Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-02-13
ECLI:NL:GHAMS:2025:505
Strafrecht
Hoger beroep
1,259 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003047-21
datum uitspraak: 13 februari 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 november 2021 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-303509-19 (zaak A), 13-007011-21 (zaak B), 13-069087-21 (zaak C), 13-124869-20 (zaak D), 13-097097-20 (zaak E), 13-275259-21 (zaak F) en 13-147460-18 (zaak G) tegen:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1952,
postadres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw en de benadeelde partij [benadeelde] naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot het in zaak A onder 1 en 2 tenlastegelegde, brengt het hof niet tot een ander oordeel dan de politierechter.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A, B, C, E, F en G bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A, B, C, E, F en G tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte, alhoewel hij het niet eens is met de bewezenverklaring van het in zaak A onder 1 en 2 tenlastegelegde, graag een gevangenisstraf wordt opgelegd, zodat hij een dak boven zijn hoofd heeft. Een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden acht de raadsvrouw wel passend.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna drieënhalf jaren schuldig gemaakt aan een groot aantal strafbare feiten, waaronder mishandelingen, beledigingen en bedreigingen (onder meer van politieagenten), het overtreden van een gebiedsverbod en lokaalvredebreuk. Stuk voor stuk kenmerken de feiten zich door het veroorzaken van overlast waarna de verdachte, als hij daarop wordt aangesproken, agressief en ongepast reageert. Hiermee heeft de verdachte getoond geen respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van anderen en bevelen die door het bevoegd gezag worden gegeven.
Gelet op de ernst van het (grote aantal) feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, kunnen de feiten naar het oordeel van het hof niet anders worden afgedaan dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 138, 184a, 266, 267, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. W.S. Ludwig en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 februari 2025.