Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-09-23
ECLI:NL:GHAMS:2025:2550
Strafrecht
Hoger beroep
2,415 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002705-23
datum uitspraak: 23 september 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 2 oktober 2023 in de strafzaak onder parketnummer 96-183598-22 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 20 november 2021 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Breeburgsingel, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat hiervan slechts aantekening als bedoeld in artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering is opgemaakt.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte een auto heeft bestuurd terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Door de raadsvrouw is vrijspraak bepleit en daartoe zijn twee verweren gevoerd. Ten eerste kan de verdachte niet worden aangemerkt als bestuurder. Volgens de verdachte heeft niet hij, maar een ander, [persoon] , de personenauto bestuurd. Nadat [persoon] de auto had ingeparkeerd en is uitgestapt, is de verdachte op de bestuurdersstoel van de geparkeerde auto gaan zitten. Hij heeft dus niet gereden. Op basis van het dossier kan die lezing volgens de raadsvrouw niet worden uitgesloten.
Indien het hof desondanks van oordeel is dat de verdachte de auto heeft bestuurd, kan volgens de raadsvrouw evenmin een veroordeling volgen, nu niet kan worden vastgesteld dat het besluit tot ongeldigverklaring op de juiste wijze is bekend gemaakt.
Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.
Bestuurder van de auto
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bestuurder van de auto is geweest. Het verweer wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen, die het hof, in geval dat beroep in cassatie wordt ingesteld, zal uitwerken in de op te maken aanvulling op dit arrest. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] – inhoudende dat de verdachte de bestuurder was – geen enkele aanleiding geeft tot twijfel. Het proces-verbaal is gedetailleerd en vermeldt dat de verbalisanten de auto voortdurend in het zicht hebben gehouden. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat de verklaring van de verdachte dat hij zich van de achterbank naar de bestuurdersstoel heeft verplaatst nadat de auto was gestopt, gelet op de inhoud van het dossier, ook overigens niet aannemelijk is geworden, schuift het hof deze verklaring terzijde.
Besluit tot ongeldigverklaring en bekendmaking daarvan aan de verdachte
Om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9 lid 2, eerste volzin, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet (allereerst) blijken dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, het betreffende besluit is bekendgemaakt aan de verdachte en van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking (vgl. Hoge Raad 3 juni 2025 ECLI:NL:HR:2025:826).
Het CBR heeft bij brief van 17 september 2021 aan de verdachte het besluit kenbaar gemaakt dat zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard vanaf 24 september 2021. Dit besluit is zowel aangetekend als per gewone post op 24 september 2021 aan de verdachte toegezonden op diens BRP-adres. Ook blijkens het rijbewijsregister is het rijbewijs van de verdachte per 24 september 2021 ongeldig is verklaard.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat aan voornoemd vereiste van bekendmaking van het besluit is voldaan en wordt het verweer verworpen.
Overige vereisten
Volledigheidshalve overweegt het hof verder dat aan de verdachte na voornoemde ongeldigverklaring geen ander rijbewijs is afgegeven. Ook is voldaan aan het vereiste dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Immers, de verdachte heeft ter plaatse ten overstaan van de verbalisant een verklaring afgelegd, inhoudende dat hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Bovendien heeft de verdachte ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij ongeveer een maand voor onderhavig feit, rond 25 oktober 2021, ook door de politie staande is gehouden, zijn rijbewijs toen is ‘afgepakt’, en hem bij die gelegenheid is medegedeeld dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard was.
Gelet op het voorgaande acht het hof het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 20 november 2021 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Breeburgsingel, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van 3 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week met een proeftijd van 3 jaren.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. T. de Bont en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 september 2025.
Mr. T. de Bont is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.