Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-04-28
ECLI:NL:GHAMS:2026:1181
Strafrecht
Hoger beroep
4,031 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1181 text/xml public 2026-05-11T11:58:44 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-28 23-000497-21 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1181 text/html public 2026-05-11T11:54:49 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1181 Gerechtshof Amsterdam , 28-04-2026 / 23-000497-21 Medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld en/of afpersing. Korting op taakstraf vanwege forse overschrijding van de redelijke termijn. Vordering benadeelde partij: € 2.000 smartengeld toewijsbaar ogv geestelijk letsel (PTSS) en lichamelijk letsel, met verwijzing naar de Rotterdamse Schaal. afdeling strafrecht parketnummer: 23-000497-21 datum uitspraak: 28 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 februari 2021 in de strafzaak onder de parketnummers 15-081583-20 en 96-163045-19 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en -motivering en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. In zoverre wordt het vonnis vernietigd. Oplegging van straffen De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg tenlastegelegde bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De raadsman heeft verzocht rekening te houden met het tijdsverloop, de forse schending van de redelijke termijn, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een straf conform het voorarrest op te leggen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Op 25 maart 2020 hebben de verdachte en de medeverdachten het slachtoffer in een woning beroofd. Het slachtoffer is die dag naar de woning van een van de medeverdachten gegaan om zijn eigendommen op te halen, die nog in die woning lagen. Daartoe had het slachtoffer een afspraak gemaakt met een van de medeverdachten. In de woning ontstond een ruzie over geld die vervolgens is geëscaleerd. Het slachtoffer is bedreigd, geslagen en vernederd in een woning terwijl hij geen kant op kon. De verdachte en de medeverdachten hebben zich tijdens het incident zodanig dwingend, dreigend en gewelddadig gedragen, dat een voor het slachtoffer zeer bedreigende en angstige situatie is ontstaan, waarin hij zich – zoals uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid – gedwongen heeft gevoeld goederen af te staan en/of te dulden dat deze hem werden afgenomen. De verdachte en de medeverdachten hebben met hun handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijk en geestelijke integriteit van het slachtoffer en zijn eigendomsrecht geschonden. Dergelijke gevallen van bedreiging en geweld gepleegd in een woning brengen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg, terwijl het slachtoffer naast fysieke ook psychische nadelige gevolgen hiervan heeft ervaren. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan. De ernst van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof houdt echter, in strafverminderende zin, rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 maart 2026 blijkt dat hij eerder en ook nog na het onderhavige feit onherroepelijk is veroordeeld. Op grond van het voorgaande acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden en een taakstraf van 240 uur in beginsel passend. Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van een strafzaak als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Op 2 maart 2021 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 28 april 2026. Bij de behandeling in hoger beroep is de redelijke termijn met bijna drie jaar overschreden. In deze forse overschrijding ziet het hof aanleiding om de op te leggen straf te matigen door de duur van de taakstraf met 60 uur te verminderen. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 180 uren en een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade. Deze bedraagt € 2.000,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De benadeelde partij heeft de gehandhaafde vordering niet schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig dient te worden toegewezen. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Aanspraak De benadeelde is blijkens een bericht van zijn regiebehandelaar bij BasisGGZ gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) met een indicatie voor een intensieve behandeling, zodat sprake is van geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. Bovendien heeft de verbalisant bij de aangifte een verdikking op het rechter jukbeen en boven het linkeroog alsmede krassen aan de linkerzijde van de nek van de benadeelde waargenomen, zodat ook sprake is van lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. Deze letsels als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde zijn niet weersproken door de verdediging. Begroting Voor de begroting van de immateriële schade sluit het hof wat betreft het geestelijk letsel aan bij de Rotterdamse Schaal, paragraaf 14.2, categorie d), zijnde Posttraumatische stressstoornis (PTSS), minder ernstig, en voor het lichamelijk letsel paragraaf 13, categorie c), zijnde licht letsel. Het hof acht op basis van het voorgaande de in eerste aanleg gevorderde immateriële schadevergoeding van in totaal 1€ 2.000,00 (zijnde het maximaal toewijsbare bedrag in hoger beroep) in de gegeven situatie billijk, vermeerderd met de gevorderde wettelijk rente van 25 maart 2020. Hoofdelijke aansprakelijkheid De verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Schadevergoedingsmaatregel Het hof zal – ook hoofdelijk – de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen