Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-11-11
ECLI:NL:GHAMS:2025:3018
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,330 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.353.649/01
zaaknummers rechtbank: 11350148 BM VERZ 24-2641 en 11350166 BM VERZ 24-2642 jb
11350167 MB VERZ 24-745 en 11350149 MB VERZ 24-744
beschikking van de meervoudige kamer van 11 november 2025 in de zaak van
[rechthebbende] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de rechthebbende,
advocaat: mr. E.B. Doganer te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [naam 1] (hierna: [naam 1] ), bijgestaan door mr. I.E. Smit Kleinmoedig;
- [naam 2] (hierna: [naam 2] );
- [naam 3] (hierna: de echtgenote);
- Aangenaam Els B.V. handelend onder de naam Aangenaam Bewind (hierna: de bewindvoerder), gevestigd te Warmenhuizen .
1De zaak in het kort
1.1
De zaak gaat over de vraag of een bewind nodig is voor de rechthebbende.
1.2
De kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad (hierna: de kantonrechter) heeft in een beschikking van 17 januari 2025 (hierna: de bestreden beschikking) - voor zover hier van belang - de goederen van de rechthebbende onder bewind gesteld.
De rechthebbende is het daar niet mee eens en wil dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en het verzoek tot onderbewindstelling wordt afgewezen. Daarnaast wil hij dat zijn zoons [naam 1] en [naam 2] , die bij de kantonrechter het verzoek tot onderbewindstelling hebben gedaan, worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep.
Procesverloop
2.1
De rechthebbende is op 17 april 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de bestreden beschikking.
2.2
[naam 1] heeft op 12 juni 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
De zitting heeft op 26 september 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de rechthebbende, bijgestaan door mr. A. Sarioglu, die waarneemt voor mr. Doganer;
- [naam 1] , bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam 2] .
De echtgenote en de bewindvoerder zijn niet op de zitting verschenen.
Feiten
3.1
De rechthebbende is geboren [in] 1944 te [plaats A] .
3.2
Bij de in zoverre niet bestreden beschikking van 17 januari 2025 zijn tevens de goederen van de echtgenote van de rechthebbende onder bewind gesteld wegens haar lichamelijke en/of geestelijke toestand en is Aangenaam Els B.V. handelend onder de naam Aangenaam Bewind benoemd tot bewindvoerder. Daarnaast is er ten aanzien van de echtgenote ook een mentorschap uitgesproken, met benoeming van [naam 4] , handelend onder de naam [naam 4] Mentorschap, als mentor.
4De omvang van het hoger beroep
4.1
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke/geestelijke toestand en Aangenaam Els B.V., handelend onder de naam Aangenaam Bewind tot bewindvoerder benoemd.
4.2
De rechthebbende verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidende verzoek van [naam 1] en [naam 2] tot onderbewindstelling van hemzelf alsnog af te wijzen en [naam 1] en [naam 2] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.
4.3
[naam 1] verzoekt afwijzing van het verzoek van de rechthebbende tot veroordeling van [naam 1] in de proceskosten in beide instanties. Met betrekking tot de onderbewindstelling van de rechthebbende refereert [naam 1] zich aan het oordeel van het hof.
Motivering
Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:431, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter een bewind kan instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
a. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
b. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
Het bewind kan op grond van het derde lid van voornoemd artikel eveneens worden ingesteld indien te verwachten is dat rechthebbende binnen afzienbare tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren.
De standpunten
5.2
De rechthebbende stelt dat er geen gronden voor onderbewindstelling (hebben) bestaan. De rechthebbende verkeert in goede gezondheid, zowel fysiek als mentaal. Hij is op de hoogte van zijn financiële verplichtingen en handelt daarnaar. Hij doet geen grote of onnodige uitgaven. De rechthebbende verzoekt [naam 1] en [naam 2] te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep. Het verzoek is immers zonder goede grond gedaan.
5.3
[naam 1] voert geen verweer tegen het verzoek van de rechthebbende met betrekking tot de onderbewindstelling. Hij is het echter niet eens met het verzoek om hem en [naam 2] in de proceskosten te veroordelen. Hij is de procedure in eerste aanleg gestart met een gerechtvaardigd belang, te weten het beschermen van de belangen van zijn ouders. Zijn moeder woont in een verzorgingshuis en haar belangen zijn nu voldoende gewaarborgd door de beslissing van de kantonrechter om een mentor aan te stellen en het bewind over haar goederen uit te spreken. Er is geen sprake van misbruik van procesrecht, aldus [naam 1] . Daarnaast is het hoger beroep door de rechthebbende geïnitieerd en niet door [naam 1] .
5.4
[naam 2] heeft zich ter zitting in hoger beroep aangesloten bij het standpunt van [naam 1] .
Beoordeling
5.5
Het hof is van oordeel dat de gronden voor onderbewindstelling van de rechthebbende niet aanwezig waren ten tijde van de bestreden beschikking en ook op dit moment niet aanwezig zijn. In tegenstelling tot hetgeen de kantonrechter heeft geoordeeld, is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat de rechthebbende geen verantwoordelijk financieel inzicht zou hebben. Gelet op de stukken in het dossier en hetgeen ter zitting in hoger beroep naar voren is gebracht, acht het hof de rechthebbende in staat om zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Niet is gebleken van schulden of onverantwoorde uitgaven. Ter zitting heeft rechthebbende aangegeven dat hij zal samenwerken met de bewindvoerder van zijn echtgenote, zodat zij niets tekort komt. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen voor wat betreft de onderbewindstelling van de (toekomstige) goederen van rechthebbende. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:384 BW juncto 1:448 lid 4 BW neemt, indien een beschikking waarbij bewind is uitgesproken in hoger beroep of cassatie wordt vernietigd en het verzoek tot onderbewindstelling alsnog wordt afgewezen, de taak van de bewindvoerder daags na deze uitspraak een einde. De inmiddels door de bewindvoerder of met zijn toestemming verrichte handelingen blijven voor de onder bewind gestelde verbindend.
5.6
De kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep zullen worden gecompenseerd als na te melden, gelet op de aard van de procedure. Er is volgens het hof geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling zoals door de rechthebbende verzocht.
Dictum
Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover het betreft het bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan [rechthebbende] , geboren te [plaats A] [in]
1944,
bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de betrokkene en een - zo mogelijk door hem voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Noord-Holland, afdeling Handel, Kanton en Bewind, locatie Zaanstad overlegt;
gelast de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, afdeling Handel, Kanton en Bewind, locatie Zaanstad, in verband met aantekening in het centraal curatele- en bewindregister;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten tussen partijen in beide instanties, in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. T.M. Subelack, G.W. Brands-Bottema en P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 11 november 2025 in het openbaar uitgesproken door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk.