Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-03-13
ECLI:NL:GHAMS:2025:631
Strafrecht
Hoger beroep
2,332 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001680-24
datum uitspraak: 13 maart 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 18 juli 2024 in de strafzaak onder de parketnummers 15-165751-24 en 09-174628-23 (TUL) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1994,
adres: [adres 1].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 februari 2025.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman van de verdachte naar voren heeft gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 18 mei 2024 te Heemskerk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere alhans een winkelgoed(eren) en/of blik(jes) drinken (48 redbull regular met een waarde van 83,52), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] [adres 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld voor het tenlastegelegde.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het plegen van winkeldiefstal.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het procesdossier, waaronder het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden worden beschreven, komt naar voren dat de verdachte samen met de twee medeverdachten de winkel betreedt en dat zij zich met zijn drieën naar het schap met drankblikjes begeven. Op het moment dat de medeverdachten de rugzak met blikjes Red Bull inladen, gaat de verdachte zeer dicht bij en met de rug naar de medeverdachten staan. Terwijl zij daar zo staat, kijkt zij nog wel een moment over haar schouder richting de medeverdachten. Deze gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm te beschouwen als het afschermen van de handelingen van haar medeverdachten. Gezien voornoemde gedragingen is naar het oordeel van het hof sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de diefstal van de blikjes Red Bull. De bijdrage van de verdachte is daarbij van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken. Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt daarmee verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 18 mei 2024 te Heemskerk, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere blikjes drinken (48 Red Bull regular met een waarde van 83,52), die geheel aan [winkel] [adres 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van diefstal.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 600,00 subsidiair twaalf dagen hechtenis.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen standpunt ingenomen over de eventueel op te leggen straf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de draagkracht en de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van een winkeldiefstal.
Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten waarbij naast schade ook hinder aan het gedupeerde bedrijf wordt veroorzaakt. Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en die zijn weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof heeft daarbij acht geslagen op het feit dat de verdachte, blijkens een haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 februari 2025, in Nederland, voorafgaand aan het bewezenverklaarde, eerder onherroepelijk ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Dit weegt het hof in haar nadeel mee.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 47, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 17 juli 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 17 juli 2023, parketnummer 09-174628-23, te weten van:
een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. C.J. van der Wilt en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 maart 2025.
De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.