sancties zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1181 text/xml public 2026-05-11T11:58:44 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-28 23-000497-21 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1181 text/html public 2026-05-11T11:54:49 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1181 Gerechtshof Amsterdam , 28-04-2026 / 23-000497-21 Medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld en/of afpersing. Korting op taakstraf vanwege forse overschrijding van de redelijke termijn. Vordering benadeelde partij: € 2.000 smartengeld toewijsbaar ogv geestelijk letsel (PTSS) en lichamelijk letsel, met verwijzing naar de Rotterdamse Schaal. afdeling strafrecht parketnummer: 23-000497-21 datum uitspraak: 28 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 februari 2021 in de strafzaak onder de parketnummers 15-081583-20 en 96-163045-19 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en -motivering en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij. In zoverre wordt het vonnis vernietigd. Oplegging van straffen De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg tenlastegelegde bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De raadsman heeft verzocht rekening te houden met het tijdsverloop, de forse schending van de redelijke termijn, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een straf conform het voorarrest op te leggen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Op 25 maart 2020 hebben de verdachte en de medeverdachten het slachtoffer in een woning beroofd. Het slachtoffer is die dag naar de woning van een van de medeverdachten gegaan om zijn eigendommen op te halen, die nog in die woning lagen. Daartoe had het slachtoffer een afspraak gemaakt met een van de medeverdachten. In de woning ontstond een ruzie over geld die vervolgens is geëscaleerd. Het slachtoffer is bedreigd, geslagen en vernederd in een woning terwijl hij geen kant op kon. De verdachte en de medeverdachten hebben zich tijdens het incident zodanig dwingend, dreigend en gewelddadig gedragen, dat een voor het slachtoffer zeer bedreigende en angstige situatie is ontstaan, waarin hij zich – zoals uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid – gedwongen heeft gevoeld goederen af te staan en/of te dulden dat deze hem werden afgenomen. De verdachte en de medeverdachten hebben met hun handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijk en geestelijke integriteit van het slachtoffer en zijn eigendomsrecht geschonden. Dergelijke gevallen van bedreiging en geweld gepleegd in een woning brengen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg, terwijl het slachtoffer naast fysieke ook psychische nadelige gevolgen hiervan heeft ervaren. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan. De ernst van het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof houdt echter, in strafverminderende zin, rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 maart 2026 blijkt dat hij eerder en ook nog na het onderhavige feit onherroepelijk is veroordeeld. Op grond van het voorgaande acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden en een taakstraf van 240 uur in beginsel passend. Het hof stelt echter vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van een strafzaak als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Op 2 maart 2021 is hoger beroep ingesteld en het hof doet uitspraak op 28 april 2026. Bij de behandeling in hoger beroep is de redelijke termijn met bijna drie jaar overschreden. In deze forse overschrijding ziet het hof aanleiding om de op te leggen straf te matigen door de duur van de taakstraf met 60 uur te verminderen. Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 180 uren en een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade. Deze bedraagt € 2.000,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De benadeelde partij heeft de gehandhaafde vordering niet schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig dient te worden toegewezen. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Aanspraak De benadeelde is blijkens een bericht van zijn regiebehandelaar bij BasisGGZ gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) met een indicatie voor een intensieve behandeling, zodat sprake is van geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. Bovendien heeft de verbalisant bij de aangifte een verdikking op het rechter jukbeen en boven het linkeroog alsmede krassen aan de linkerzijde van de nek van de benadeelde waargenomen, zodat ook sprake is van lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW. Deze letsels als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde zijn niet weersproken door de verdediging. Begroting Voor de begroting van de immateriële schade sluit het hof wat betreft het geestelijk letsel aan bij de Rotterdamse Schaal, paragraaf 14.2, categorie d), zijnde Posttraumatische stressstoornis (PTSS), minder ernstig, en voor het lichamelijk letsel paragraaf 13, categorie c), zijnde licht letsel. Het hof acht op basis van het voorgaande de in eerste aanleg gevorderde immateriële schadevergoeding van in totaal 1€ 2.000,00 (zijnde het maximaal toewijsbare bedrag in hoger beroep) in de gegeven situatie billijk, vermeerderd met de gevorderde wettelijk rente van 25 maart 2020. Hoofdelijke aansprakelijkheid De verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Schadevergoedingsmaatregel Het hof zal – ook hoofdelijk – de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen sancties zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.