Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-05-01
ECLI:NL:GHAMS:2026:1199
Strafrecht
Hoger beroep
4,049 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1199 text/xml public 2026-05-11T13:19:44 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-05-01 23-002824-25 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1199 text/html public 2026-05-11T13:18:17 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1199 Gerechtshof Amsterdam , 01-05-2026 / 23-002824-25 Strafmaatappel. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ruim 900 gram cocaïne op Schiphol door zo’n honderd bolletjes cocaïne te slikken. De raadsvrouw heeft verzocht toepassing te geven aan de voorlopige uitgangspunten voor staftoemeting in ‘koerierszaken’ van de Rechtbank Noord-Holland. Anders dan de rechtbank Noord-Holland neemt het hof de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt. De beginselen van rechtseenheid, rechtszekerheid en voorspelbaarheid worden met het gebruik van deze oriëntatiepunten gediend. Dat neemt niet weg dat het hof oog heeft voor de specifieke aard van de 'koerierszaken' en de door de rechtbank gesignaleerde disbalans in straftoemeting, die zich kan voordoen tussen enerzijds deze zaken en anderzijds zaken waarin aanzienlijk grotere hoeveelheden harddrugs zijn in-of uitgevoerd en/of waarin de verdachte en andere (grotere of organiserende) rol had. Het hof heeft oog voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en legt een gvangenisstraf op voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest. afdeling strafrecht parketnummer: 23-002824-25 datum uitspraak: 1 mei 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 november 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-300295-25 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1991, thans gedetineerd in [detentieadres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsvrouw heeft het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden zoals de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht. Er is door een opdrachtgever misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin hij verkeerde toen hij op straat leefde en geld wilde verdienen. De raadsvrouw heeft het hof verzocht aan te sluiten bij het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2025:14051) en een straf op te leggen conform de duur van het voorarrest. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 april 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het invoeren van ruim 900 gram cocaïne op de luchthaven Schiphol. De verdachte heeft zo’n honderd bolletjes met cocaïne geslikt en is vervolgens van Suriname naar Nederland gevlogen. Gelet op de hoeveelheid cocaïne kan het niet anders dan dat deze cocaïne was bedoeld voor verdere verkoop en verspreiding. De (verdere) verspreiding en handel in harddrugs, en in het verlengde daarvan het gebruik ervan, betekenen een bedreiging van de volksgezondheid, zorgen voor onrust in de samenleving en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij hieraan een bijdrage heeft geleverd. In het licht van deze omstandigheden bezien, is een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden. Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft oriëntatiepunten vastgesteld die als leidraad kunnen worden gehanteerd bij het bepalen van een passende en geboden straf voor feiten als het onderhavige. Voor de invoer van hoeveelheden harddrugs van 500 tot 1.000 gram door koeriers wordt daarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes tot acht maanden genoemd. De raadsvrouw heeft verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, (ECLI:NL:RBNHO:2025:14051). De rechtbank heeft daar eigen ‘voorlopige’ uitgangspunten voor de straftoemeting geformuleerd in zaken die zien op koeriers van (in of uitgevoerde) harddrugs op de luchthaven Schiphol (hierna ‘koerierszaken’). Dat nieuwe beleid houdt in dat de rechtbank drie breder georiënteerde uitgangspunten hanteert in plaats van de in de LOVS-oriëntatiepunten genoemde negentien tredes. De rechtbank neemt in het nieuwe beleid bij een gewicht tot 1.500 gram aan gesmokkelde harddrugs als uitgangspunt een gevangenisstraf tot 8 maanden en/of een taakstraf; bij een hoeveelheid van 1.500 tot 5.000 gram een gevangenisstraf van 6 tot 24 maanden; en bij een hoeveelheid van 5.000 tot 20.000 gram een gevangenisstraf van 20 tot 36 maanden. Deze straffen zijn aanzienlijk