen, zal zij ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Ten aanzien van de armband Bij de fouillering van de medeverdachte is een armband aangetroffen. De advocaat-generaal stelt dat de medeverdachte de armband droeg en dat de verdachte dat gezien moet hebben. Wat daar ook van zij, het hof is van oordeel dat ten aanzien van de door de medeverdachte gedragen armband, welke wordt aangemerkt als een lijfsieraad, geen sprake is van feitelijke beschikkingsmacht van de verdachte. Nu ook overigens niet blijkt dat de verdachte de armband voorhanden heeft gehad of op andere wijze heeft witgewassen, zal zij hiervan worden vrijgesproken. Ten aanzien van de Volvo De verdachte heeft verklaard mede-eigenaar te zijn van de Volvo, die op naam staat van de medeverdachte. De medeverdachte heeft verklaard dat hij een Volkswagen Polo had en dat hij deze, met een bijbetaling van € 2.000,00, heeft ingeruild voor de Volvo. In dit verband heeft de verdediging een inkoopverklaring van [bedrijf] B.V. van 16 maart 2016 voor een Volkswagen Polo voor het bedrag van € 4.500,00 en een factuur van [bedrijf] B.V. van 7 juli 2015 voor een Volvo V40 voor een bedrag van € 6.010,00. Daarnaast is in hoger beroep de (toenmalig) eigenaar van [bedrijf] B.V. gehoord, die de verklaring van de medeverdachte ten dele bevestigd. Het hof is van oordeel dat de verklaring van de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is die voldoende aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek. Het openbaar ministerie heeft geen nader onderzoek gedaan. Bij deze stand van zaken kan niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de Volvo een legale herkomst heeft. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het (schuld)witwassen van de Volvo. Conclusie Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het schuldwitwassen van vier Rolex horloges. Het is het hof niet gebleken dat hierbij sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een medeverdachte, zodat de verdachte van medeplegen zal worden vrijgesproken. Voorwaardelijk verzoek De verdediging heeft op de terechtzitting in hoger beroep – indien het hof ten aanzien van het geldbedrag van € 60.000 niet tot een vrijspraak komt – verzocht [medeverdachte] , [getuige 1] , [getuige 2] , en [getuige 4] als getuigen te horen. Nu de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken, hoeft niet op het voorwaardelijk verzoek te worden beslist. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op 30 januari 2017 te Amsterdam vier horloges van het merk Rolex voorhanden had, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: schuldwitwassen. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van vier Rolex horloges. Zij had redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze horloges afkomstig waren uit misdrijf. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het economische verkeer aan, terwijl andere strafbare feiten erdoor worden vergemakkelijkt. Het hof rekent dit de verdachte aan. Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Gelet op de ernst van het feit acht het hof in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden passend en geboden. Het hof stelt echter vast dat het in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden opgenomen recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, is geschonden. Het openbaar ministerie en de verdachte hebben op 12 februari 2018 hoger beroep ingesteld. Op 24 maart 2026 wordt dit eindarrest gewezen. Dit betekent dat de behandeling van de zaak niet binnen twee jaar na het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak en de redelijke termijn is overschreden met meer dan zes jaar en een maand. Het hof zal gelet op deze overschrijding tot een andere strafmodaliteit komen. Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een geldboete van € 10.000,00 passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 420quater van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken van de cumulatief ten laste gelegde eerste- en derde gedachtestreepjes. Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden .
Volledig
Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat de verdachte wist dat de vier Rolex horloges afkomstig waren uit misdrijf. Ten aanzien van de horloges van Audemars Piguet en Eberhard overweegt het hof dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat ook de verdachte deze horloges voorhanden heeft gehad. De verdachte heeft op de terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij deze horloges niet kende. Uit het dossier blijkt niet waar in de woning de horloges zijn aangetroffen. Nu ook overigens niet blijkt dat de verdachte deze horloges voorhanden heeft gehad of op andere wijze heeft witgewassen, zal zij ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Ten aanzien van de armband Bij de fouillering van de medeverdachte is een armband aangetroffen. De advocaat-generaal stelt dat de medeverdachte de armband droeg en dat de verdachte dat gezien moet hebben. Wat daar ook van zij, het hof is van oordeel dat ten aanzien van de door de medeverdachte gedragen armband, welke wordt aangemerkt als een lijfsieraad, geen sprake is van feitelijke beschikkingsmacht van de verdachte. Nu ook overigens niet blijkt dat de verdachte de armband voorhanden heeft gehad of op andere wijze heeft witgewassen, zal zij hiervan worden vrijgesproken. Ten aanzien van de Volvo De verdachte heeft verklaard mede-eigenaar te zijn van de Volvo, die op naam staat van de medeverdachte. De medeverdachte heeft verklaard dat hij een Volkswagen Polo had en dat hij deze, met een bijbetaling van € 2.000,00, heeft ingeruild voor de Volvo. In dit verband heeft de verdediging een inkoopverklaring van [bedrijf] B.V. van 16 maart 2016 voor een Volkswagen Polo voor het bedrag van € 4.500,00 en een factuur van [bedrijf] B.V. van 7 juli 2015 voor een Volvo V40 voor een bedrag van € 6.010,00. Daarnaast is in hoger beroep de (toenmalig) eigenaar van [bedrijf] B.V. gehoord, die de verklaring van de medeverdachte ten dele bevestigd. Het hof is van oordeel dat de verklaring van de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is die voldoende aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek. Het openbaar ministerie heeft geen nader onderzoek gedaan. Bij deze stand van zaken kan niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de Volvo een legale herkomst heeft. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het (schuld)witwassen van de Volvo. Conclusie Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het schuldwitwassen van vier Rolex horloges. Het is het hof niet gebleken dat hierbij sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een medeverdachte, zodat de verdachte van medeplegen zal worden vrijgesproken. Voorwaardelijk verzoek De verdediging heeft op de terechtzitting in hoger beroep – indien het hof ten aanzien van het geldbedrag van € 60.000 niet tot een vrijspraak komt – verzocht [medeverdachte] , [getuige 1] , [getuige 2] , en [getuige 4] als getuigen te horen. Nu de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken, hoeft niet op het voorwaardelijk verzoek te worden beslist. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op 30 januari 2017 te Amsterdam vier horloges van het merk Rolex voorhanden had, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: schuldwitwassen. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straffen De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van vier Rolex horloges. Zij had redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze horloges afkomstig waren uit misdrijf. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het economische verkeer aan, terwijl andere strafbare feiten erdoor worden vergemakkelijkt. Het hof rekent dit de verdachte aan. Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Gelet op de ernst van het feit acht het hof in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden passend en geboden. Het hof stelt echter vast dat het in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden opgenomen recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, is geschonden. Het openbaar ministerie en de verdachte hebben op 12 februari 2018 hoger beroep ingesteld. Op 24 maart 2026 wordt dit eindarrest gewezen. Dit betekent dat de behandeling van de zaak niet binnen twee jaar na het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak en de redelijke termijn is overschreden met meer dan zes jaar en een maand. Het hof zal gelet op deze overschrijding tot een andere strafmodaliteit komen. Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een geldboete van € 10.000,00 passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 420quater van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken van de cumulatief ten laste gelegde eerste- en derde gedachtestreepjes. Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden .