Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-02-04
ECLI:NL:GHAMS:2025:371
Strafrecht
Raadkamer
1,737 tokens
Inleiding
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000768-24 (530 Sv)
parketnummer in hoger beroep: 23-002424-21
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. C.J. Hes,
Koepelplein 1 E, 344, 2031 WL Haarlem.
Procesverloop
Het verzoekschrift is op 22 oktober 2024 ingekomen.
Op 13 november 2024 heeft de advocaat-generaal het standpunt van het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt.
Op 8 januari 2024 heeft de advocaat een reactie gegeven op het standpunt van de advocaat-generaal.
Op 13 januari 2025 is om aanvullende informatie aan de advocaat gevraagd omtrent een eventuele toevoeging en diezelfde dag heeft de advocaat schriftelijk een toelichting gegeven.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 14 januari 2025 de advocaat-generaal ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Verzoeker en zijn advocaat zijn met kennisgeving hiervan niet in raadkamer verschenen.
2. Inhoud van het verzoek
Het verzoek strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer in eerste aanleg ten bedrage van € 1.028,50;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak met voormeld parketnummer in hoger beroep ten bedrage van € 5.969,44;
reiskosten gemaakt ten behoeve van het onderzoek en het bijwonen van de behandeling van de strafzaak ten bedrage van € 11,91;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure ten bedrage van € 340,00.
Beoordeling
Bij arrest van dit hof van 29 augustus 2024 is de strafzaak met voormeld parketnummer geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
Ad a
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak in eerste aanleg tot een bedrag van € 1.028,50.
Ad b
Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van kosten rechtsbijstand in hoger beroep overweegt het hof dat blijkens informatie van de Raad voor Rechtsbijstand aan verzoeker een reguliere toevoeging is afgegeven doch dat deze niet is gedeclareerd. Per email van 13 januari 2025 heeft de advocaat van verzoeker laten weten dat deze informatie juist is, dat verzoeker (later) heeft aangegeven op betalende basis rechtsbijstand te willen ontvangen, dat zij vergeten is de toevoeging in te trekken, dat geen eigen bijdrage is betaald, dat de toevoeging niet is gedeclareerd en dat heden aan de Raad is verzocht de toevoeging in te trekken.
Artikel 530, tweede lid Sv luidt:
Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend (…), behoudens voor zover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.
Artikel 44a lid 1 van de Wet op de rechtsbijstand (WRB) luidt:
1. Indien een verdachte in een strafzaak is bijgestaan door een raadsman die op het moment van de verlening van rechtsbijstand is toegevoegd, wordt met uitzondering van de vergoeding van de eigen bijdrage, geen kostenvergoeding van een raadsman als bedoeld in artikel 530, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering toegekend, tenzij de toevoeging, anders dan na een daartoe ingediende aanvraag, wordt ingetrokken of beëindigd.
Ambtshalve is aan het hof gebleken dat na een verzoek hiertoe van de raadsvrouw aan de Raad, een toevoeging aan verzoeker is verleend voor de strafprocedure in hoger beroep. Voorts is gebleken dat de raadsvrouw eerst op 13 januari 2024, na afloop van de strafprocedure, aan de Raad heeft verzocht de toevoeging in te trekken. Aldus was de raadsvrouw op het moment van de verlening van de rechtsbijstand toegevoegd en volgt hieruit dat de wettelijke grondslag aan het verzoek ontbreekt. De door de raadsvrouw in dit kader verstrekte toelichting maakt dit niet anders. Het hof zal het verzoek onder b afwijzen.
Ad c
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding van reiskosten ten bedrage van € 11,91.
Ad d
Gronden van billijkheid zijn aanwezig voor toekenning van een vergoeding ter zake van kosten rechtsbijstand in de onderhavige verzoekschriftprocedure tot een bedrag van € 340,00.
Dictum
Het hof :
Kent op de voet van artikel 530 Sv aan verzoeker een vergoeding toe van € 1.380,41 (duizend driehonderdtachtig euro en eenenveertig cent).
Wijst het anders of meer verzochte af.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. A.M.P. Geelhoed, A.W.T. Klappe en N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de oudste raadsheer en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 4 februari 2025.
De oudste raadsheer beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 1.380,41 (duizend driehonderdtachtig euro en eenenveertig cent) op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. mr. C.J. Hes o.v.v. [ovv].
Amsterdam, 4 februari 2025,
mr. A.W.T. Klappe, oudste raadsheer.