lager dan de straffen die in de LOVS-oriëntatiepunten bij vergelijkbare hoeveelheden harddrugs worden genoemd. Vooropgesteld dient te worden dat de rechter die over de feiten oordeelt over een ruime straftoemetingsvrijheid beschikt. Binnen de grenzen van de wet is hij vrij in de keuze van de op te leggen straf met inbegrip van de strafsoort en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. Deze straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het (ten laste van de verdachte) bewezenverklaarde, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. Anders dan de rechtbank Noord-Holland in de door de verdediging genoemde uitspraak neemt het hof genoemde LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt in de straftoemeting. Het hof is namelijk van oordeel dat de beginselen van rechtseenheid, rechtszekerheid en voorspelbaarheid (waaronder voorzienbaarheid) met het gebruik van deze oriëntatiepunten worden gediend. Dat neemt niet weg dat het hof oog heeft voor de specifieke aard van de ‘koerierszaken’ en de door de rechtbank gesignaleerde disbalans in straftoemeting, die zich kan voordoen of voordoet tussen enerzijds deze zaken en anderzijds zaken waarin aanzienlijk grotere hoeveelheden harddrugs zijn in- of uitgevoerd en/of waarin de verdachte een andere (veelal grotere, organiserende) rol had. Het hof merkt op dat de hiervoor genoemde straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter expliciet wordt aanvaard in de LOVS-oriëntatiepunten, ook wat betreft de hierboven weergegeven oriëntatiepunten voor de in- en uitvoer van harddrugs. Naast de hoeveelheid harddrugs kunnen immers onder meer de rol en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meewegen bij de bepaling van de straf, evenals de specifieke omstandigheden waaronder het feit is begaan. Het hof benadrukt dat deze straftoemetingsfactoren er nu al toe kunnen leiden dat een (aanzienlijk) lagere straf wordt opgelegd dan de straf die in de LOVS-oriëntatiepunten voor de desbetreffende hoeveelheid gesmokkelde harddrugs wordt genoemd en dat (onder omstandigheden) ook andere strafmodaliteiten dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beeld kunnen komen, zodat maatwerk (nu al) in alle gevallen mogelijk is en blijft.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1199 text/xml public 2026-05-11T13:19:44 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-05-01 23-002824-25 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1199 text/html public 2026-05-11T13:18:17 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1199 Gerechtshof Amsterdam , 01-05-2026 / 23-002824-25 Strafmaatappel. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ruim 900 gram cocaïne op Schiphol door zo’n honderd bolletjes cocaïne te slikken. De raadsvrouw heeft verzocht toepassing te geven aan de voorlopige uitgangspunten voor staftoemeting in ‘koerierszaken’ van de Rechtbank Noord-Holland. Anders dan de rechtbank Noord-Holland neemt het hof de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt. De beginselen van rechtseenheid, rechtszekerheid en voorspelbaarheid worden met het gebruik van deze oriëntatiepunten gediend. Dat neemt niet weg dat het hof oog heeft voor de specifieke aard van de 'koerierszaken' en de door de rechtbank gesignaleerde disbalans in straftoemeting, die zich kan voordoen tussen enerzijds deze zaken en anderzijds zaken waarin aanzienlijk grotere hoeveelheden harddrugs zijn in-of uitgevoerd en/of waarin de verdachte en andere (grotere of organiserende) rol had. Het hof heeft oog voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en legt een gvangenisstraf op voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest. afdeling strafrecht parketnummer: 23-002824-25 datum uitspraak: 1 mei 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 november 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-300295-25 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1991, thans gedetineerd in [detentieadres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsvrouw heeft het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden zoals de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht. Er is door een opdrachtgever misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin hij verkeerde toen hij op straat leefde en geld wilde verdienen. De raadsvrouw heeft het hof verzocht aan te sluiten bij het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (ECLI:NL:RBNHO:2025:14051) en een straf op te leggen conform de duur van het voorarrest. