Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2026-04-21
ECLI:NL:GHAMS:2026:1074
Civiel recht
Hoger beroep
4,036 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1074 text/xml public 2026-05-07T10:15:46 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-21 200.336.438/01 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1074 text/html public 2026-05-07T10:15:03 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1074 Gerechtshof Amsterdam , 21-04-2026 / 200.336.438/01 Tussenarrest. Echtgenote wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands als bewezen geachte stelling dat zij vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten bekend is geworden GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.336.438/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9750446 EL 22-19 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026 inzake DEXIA NEDERLAND B.V. , gevestigd te Amsterdam, appellante, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend te [plaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam. Partijen worden hierna Dexia en de echtgenote genoemd. 1 Het geding in hoger beroep Dexia is bij dagvaarding van 14 december 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 14 september 2023 en een tussenvonnis van 22 september 2022, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de echtgenote als eiseres en Dexia als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met productie; - memorie van antwoord, met producties; - akte uitlaten producties van Dexia. Ten slotte is arrest gevraagd. Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken. 2 Feiten De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 22 september 2022 onder “De feiten” feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. 2.1. G.H.W. Buskens, hierna de afnemer, heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt: Nr. Contractnummer Datum Naam Looptijd Eindafrekening Resultaat 1. 21103652 25-01-1999 [bedrijf] 180 mnd. 10-11-2006 € 2.329,04 2. 21103653 25-01-1999 [bedrijf] 180 mnd. 10-11-2006 € 2.329,04 2.2. De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten. 2.3. Bij brief van 8 november 2006 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW meegedeeld de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen. 3 Beoordeling 3.1. Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt. 3.2. Deze procedure ziet op door de afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging. 3.3. De kantonrechter heeft voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote ter zake de effectenleaseovereenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen. 3.4. Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt heeft onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten door de echtgenote niet is verjaard. 3.5. Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de effectenleaseovereenkomsten, die de afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven. 3.6. Uit artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd. 3.7. De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid. 3.8. Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer [stichting] . Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018). 3.9. Dexia heeft in dit verband, onder meer, aangevoerd dat de maandelijkse betalingen aan Dexia voor de effectenleaseovereenkomsten van een en/of-rekening op naam van de afnemer en de echtgenote zijn gedaan, zodat aangenomen moet worden dat de echtgenote vanaf de ontvangst van het oudste bankafschrift betreffende een betaling aan Dexia op de hoogte is geraakt van de effectenleaseovereenkomsten. De echtgenote heeft erkend dan wel onvoldoende weersproken dat de betalingen vanaf de en/of-rekening zijn gedaan. 3.10. Het hof ziet aanleiding om eerst deze stelling te behandelen en laat dus vooralsnog in het midden waartoe de overige stellingen en/of verweren van Dexia moeten leiden. Aan het feit dat de betalingen zijn gedaan vanaf de en/of-rekening, ontleent het hof het bewijsvermoeden dat de echtgenote op de datum van het eerste bankafschrift waarop de betaling aan Dexia is vermeld, bekend werd met de effectenleaseovereenkomsten (vergelijk HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506).
