Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-10-14
ECLI:NL:GHAMS:2025:3553
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
4,046 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2025:3553 text/xml public 2026-04-08T09:00:32 2025-12-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-10-14 24/1941 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2024:1954, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3553 text/html public 2026-04-07T16:07:21 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:3553 Gerechtshof Amsterdam , 14-10-2025 / 24/1941 Art. 9, lid 2, onder a, Wet OB; levering magische truffels. Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 24/1941 14 oktober 2025 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende, gemachtigde: mr. R. Vos (Hertoghs Advocaten), tegen de uitspraak van 5 februari 2024 in de zaak met kenmerk HAA 22/5854 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst , de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. In de bestreden uitspraak is als volgt beslist op het beroep van belanghebbende over een teruggaafbeschikking omzetbelasting over het vierde kwartaal van het jaar 2019: “De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade, vastgesteld op € 2.000; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75, en draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 365 te vergoeden.” 1.2. Belanghebbende heeft op 15 maart 2024 hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Beide partijen hebben het Hof toestemming gegeven zonder mondelinge behandeling te beslissen; de inspecteur in zijn verweerschrift en belanghebbende bij brief van 17 juli 2024. Bij bericht van 19 september 2025 is aan partijen meegedeeld dat het Hof het onderzoek heeft gesloten en dat op een termijn van zes weken uitspraak wordt gedaan. 2 Feiten 2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “1.Eiseres houdt zich onder andere bezig met de verkoop van ‘magische truffels’. Magische truffels zijn geen truffels in de gebruikelijke zin des woords, maar schimmels die groeien onder de grond tussen de zwamdraden van bepaalde paddenstoelen. Ze worden ook wel ‘sclerotia’ genoemd en vormen een overlevingsmechanisme voor het organisme in periodes van grote droogte, waaruit nadien nieuwe paddenstoelen kunnen groeien. Magische truffels bevatten psychoactieve stoffen, te weten psilocine en psilocybine. Anders dan paddo’s, die eveneens deze stoffen bevatten, vallen magische truffels niet onder de Opiumwet en kunnen daarom vrij worden gekweekt en verhandeld. 2. Eiseres heeft voor de verkoop van deze magische truffels in het onderhavige tijdvak op haar aangifte omzetbelasting voldaan naar het algemene tarief van 21%. De aangifte leidt tot een teruggaaf van omzetbelasting die is verleend bij onderhavige teruggaafbeschikking. 3. In het bezwaar tegen de teruggaafbeschikking heeft eiseres gesteld dat de levering van magische truffels is belast naar het verlaagde tarief ingevolge artikel 9, tweede lid, onder a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).” 2.2. Het Hof gaat uit van de hiervoor vermelde feiten. 3 Geschil in hoger beroep Evenals in beroep is in hoger beroep in geschil of op de levering van magische truffels het verlaagde tarief als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder a, van de Wet OB van toepassing is, waarbij meer specifiek in geschil is of magische truffels voedingsmiddelen zijn als bedoeld in post a.1 van Tabel I bij de Wet OB (de Tabelpost). Subsidiair is in geschil of het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden. 4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft in haar uitspraak – voor zover in hoger beroep van belang – het volgende overwogen: “ Juridisch kader 7. Op grond van artikel 98, eerste en tweede lid, van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de Btw-richtlijn) kunnen de lidstaten een of twee verlaagde tarieven toepassen op leveringen en diensten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage III bij die Richtlijn (Bijlage III). 8. Post 1) van Bijlage III luidt: “Levensmiddelen (met inbegrip van dranken, maar met uitsluiting van alcoholhoudende dranken) voor menselijke en dierlijke consumptie, levende dieren, zaaigoed, planten en ingrediënten die gewoonlijk bestemd zijn voor gebruik bij de bereiding van levensmiddelen, alsmede producten die gewoonlijk bestemd zijn ter aanvulling of vervanging van levensmiddelen”. 9. De Tabelpost luidt als volgt: “1. Voedingsmiddelen, te weten: a. eet- en drinkwaren die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie; b. producten die kennelijk zijn bestemd om te worden aangewend voor de bereiding van de onder a bedoelde eet- en drinkwaren en daarin geheel of ten dele opgaan; c. producten dien zijn bestemd om te worden aangewend als aanvulling op dan wel ter vervanging van de onder a bedoelde eet- en drinkwaren; met dien verstande dat tot de voedingsmiddelen niet worden gerekend alcoholhoudende dranken.” 