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 april 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het invoeren van ruim 900 gram cocaïne op de luchthaven Schiphol. De verdachte heeft zo’n honderd bolletjes met cocaïne geslikt en is vervolgens van Suriname naar Nederland gevlogen. Gelet op de hoeveelheid cocaïne kan het niet anders dan dat deze cocaïne was bedoeld voor verdere verkoop en verspreiding. De (verdere) verspreiding en handel in harddrugs, en in het verlengde daarvan het gebruik ervan, betekenen een bedreiging van de volksgezondheid, zorgen voor onrust in de samenleving en leiden veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij hieraan een bijdrage heeft geleverd. In het licht van deze omstandigheden bezien, is een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden. Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft oriëntatiepunten vastgesteld die als leidraad kunnen worden gehanteerd bij het bepalen van een passende en geboden straf voor feiten als het onderhavige. Voor de invoer van hoeveelheden harddrugs van 500 tot 1.000 gram door koeriers wordt daarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes tot acht maanden genoemd. De raadsvrouw heeft verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, (ECLI:NL:RBNHO:2025:14051). De rechtbank heeft daar eigen ‘voorlopige’ uitgangspunten voor de straftoemeting geformuleerd in zaken die zien op koeriers van (in of uitgevoerde) harddrugs op de luchthaven Schiphol (hierna ‘koerierszaken’). Dat nieuwe beleid houdt in dat de rechtbank drie breder georiënteerde uitgangspunten hanteert in plaats van de in de LOVS-oriëntatiepunten genoemde negentien tredes. De rechtbank neemt in het nieuwe beleid bij een gewicht tot 1.500 gram aan gesmokkelde harddrugs als uitgangspunt een gevangenisstraf tot 8 maanden en/of een taakstraf; bij een hoeveelheid van 1.500 tot 5.000 gram een gevangenisstraf van 6 tot 24 maanden; en bij een hoeveelheid van 5.000 tot 20.000 gram een gevangenisstraf van 20 tot 36 maanden. Deze straffen zijn aanzienlijk lager dan de straffen die in de LOVS-oriëntatiepunten bij vergelijkbare hoeveelheden harddrugs worden genoemd. Vooropgesteld dient te worden dat de rechter die over de feiten oordeelt over een ruime straftoemetingsvrijheid beschikt. Binnen de grenzen van de wet is hij vrij in de keuze van de op te leggen straf met inbegrip van de strafsoort en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. Deze straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het (ten laste van de verdachte) bewezenverklaarde, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. Anders dan de rechtbank Noord-Holland in de door de verdediging genoemde uitspraak neemt het hof genoemde LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt in de straftoemeting. Het hof is namelijk van oordeel dat de beginselen van rechtseenheid, rechtszekerheid en voorspelbaarheid (waaronder voorzienbaarheid) met het gebruik van deze oriëntatiepunten worden gediend. Dat neemt niet weg dat het hof oog heeft voor de specifieke aard van de ‘koerierszaken’ en de door de rechtbank gesignaleerde disbalans in straftoemeting, die zich kan voordoen of voordoet tussen enerzijds deze zaken en anderzijds zaken waarin aanzienlijk grotere hoeveelheden harddrugs zijn in- of uitgevoerd en/of waarin de verdachte een andere (veelal grotere, organiserende) rol had. Het hof merkt op dat de hiervoor genoemde straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter expliciet wordt aanvaard in de LOVS-oriëntatiepunten, ook wat betreft de hierboven weergegeven oriëntatiepunten voor de in- en uitvoer van harddrugs. Naast de hoeveelheid harddrugs kunnen immers onder meer de rol en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meewegen bij de bepaling van de straf, evenals de specifieke omstandigheden waaronder het feit is begaan. Het hof benadrukt dat deze straftoemetingsfactoren er nu al toe kunnen leiden dat een (aanzienlijk) lagere straf wordt opgelegd dan de straf die in de LOVS-oriëntatiepunten voor de desbetreffende hoeveelheid gesmokkelde harddrugs wordt genoemd en dat (onder omstandigheden) ook andere strafmodaliteiten dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beeld kunnen komen, zodat maatwerk (nu al) in alle gevallen mogelijk is en blijft.