Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-11-05
ECLI:NL:GHAMS:2025:3776
Strafrecht
Hoger beroep
3,123 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2025:3776 text/xml public 2026-03-06T11:46:37 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-11-05 23-000930-22 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3776 text/html public 2026-03-06T11:44:04 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:3776 Gerechtshof Amsterdam , 05-11-2025 / 23-000930-22 Bevestiging vonnis behalve ten aanzien van de straf. Verzoek van de verdediging om verbalisanten als getuigen te horen omdat de verdediging nog niet in de gelegenheid is gesteld om vragen te stellen over hun werkwijze. Het hof is van oordeel dat onderhavige procedure geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van 'the overall fairness of the trial'. Geen sprake van schending van Tallon-criterium. Schending van redelijke termijn. Voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken. afdeling strafrecht parketnummer: 23-000930-22 datum uitspraak: 5 november 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 maart 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-053432-22 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1966, adres: [adres] , thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd-, en met dien verstande dat het hof een tweetal bewijsoverwegingen toevoegt; de bewijsmiddelen vervangt en uitwerkt in een aanvulling op dit arrest indien cassatie wordt ingesteld. Bewijsoverweging De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring. De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daaraan voorafgaand heeft hij aangevoerd dat tijdens de regiezitting van 3 november 2023 de verzoeken tot het horen van de drie verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] ten onrechte zijn afgewezen. Verbalisant [verbalisant 3] heeft vragen in een aanvullend proces-verbaal beantwoord, maar dat valt volgens de raadsman niet gelijk te stellen met een verhoor omdat hij niet nader kan worden bevraagd. De verdediging is ook niet in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen over de werkwijze van de verbalisanten, die de actie gezamenlijk hebben uitgevoerd. De schuld of onschuld van cliënt is immers direct verweven met de werkwijze die is gebruikt. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de werkwijze lijkt op uitlokking en dat aldus sprake is van een schending van het Tallon- criterium. Zou het hof toch toekomen aan een bewezenverklaring, dan zou deze in beslissende mate berusten op verklaringen van verbalisanten die de verdediging niet heeft kunnen horen. De verklaringen van deze verbalisanten dienen volgens de raadsman daarom te worden uitgesloten van het bewijs. Het hof oordeelt als volgt. Ondervragingsrecht van de verdediging en art. 6 EVRM Het hof toetst het verzoek van de verdediging aan het verdedigingsbelang. Het verzoek van de verdediging om de drie hiervoor genoemde verbalisanten te horen, is in hoofdzaak gestoeld op het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waarin zij, samen met verbalisant [verbalisant 3] , verbaliseren over het plaatsen van de lokportemonnee met nepgeld op het Centraal Station in Amsterdam op 2 maart 2022. Volgens dat proces-verbaal zagen zij vanaf een observatiepunt dat de verdachte de portemonnee uit de tas van [verbalisant 3] haalde en daarmee wegliep. Het hof zal evenwel genoemd proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] niet voor het bewijs gebruiken voor zover dit een verslaglegging bevat van de waarnemingen ter plaatse van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Naast deze door het hof niet voor het bewijs te bezigen bevindingen in het proces-verbaal, bevat het dossier de aangifte van [verbalisant 3] , enkele stills/foto’s van camerabeelden, het aanvullende proces-verbaal van [verbalisant 3] en de verklaringen van de verdachte. Daaronder bevindt zich nu ook de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij in de periode van het tenlastelegde voorzag in zijn levensonderhoud met wat hij op straat tegenkwam en het wegnemen van goederen en dat het juist is dat hij de lokportemonnee heeft weggenomen. Gelet op deze verklaring in hoger beroep, bezien in samenhang met de andere hierna te noemen bewijsstukken, vermag het hof niet in te zien welk verdedigingsbelang gemoeid is met het horen van de drie verbalisanten. Het verzoek om hen als getuigen te (doen) horen wijst het hof daarom af. Het hof zal de hiervoor genoemde aangifte van [verbalisant 3] , enkele stills/foto’s van camerabeelden, het aanvullende proces-verbaal van [verbalisant 3] en de verklaringen van de verdachte zoals afgelegd bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep, in de aanvulling op het arrest voor het bewijs bezigen. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat de bewezenverklaring van het aan de verdachte tenlastegelegde niet – en dus ook niet in beslissende mate – gestoeld is op de verklaringen van de drie genoemde verbalisanten. Het horen van hen als getuigen zal dus voor de bewijsvoering van geen enkel belang zijn. In aanvulling hierop merkt het hof op dat in dit geval verbalisant [verbalisant 3] in een aanvullend proces-verbaal expliciet heeft aangegeven (met een bijgevoegde foto van de tas) hoe de lokportemonnee in de tas zat en in welke mate het geld zichtbaar was (namelijk alleen aan de bovenzijde), en dat dit in deze zaak niet anders was dan standaard wordt gedaan in geval van gebruik van een lokportemonnee door de politie. Het hof is van oordeel dat daarmee in essentie de vragen zijn beantwoordt die in onderhavige zaak van belang zijn en dat ook in dat licht bezien de onderhavige procedure geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’. Schending van het Tallon-criterium Verbalisant [verbalisant 3] stond op 2 maart 2022 op het Centraal Station in Amsterdam met een koffer met daarop een open tas met een lokportemonnee. Het valse geld in de lokportemonnee was zichtbaar omdat het een klapportemonnee was. Hij stond op enig moment telefonerend met zijn rug naar de koffer toe. De verdachte zag de tas met de portemonnee en haalde de lokportemonnee uit de tas en liep vervolgens weg. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de portemonnee en het geld heeft gepakt, en ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte, zoals hiervoor overwogen, verklaard dat hij in die periode dakloos was en in zijn eigen onderhoud voorzag met wat hij op straat tegenkwam. Gelet op deze gang van zaken is naar het oordeel van het hof geen sprake van een schending van het zogenaamde Tallon-criterium. Er was sprake van een algemene, niet specifiek op de verdachte gerichte actie van de politie op het Centraal Station Amsterdam, waarbij een lokmiddel kon en mocht worden ingezet. De verdachte is door de inzet van het lokmiddel niet gebracht tot andere handelingen dan die waarop zijn opzet kennelijk reeds tevoren was gericht. Verder blijkt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden dat de inzet van de lokportemonnee ook voor het overige niet op een onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden.
Volledig
Er was immers sprake van een natuurlijk straatbeeld, zoals blijkt uit de aan het dossier toegevoegde talrijke foto’s van reizigers met koffers en tassen op het (Centraal) Station te Amsterdam (en op de luchthaven Schiphol), en die telkens een beeld tonen die vergelijkbaar is met de situatie waarin de verdachte de tas met daarin de door hem weggenomen portemonnee aantrof. Het hof acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Oplegging van straf De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De raadsman heeft het hof verzocht rekening te houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en met de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een portemonnee die door de politie was geplaatst in een tas aan een rolkoffer op het Centraal Station in Amsterdam. Dit soort feiten veroorzaken niet alleen financiële schade maar zijn ook zeer ergerlijk. Hoewel het in dit geval om valse bankbiljetten ging, levert zakkenrollerij groot ongemak voor gedupeerde eigenaren op. Het plegen van een dergelijk delict tast bovendien het gevoel van veiligheid bij bezoekers en toeristen van het centrum van Amsterdam aan. Mede daarom worden in dit soort zaken niet zelden vrijheidsbenemende straffen opgelegd. Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 1 mei 2025 over de verdachte en van het op naam van de verdachte staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 14 oktober 2025. Hieruit blijkt onder andere dat hij recent in een ander strafdossier onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten tot een gevangenisstraf van tien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd in die zaak is ingegaan per 7 juni 2025 met toepassing van bijzondere voorwaarden bestaande uit (onder andere) een ambulante behandeling en woonbegeleiding/maatschappelijke opvang. In deze omstandigheden ziet het hof reden om de verdachte en het ingezette hulpverleningstraject niet te belasten met een aanvullende, onvoorwaardelijke straf. Het hof heeft voorts acht geslagen op de overschrijding in hoger beroep van de redelijke termijn van berechting als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De verdediging heeft hoger beroep ingesteld op 4 april 2022 terwijl het hof arrest wijst op 5 november 2025. Het hoger beroep heeft derhalve ongeveer drieënhalf jaar beslagen, hetgeen overschrijding van de redelijke termijn van achttien maanden inhoudt. Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken hebben opgelegd. Met inachtneming van deze overschrijding en alles afwegende, acht het hof thans een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken passend en geboden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken . Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.J Hofstee, mr. A.R.O. Mooy en mr. A.C. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Fritsche, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 november 2025. mrs. A.R.O. Mooy en A.C. Huisman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=
=== […]