Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-10-30
ECLI:NL:GHAMS:2025:2903
Strafrecht
Hoger beroep
1,553 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001257-24
datum uitspraak: 30 oktober 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-038484-24 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2000,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] .
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van wat aan hem onder 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op wat is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, voor zover inhoudelijk nog aan zijn oordeel onderworpen, en zal dit daarom bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.
Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met een aantal bijzondere voorwaarden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde – voor zover inhoudelijk nog aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd, omdat hem in een andere zaak een ISD-maatregel is opgelegd. In het geval toch een straf dient te worden opgelegd, moet deze gelijk zijn aan de duur van het ondergane voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep, bij de beoordeling of aan de verdachte een straf en/of maatregel moet worden opgelegd, gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.
Oordeel van het hof
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal en een mishandeling van een winkelmedewerker. Dit zijn ergerlijke strafbare feiten. Uit het strafblad van de verdachte van 7 oktober 2025 en de zich in het dossier bevindende reclasseringsrapporten, waaronder een rapport van 26 april 2024, komt onder meer naar voren dat sprake is van een patroon van vermogensdelicten. Het voorgaande rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf.
Nu de rechtbank Amsterdam de verdachte echter bij vonnis van 14 maart 2025 in de zaak met parketnummer 13-373120-24 onherroepelijk heeft veroordeeld en de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren heeft opgelegd, acht het hof in het licht van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) het passend en geboden dat op de voet van artikel 9a Sr geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij ook acht geslagen op de onherroepelijke beslissing van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2024 in de zaak met parketnummer 13/333678-24 waarbij de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden. Dat betekent dat de verdachte na afloop van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders nog in die zaak in een proeftijd loopt. Zodoende heeft hij nog een stok achter de deur om geen strafbare feiten meer te plegen. Een nieuwe voorwaardelijke gevangenisstraf - waar de advocaat-generaal om heeft gevraagd - is daarom niet nodig.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9a, 57, 63, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.H. Tiemens, mr. C.J. van der Wilt en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 oktober 2025.