Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-11-05
ECLI:NL:GHAMS:2025:3777
Strafrecht
Hoger beroep
2,005 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHAMS:2025:3777 text/xml public 2026-03-06T11:53:07 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-11-05 23-000667-23 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3777 text/html public 2026-03-06T11:48:10 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:3777 Gerechtshof Amsterdam , 05-11-2025 / 23-000667-23 Mishandeling door met gebalde vuist uit te halen terwijl de verdachte gedetineerd zat en zich dus zelfs tijdens een strafrechtelijke interventie niet heeft weten te gedragen. Het hof is van oordeel dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt. Constatering van de overschrijding van de redelijke termijn. Gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. afdeling strafrecht parketnummer: 23-000667-23 datum uitspraak: 5 november 2025 TEGENSPRAAK Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 28 februari 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-060824-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1982, adres: [adres] ). Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Tijdens de regiezitting van 24 november 2023 was namens de verdachte een gemachtigd raadsman aanwezig, zodat de onderhavige procedure heeft te gelden als een procedure op tegenspraak. Tijdens de zitting van het hof van 22 oktober 2025 is de verdachte niet verschenen. Zijn raadsman is met kennisgeving aan het hof - op de grond dat hij zich niet langer gemachtigd voelde - evenmin verschenen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 7 september 2021 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer [slachtoffer] heeft mishandeld door deze [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal op zijn gezicht/hoofd, althans tegen zijn lichaam te slaan/stompen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 7 september 2021 te Badhoevedorp, [slachtoffer] heeft mishandeld door deze [slachtoffer] meerdere malen op zijn gezicht/hoofd te slaan. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat de aangever hem begon aan te vallen waardoor hij de aangever een klap heeft gegeven, en bij de politie heeft de verdachte verklaard dat de aangever zijn handen omhoog hield waardoor hij dacht dat de aangever hem wilde slaan. Het hof overweegt als volgt. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de aangever de cel wilde verlaten en in de deuropening stond toen de verdachte aan kwam lopen. Aangever heeft verklaard dat de verdachte zijn rechterarm ophief met gebalde vuist en met zijn arm naar hem uithaalde. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij zag dat de verdachte de cel binnenstormde en direct de aangever een klap op zijn gezicht gaf. Bij de raadsheer-commissaris heeft getuige [getuige 2] verklaard dat er voor het incident geen sprake was van geweld van de aangever richting de verdachte. Het hof is van oordeel dat op basis van deze feiten en omstandigheden de verdachte geen beroep op noodweer toekomt. De enkele omstandigheid dat de verdachte “dacht dat hij hem zou slaan” is op zichzelf onvoldoende om een beroep op noodweer te rechtvaardigen. In dit geval komt daar nog bij dat het hof gelet op de inhoud van de hiervoor kort aangehaalde verklaringen van de aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] geen geloof hecht aan de verklaring van de verdachte daar waar hij stelt dat het de aangever is geweest die begon met hem aan te vallen. De verdachte is dus strafbaar, omdat (ook verder) geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter is opgelegd. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van het slachtoffer door hem meermalen te slaan. Het slachtoffer heeft hier een groot litteken op zijn lip van overgehouden. Door zo te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en hem tevens pijn toegebracht. Het hof rekent het de verdachte ook aan dat hij zich op deze wijze heeft gedragen terwijl hij gedetineerd zat en zich dus zelfs tijdens een strafrechtelijke interventie niet heeft weten te gedragen. Daarbij komt dat het hof het van wezenlijk belang vindt dat gedetineerden zich veilig weten binnen de muren van een penitentiaire inrichting, nu dit op dat moment hun dagelijkse woonomgeving is waar zij zich niet (zomaar) aan kunnen onttrekken en medegedetineerden ook niet steeds eenvoudig kunnen ontwijken. Gelet op de ernst van het feit en het letsel is het hof, alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur passend is en dat een lichtere of andere afdoening onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond. Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met het feit dat de verdachte voorafgaand aan de feiten niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk is veroordeeld, en met de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken passend en geboden. Bij deze strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof heeft onder ogen gezien dat deze redelijke termijn in de fase van het hoger beroep is overschreden met acht maanden nu de verdachte op 28 februari 2023 beroep heeft ingesteld en het hof eerst op 5 november 2025 – dus 2 jaar en 8 maanden later – uitspraak doet. De hoogte van de straf in samenhang met de mate van overschrijding is voor het hof aanleiding om in dit geval te volstaan met de enkele constatering van deze overschrijding en hier verder geen gevolgtrekkingen aan te verbinden (vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rechtsoverweging 3.2 - 3.4). Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.