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1074 text/xml public 2026-05-07T10:15:46 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-21 200.336.438/01 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1074 text/html public 2026-05-07T10:15:03 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1074 Gerechtshof Amsterdam , 21-04-2026 / 200.336.438/01 Tussenarrest. Echtgenote wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands als bewezen geachte stelling dat zij vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de effectenleaseovereenkomsten bekend is geworden GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.336.438/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9750446 EL 22-19 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 april 2026 inzake DEXIA NEDERLAND B.V. , gevestigd te Amsterdam, appellante, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend te [plaats] , geïntimeerde, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam. Partijen worden hierna Dexia en de echtgenote genoemd. 1 Het geding in hoger beroep Dexia is bij dagvaarding van 14 december 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 14 september 2023 en een tussenvonnis van 22 september 2022, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de echtgenote als eiseres en Dexia als gedaagde. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van grieven, met productie; - memorie van antwoord, met producties; - akte uitlaten producties van Dexia. Ten slotte is arrest gevraagd. Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken. 2 Feiten De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 22 september 2022 onder “De feiten” feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. 2.1. G.H.W. Buskens, hierna de afnemer, heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt: Nr. Contractnummer Datum Naam Looptijd Eindafrekening Resultaat 1. 21103652 25-01-1999 [bedrijf] 180 mnd. 10-11-2006 € 2.329,04 2. 21103653 25-01-1999 [bedrijf] 180 mnd. 10-11-2006 € 2.329,04 2.2. De echtgenote, met wie de afnemer ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft de afnemer geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten. 2.3. Bij brief van 8 november 2006 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de echtgenote met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW meegedeeld de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen. 3 Beoordeling 3.1. Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. De afnemer en de echtgenote hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt. 3.2. Deze procedure ziet op door de afnemer met Dexia gesloten effectenleaseovereenkomsten waarvan de echtgenote de vernietigbaarheid heeft ingeroepen met de vernietigingsbrief. Dexia beroept zich onder meer op verjaring van deze rechtsvordering tot vernietiging. 3.3. De kantonrechter heeft voor zover hier van belang, voor recht verklaard dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd, heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote ter zake de effectenleaseovereenkomsten te betalen hetgeen Dexia op grond van de in het vonnis genoemde berekening verschuldigd is, en heeft Dexia veroordeeld om aan de echtgenote de wettelijke rente en de kosten van de procedure te betalen. 3.4. Tegen deze beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia op. In de grieven van Dexia ligt heeft onder meer besloten dat zij opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten door de echtgenote niet is verjaard. 3.5. Het hof overweegt als volgt. De effectenleaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de effectenleaseovereenkomsten, die de afnemer is aangegaan, te vernietigen, omdat voor het aangaan daarvan aan de afnemer geen schriftelijke toestemming is gegeven. 3.6. Uit artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan, na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, een overeenkomst niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd. 3.7. De verjaringstermijn gaat lopen op het tijdstip waarop de echtgenote daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenote bekend zijn, en niet de bekendheid van de echtgenote met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenote wist van de effectenleaseovereenkomst en niet om de vraag op welk moment zij wist of begreep dat zij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenote kan worden afgeleid. 3.8. Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat in gevallen als deze, de bevoegdheid van de echtgenote tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging, op 13 maart 2003 is gestuit als gevolg van de op die datum ingestelde collectieve actie van onder meer [stichting] . Aangezien voor deze rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten tijdig is gestuit bij alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in gevallen waarin de overeenkomst weliswaar vóór die datum is gesloten, maar de echtgenote pas ná 13 maart 2000 bekend werd met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan op het moment dat de echtgenote daadwerkelijk bekend wordt met de overeenkomst (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018). 3.9. Dexia heeft in dit verband, onder meer, aangevoerd dat de maandelijkse betalingen aan Dexia voor de effectenleaseovereenkomsten van een en/of-rekening op naam van de afnemer en de echtgenote zijn gedaan, zodat aangenomen moet worden dat de echtgenote vanaf de ontvangst van het oudste bankafschrift betreffende een betaling aan Dexia op de hoogte is geraakt van de effectenleaseovereenkomsten. De echtgenote heeft erkend dan wel onvoldoende weersproken dat de betalingen vanaf de en/of-rekening zijn gedaan. 3.10. Het hof ziet aanleiding om eerst deze stelling te behandelen en laat dus vooralsnog in het midden waartoe de overige stellingen en/of verweren van Dexia moeten leiden. Aan het feit dat de betalingen zijn gedaan vanaf de en/of-rekening, ontleent het hof het bewijsvermoeden dat de echtgenote op de datum van het eerste bankafschrift waarop de betaling aan Dexia is vermeld, bekend werd met de effectenleaseovereenkomsten (vergelijk HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506).