10. De Algemene aantekening bij Tabel I luidt: “Tot tabel I behoren niet pootgoed en land- en tuinbouwzaden die kunnen worden aangewend om planten of vruchtlichamen van schimmels uit voort te laten komen of te doen komen die voorkomen op lijst I of lijst II behorende bij de Opiumwet.” 11. Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ EU moeten de kwalificaties van de in Bijlage III genoemde leveringen en diensten, als afwijking van de algemeen geldende voorschriften inzake de BTW, strikt worden uitgelegd. Het geschil spitst zich daarmee toe op de vraag of magische truffels voldoen aan de (strikt uit te leggen) kwalificatie “levensmiddelen voor menselijke consumptie” als bedoeld in post 1) van Bijlage III. 12. Van absoluut verboden producten is voor wat betreft de magische truffels geen sprake en zij zijn ook niet te rangschikken onder één van de categorieën van lijst I en lijst II die behoren bij de Opiumwet. Evenmin kunnen de magische truffels worden aangemerkt als pootgoed dan wel land- of tuinbouwzaden. Dat magische truffels een zekere mate van vergelijkbaarheid vertonen met paddo’s die wél zijn opgenomen op lijst II behorende bij de Opiumwet, maakt niet dat zij hebben te gelden als (goederen bestemd voor de kweek van) absoluut verboden producten. 13. Uit het arrest X en het daarop volgende arrest van de Hoge Raad van 18 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:2082) volgt dat bij de beantwoording van de vraag of bepaalde middelen (eetwaren) onder het verlaagde tarief vallen, niet alleen moet worden gelet op de samenstelling daarvan, oftewel het al dan niet aanwezig zijn van voor de mens noodzakelijke voedingsmiddelen, maar ook op het doel waartoe de middelen worden ingenomen. Als met de consumptie louter een ander doel wordt beoogd dan het innemen van nuttige of noodzakelijke voedingsstoffen, is geen sprake van levensmiddelen in de zin van Bijlage III en kan ter zake van leveringen van die middelen het verlaagde tarief geen toepassing vinden. 14. In zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3125, heeft het gerechtshof Amsterdam over de tarieftoepassing op de levering van magische truffels het volgende overwogen: “2.19. De prejudiciële vragen zijn door het Hof van Justitie van de Europese Unie op 1 oktober 2020 beantwoord (ECLI:EU:C:2020:786). (…) 5.5. De stelling van belanghebbende dat de omzet behaald met de levering van magische truffels onder het verlaagde tarief van de Tabelpost valt, kan, gelet op het arrest van het HvJ genoemd onder 2.19, niet worden gevolgd indien een magische truffel: 1. een product is dat geen of een volstrekt te verwaarlozen hoeveelheid voedingsstoffen bevat, én 2.
Volledig
waarvan de consumptie uitsluitend andere effecten beoogt dan die welke noodzakelijk zijn voor de instandhouding, de werking en de ontwikkeling van het menselijk organisme. De omstandigheid dat magische truffels eiwitten, vitaminen, mineralen bevatten en een calorische waarde hebben van circa 100 kcal per 100 gram is op zichzelf beschouwd van onvoldoende gewicht om te kunnen oordelen dat aan het eerste criterium wordt voldaan. Immers, het product wordt gebruikt in kleine doseringen van maximaal 10 gram per gebruik en in dat geval in beginsel niet vaker dan één keer per week (zie 2.3 en 2.4). Het gebruik van magische truffels kan tegen die achtergrond bezien niet wezenlijk bijdragen aan de voedingsbehoefte van het menselijk organisme. Wat betreft de beoogde effecten van de consumptie heeft de bestuurder van belanghebbende ter zitting bij het Hof verklaard dat daarmee uitsluitend ‘andere effecten’ worden beoogd. Die verklaring komt ook aannemelijk voor, gelet op de wijze waarop het product wordt aangeprezen: als psychedelisch middel. Magische truffels bevatten psychoactieve middelen of psychotrope stoffen (psilocine of psilocybine). Deze stoffen hebben invloed op het gedrag, het gevoel en de beleving van de gebruiker. Zowel de micro- als macrodoseringen worden uitsluitend gebruikt, zo leidt het Hof uit de verklaringen van belanghebbende af, vanwege hun invloed op de psychische gesteldheid van de gebruiker (zie 2.4 en 2.5). Het Hof ziet dan ook geen aanleiding om een onderscheid te maken tussen de macro- en microdoseringen. Gelet op ‘het uitsluitende psychedelische doel’ waarmee het product wordt genuttigd, is ook aan de tweede voorwaarde voldaan. Nu aan beide voorwaarden wordt voldaan, kunnen de magische truffels niet worden aangemerkt als voedingsmiddelen die onder de Tabelpost vallen. 5.6. Het Hof overweegt in dat kader nog dat de door belanghebbende voorgestane vergelijking met culinaire truffels niet opgaat. Die worden weliswaar ook in heel kleine doseringen genuttigd, maar niet om uitsluitend ‘andere effecten’ (zoals psychedelische effecten) te bewerkstelligen; een culinaire truffel wordt gebruikt als ingrediënt (smaakmaker) in een maaltijd.” 15. