Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-06-11
ECLI:NL:GHAMS:2025:2807
Strafrecht
Hoger beroep
620 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000503-23
datum uitspraak: 11 juni 2025
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 december 2022 in de strafzaak onder parketnummer
13-177485-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1980,
adres: [adres] .
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Onderzoek ter terechtzitting
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
11 juni 2025.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot
niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Ontvankelijkheid van het door de verdachte ingestelde hoger beroep
Blijkens een e-mail van de raadsvrouw van 10 juni 2025 wenst de verdachte het hoger beroep in te trekken. Nu niet tijdig voor de zitting een akte intrekking rechtsmiddel kon worden opgemaakt, verzoekt de verdediging om het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsvrouw heeft dit standpunt ter terechtzitting in hoger beroep herhaald.
Het hof begrijpt dat de verdachte geen belang meer hecht aan voortzetting van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep.
Op grond van het vorenstaande en gehoord de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat, nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van de zaak, het door de verdachte ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Dictum
Het hof:
Verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. W.S. Ludwig en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 juni 2025.