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het onderhavig geval anders te oordelen dan het gerechtshof Amsterdam in de hierboven aangehaalde uitspraak heeft gedaan. De magische truffels kunnen dus niet worden aangemerkt als voedingsmiddelen die onder het verlaagde tarief van artikel 9, eerste lid, onder a van de Wet OB vallen. De stelling van eiseres dat magische truffels voldoen aan de definitie van artikel 2 van de Verordening van de EG nr. 178/2002 en door de VWA zijn aangemerkt als consumptiegoed in de zin van de Warenwet, brengt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. De Verordening 178/2002 en de voorschriften van de VWA hebben een ander toepassingsbereik en zijn uitgevaardigd met een ander doel dan de wettelijke bepalingen inzake de heffing van omzetbelasting. Rechtszekerheidsbeginsel 16. Subsidiair stelt eiseres dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Zij voert aan dat de Hoge Raad in de arresten van 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3613, en 15 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1671, heeft overwogen dat soortgelijke producten als magische truffels eetbaar zijn en daarom moeten worden aangemerkt als voedingsmiddelen waarvan de levering is belast naar het verlaagde tarief. De Hoge Raad heeft pas voor het eerst op 18 december 2020 een nieuwe interpretatie gegeven van het begrip voedingsmiddelen die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie. Daarbij is pas in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 31 maart 2022, nr. 2022-6334, Stcrt. 2022 (Omzetbelasting, Toelichting Tabel I) vastgelegd dat magische truffels niet onder Tabel I post a.1 bij de Wet OB vallen. 17. Ook het beroep van eiseres op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt niet. De rechtbank licht dit als volgt toe. 18. Het voormelde arrest van 19 december 2014 had betrekking op de uitleg van het begrip “pootgoed bestemd voor de teelt van groenten en fruit” zoals bedoeld in post a.3 van Tabel I. Voor de magische truffels is echter in geschil of zij onder post a.1 van Tabel I vallen, zodat eiseres geen rechtszekerheid kan hebben ontleend aan het arrest. De Hoge Raad heeft in voormeld arrest verder geoordeeld dat onder de begrippen “groente” en “fruit” zoals bedoeld in post a.3 van Tabel I dienen te worden begrepen “alle voor menselijke consumptie bestemde (dat wil zeggen eetbare) planten en plantendelen, vruchten en ook paddenstoelen (de vruchtlichamen van een zwam of schimmel)”. Daaruit volgt echter niet dat de schimmel zelf als voedingsmiddel kan worden aangemerkt als bedoeld in post a.1 van Tabel I. 19. In het arrest van 15 juni 2015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat paddo’s voedingsmiddelen zijn als bedoeld in post a.1 van Tabel I, waarbij is aangetekend dat niet in geschil was dat paddo’s eetbaar zijn. Aan dit oordeel heeft eiseres niet in algemene zin de zekerheid kunnen ontlenen dat magische truffels ook als voedingsmiddelen als bedoeld in post a.1 van Tabel I worden aangemerkt. 20. Bovendien geldt dat de Hoge Raad reeds op 19 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:643) aan het HvJ EU prejudiciële vragen heeft gesteld over de uitleg van het begrip ‘levensmiddelen voor menselijke consumptie’ in Bijlage III waarop de Tabelpost is terug te voeren. Ten tijde van het doen van de aangifte voor de omzetbelasting over het onderhavige tijdvak was voor eiseres dus kenbaar dat over de uitleg van de Tabelpost in de rechtspraak onduidelijkheid bestond. 21. Uit het onder 16. genoemde besluit valt niet af te leiden dat de staatssecretaris voorheen een ander standpunt was toegedaan ten aanzien van de kwalificatie van magische truffels. Uit het besluit kan namelijk niet worden afgeleid dat magische truffels vóór dit besluit wel onder post a.1 van Tabel I vielen. De stelling van eiseres dat sprake is van een inhoudelijke wijziging van het besluit bestaande uit de expliciete uitsluiting van (onder meer) magische truffels van post a.1 van Tabel I kan dan ook niet worden gevolgd. Vertrouwensbeginsel 22. Verweerder heeft het betoog van eiseres tevens opgevat als dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Uit wat verweerder daarover heeft aangevoerd, volgt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarvan sprake is. 23. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.” 5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep 5.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep de door haar in beroep aangevoerde grieven herhaald; zij persisteert bij de eerder ingenomen standpunten. 5.2. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank deze grieven terecht en op goede gronden heeft verworpen. Het Hof neemt het oordeel van de rechtbank alsmede de gronden waarop dit oordeel is gebaseerd (zie onder 4) over en maakt deze tot de zijne. Slotsom 5.3. Het hoger beroep is ongegrond en de rechtbankuitspraak moet worden bevestigd. 6 Kosten Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding. 7 Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en JP.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 14 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).